Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lijden - (verdragen, als last moeten dulden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lijden ww. ‘verdragen, als last moeten dulden’
Onl. līthon ‘gaan, trekken, oversteken’ in an fluode ovir līthon ‘een rivier oversteken’ [10e eeuw; W.Ps.], lithan ‘verdragen, dulden’ [ca. 1100; Will.]; mnl. liden ‘verdragen, dulden’ in dat leit[e]r also lange ‘dat verdraagt hij zo lang’ [1200; CG II], ‘passeren, voorbijgaan’ [1240; Bern.] en in doe ... si die valbrugge leden ‘toen ze de valbrug overgingen’ [1260-70; CG II], lijden ‘verdragen’ [1477; MNW]; nnl. lijden alleen nog ‘verdragen, moeten dulden’.
De oorspr. en algemeen Germaanse betekenis van dit woord is ‘weggaan, vertrekken’. In het Nederlands, het Hoogduits en het Nederduits (en van daaruit in de Scandinavische talen) heeft deze zich ontwikkeld tot ‘verdragen, pijn hebben’. Men denkt bij deze overgang wel aan invloed van het niet verwante zn.leed ‘smart, verdriet’ (Duits Leid), dat gevoeld werd als ablautend zn. bij het sterke werkwoord lijden, zoals → beet bij → bijten en → dreef bij → drijven. In het Hoogduits speelde deze invloed nog sterker, omdat de klinker in het zn. Leid (uit pgm. *-ai-) samenviel met die in leiden (uit pgm. *-ī-). Kluge meent dat de betekenis ‘lijden, verdragen’ is ontstaan via de afleiding irleiden ‘verdragen’, letterlijk ‘voorbij doen gaan’. De Nederlandse ontwikkeling is wrsch. autonoom: al in het vroegste Middelnederlands zijn beide betekenissen ‘(voorbij)gaan’ en ‘lijden, verdragen’ zeer frequent.
Os. līthan (mnd. liden); ohd. līdan (nhd. leiden); ofri. lītha (nfri. lije); oe. līþan (me. līþen); on. líða (nzw. lida); got. -leiþan; alle ‘gaan’ of ‘weggaan’, on. ook ‘sterven’ en ohd. ook ‘lijden, verdragen’; < pgm. *līþan- < *leiþan-; daarnaast het causatief pgm. *laid-ján-, zie → leiden.
Wrsch. verwant met: Avestisch -iriþiieiti ‘stierf’; Tochaars A/B lit/lita ‘ging weg’; < pie. *leit- ‘weggaan’ (IEW 672).
De oorspr. betekenis ‘gaan, weggaan’ raakte in het Vroegnieuwnederlands verouderd, maar is nog te herkennen in het verl.deelw.geleden, in → verleden en in → overlijden ‘sterven’, uit ‘overgaan tot een ander leven’.
lijdelijk bn. ‘geduldig, passief’. Mnl. lidelijc ‘draaglijk, acceptabel’ in lidelike ghequetset ‘niet onherstelbaar beschadigd’ [1294; CG I], ‘in staat om te lijden, lijdzaam’ in sijn lidelike ... menschelike natuer ‘zijn lijdzame menselijke aard’ [eind 14e eeuw; MNW]; vnnl. ‘passief’ in zyn wy volkomen lydelyk ‘zijn wij volkomen passief’ [1732; WNT]. Afleiding met het achtervoegsel → -lijk van lijden in de betekenis ‘verdragen’.
Lit.: G. de Smet (1952), ‘Geschiedenis en geografie van het werkwoord lijden (pati)’, in: HZnMTL 6, 67-107

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lijden* [verduren, ondergaan] {oudnederlands lithon 901-1000, middelnederlands liden [gaan, voorbijgaan naast dulden]} oudsaksisch lithan, oudhoogduits lidan, oudengels liðan, oudnoors líða, gotisch leiþan [gaan]; in de betekenis ‘verduren’ middelnederduits liden, oudhoogduits lidan, oudfries litha; de tweede betekenis is voortgekomen uit de eerste: gaan, ergens doorheen gaan, verdragen, dulden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lijden ww., mnl. lîden, mnd. līden, ohd. līdan (in de 9de eeuw verkort uit irlīdan), nhd. leiden. — Het simplex ohd. līdan bet. tot c. 860 ‘gaan’ en beantwoordt aan os. līthan, oe. līðan, got. galeiþan. — toch. AB lit ‘weggaan’, av. para-raēth ‘sterven’ (IEW 672). — Zie verder: leiden.

De overgang ohd. irlīdan > līdan verduidelijkt de bet. overgang. Men kan vergelijken een woord als ervaren. Mogelijk komt deze ontw. uit het Zuidduits en bereikt om 1300 de Oostzee. Het on. līða is van het mnd. overgenomen. — De verbinding met de groep van leed is te verwerpen. — Voor een andere etymologie van lijden zie nog J. Trier, Gött. gel. Anz. 203, 1941, 424, die het woord met lenig verbindt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lijden ww., mnl. lîden. = ohd. lîdan, ouder ir-lîdan (nhd. leiden), mnd. lîden (> laat-on. lîða, de. lide, zw. lida) “lijden”. Men combineert gew. hiermee leed en verder gr. loitós; loimós (Hes.), ier. liuss (*lit-tu-) “walging”; een anlautvariant kan zijn got. sleiþs “schadelijk, boos”, on. slîðr “boos”, ohd. slîdic “id., wreed”, os. slîthi, ags. slîðe “id.”, waarmee men weer gr. aliteín “een misdrijf plegen” gecombineerd heeft. Anderen houden leed en lijden voor niet met elkaar verwant, leiden de bet. “lijden” uit “beleven” en deze uit “er-fahren” af en identificeeren het ww. met mnl. lîden “gaan, voorbijgaan (intr.), er afkomen, gebeuren, voorbijgaan (trans.), doorbrengen, te boven gaan” (nog over in geleden, verleden, overlijden; zie leiden), onfr. lîthon, ohd. lîdan, os. lîthan, ags. lîðan, on. lîða, got. leiþan (in samenst.) “gaan”, in sommige talen ook “voorbijgaan”. Dit is zeer goed mogelijk: de mnl. bet. “(een tijd) doorbrengen” staat reeds niet ver van “verduren” af. In dat geval gelden de hierboven genoemde combinaties alleen voor leed. Voor germ. *lîþanan “gaan” bestaat geen bevredigende etymologie: noch de combinatie met lid I noch die met av. raêϑ- “sterven” is overtuigend. In de basis van leed houdt men de idg. t voor formantisch: gr. loigós “verderf” e.a. woorden kunnen daarop wijzen: ’t is echter al te gewaagd, deze basis lei-, li- met die van lenig te identificeeren. — Afll.:lijdelijk bnw. Sedert ’t Mnl., Mhd., Mnd., deels met afwijkende bet.; — lijdzaam bnw. Sedert het laat-Mnl. en Mnd.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lijden. = owfri. lîtha ‘lijden’; in de bet. ‘toekomen met’ sluit dit zich nader aan bij mnl. lîden ‘gaan... enz.’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lijden 1 ono.w. (gaan), Mnl. liden, Onfra. lîthon, Os. lîthan + Ohd. lîdan, Ags. líđan, Ofri. lítha, On. líđa (Zw. lida, De. lide), Go. leiþan: nog over in geleden, verleden, overlijden en ’t factit. leiden (z. ook lijden 2.).

lijden 2 o.w. (doorstaan), Mnl. liden + Ohd. lîdan (Mhd. lîden, Nhd. leiden), Ofri. lítha, On. líđa (Zw. lida, De. lide): is voor sommigen hetz. als lijden 1. = gaan, ondergaan; volgens anderen hebben deze twee homon. niets gemeens.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

lije (ww.) lijden; Aajdnederlands lithan <1100>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ly ww.
1. Ellende deurmaak, smart of pyn ondervind. 2. Verdra of verduur.
Uit Ndl. lijden (Mnl. liden). Eerste optekening in Afr. in bet. 1 in Patriotwoordeboek (1902).
D. leiden.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

lijden ‘lijden van Christus’ (bet. van Latijn passio)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

lijden (2). Dit werkwoord heeft naast ‘dulden’ ook de betekenis ‘iets graag willen’. Het is die betekenis, die wij terugvinden in de vele verwensingen die beginnen met ik mag lijden dat ..., zoals bijvoorbeeld in ik mag lijden dat je het schurft krijgt!; ik mag lijden dat je een koperen kind krijgt, dan kun je je de tering poetsen! Dit soort vervloekingen heeft als emotionele betekenis ‘ik heb hartgrondig het schurft aan je, ik kots van je en heb het liefst dat je getroffen wordt door allerlei onheil en ongemak’. Natuurlijk worden zij gebruikt in geval van woede, afkeer, haat enz.

lijden (1). Oud is de formule bij Gods heilig lijden. Deze eed kon ijdel gebruikt worden en zich vervolgens ontwikkelen tot stopwoord en uitroep. Variant is lyden. Stoett (1932) noteert voor de 16de eeuw ook nog bij Gods lijden en anders ‘bij het lijden en andere dingen van God’. In de 17de eeuw komt ook voor o lijden bloed, gorter lijden. Verbastering van Gods lijden. Zeer zeldzaam en uitsluitend zeventiende-eeuws. Variant slijsen: in de Kluchten [1619] van Bredero komt als uitroep voor gans slijsen.
Zeventiende-eeuws is ook o gans saccarliden en o sacker lyden. Met dit woord wordt de bastaardvloek gans lijden gevormd, waarbij gans een verbastering is van God. → gans (2).

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Lijden, Mnl. liden, bet. oorspr. gaan, waarvan leiden het causatief is. Voor lijden = gaan, vgl. verleden week: „vergangen” week; overlijden: overgaan in een anderen toestand; vgl. ’t Mnl.: „Als hij di borchbrugge (slotbrug) leed” (= ging, overging). Mogelijk is uit dit liden of lijden in de bet. van gaan ook het begrip ontstaan van: ondergaan, beleven, doorstaan, ondervinden (evenals ervaren = door varen of gaan verkrijgen), waarvan dan leed het z.n.w. zou zijn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lijden ‘verduren, ondergaan’ -> Deens lide ‘verduren, ondergaan’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors li, lide ‘verduren, ondergaan’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds lida ‘verduren, ondergaan’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands lyd, lyden, lijden, leiden ‘verduren, ondergaan’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lijden* verduren, ondergaan 1265-1270 [CG Lut.K]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1998. Schipbreuk lijden,

zijn doel niet bereiken, zijn verwachtingen niet vervuld zien; mislukken. In de 17de eeuw komt deze uitdr. voor in fig. zin; vgl. Vondel, VI, 48: Menighten lijden hier schipbreuck, die, door verwaentheit aangevoert - zich te vroegh en te diep op dezen Oceaen wagen; Halma, 569: Hij heeft schipbreuk aan 't geloove geleden, hij is zijn geloof afgegaan. Zij heeft schipbreuk in haare eere geleeden, zij is haare eere quijt; Harreb. II, 252; Ndl. Wdb. XIV, 721; fr. faire naufrage; hd. Schiffbruch leiden (an der Ehre, an seinem Glauben); eng. to make (or suffer) shipwreck.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut