Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lij - (zijde die van de wind is afgekeerd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lij zn. ‘zijde die van de wind is afgekeerd’
Vnnl. lie ‘van de wind afgekeerde zijde (van een schip)’, eerst in de verbinding te liewaert van ‘aan de lijzijde van’ [1555-57; Van der Meulen 1953b], dan lij in een mijl ofte twee in de lij van ons ‘een mijl of twee bij ons vandaan aan de lijzijde’ [1598; WNT].
De huidige vorm lij is wrsch. een Noordzee-Germaanse vorm; een klankwettige Nederlandse vorm lee of lie is niet blijven bestaan.
Os. hleo (mnd. ; hieraan ontleend nhd. Lee); ofri. hlī (nfri. lij); oe. hlēo (ne. lee); on. hlé (nzw. ); alle met betekenissen als ‘beschutting, bescherming; lijzijde’, < pgm. *hlewa- < pie. *ḱleu-. Zie ook → luw.
Verdere herkomst onbekend. Wrsch. niet verwant met → lauw, waarvoor pie. *ḱleh1- gereconstrueerd moet worden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lij* [zijde die van de wind is afgekeerd] {1598} vgl. fries lij, oudsaksisch hleo [beschutting], oudengels hleo [schuilplaats], oudnoors hlē; behoort bij luw en lauw1. De uitdrukking in de lij liggen [achter lopen] is ontleend aan het zeilen en werd gezegd van het schip dat vaart in de parallelle koers met een ander, dat de loef houdt en hem dus de wind uit de zeilen neemt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lij znw. v., sedert Kiliaen lije (en met hypercorrecte d ook lijde), dial. vorm van lie (vgl. 1555-7 liewaert, zie v. d. Meulen Ts. 71, 1953, 285-97), ofri. hlī o. ‘beschutting’, os. hlēo o. ‘beschutting’, oe. hlēo o. ‘beschutting, schuilplaats’, on. hlē ‘bescherming; lijzijde’ < germ. grondvorm *hlewa- (got. hlija ‘hut’ wordt wel beschouwd als verschrijving van *hliwa). — Daarnaast staan de vormen *hlēwa-, waarvoor zie: lauw en *hleuja, waarvoor zie: luw.

Terwijl nhd. lee < nnd. , komt ne. lee < on. hlē.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lij znw., sedert Kil., die naast lije ook den in geen geval meer oorspronkelijken vorm lijde opgeeft. = ofri. hlî o. “beschutting”, os. hleo o. “id.”, ags. hlêo o. “id., schuilplaats”, on. hlê o. “lij” (> eng. lee). Nhd. lee o. “id.” komt uit het Ndd. Grondvorm *χlewa-. Vgl. ook os. hlea v. in bet. = hleo, mhd. lie, liewe v. “priëel”. De nnl. vorm is ospr. dialectisch: anders verwachtten we *lie evenals knie; vgl. hieronder over mnl. ghelie. *χlewa- staat in ablaut tot *χlêwa-; zie lauw. — Afl.: *χleuja- > *χliuja-, mnl. luw “beschut” waarnaast misschien lieu “apricus” (nnl. luw, dial. louw, lei, lij), ags. hlîwe, hlêowe “zonnig”, on. hlŷ o. “warmte”, nijsl. hlŷr “warm”. Mnl. lien (lees lieu?, Alexander X, 453) is een variant van ghelie, dat op *ӡa-χlewa- teruggaat, tenzij de derde variant ghelieuwe juister is, die op *ӡa-χliuja- wijst.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lij v., Kil. lije, Os. hleo = beschutting tegen het weder + Ags. hléo (Eng. lew = beschutte plaats). Ofri. hlí, On. hlé (Zw. , De. lœ. – Hieruit ook Eng. lee = lijzijde); hierbij Ags. hléowan, On. hlýja = beschermen: niet buiten het Germ. (z. luw).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

ly II: kant v. skip v. d. wind afgekeer; Ndl. lij (sedert Kil lije/lijde, dial. lie, “beskutting”), Eng. lee, Hd. lee (v. dVri J NEW).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Lij (lijzijde) is verwant met luw, uit ’t Mnl. lie = beschutting voor het weder, beschutte plaats (hier: voor den wind), van ’t Germ, hlewo.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aan lij ‘aan de zijde die van de wind is afgekeerd’ -> Russisch † aanlí, anléj ‘aan de zijde die van de wind is afgekeerd’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lij* zijde die van de wind is afgekeerd 1598 [WNT lij I]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1402. In (de) lij liggen (of zijn),

d.w.z. achterlijk zijn in zijne zaken, in de neer (draaikolk, tegenstroomNdl. Wdb. IX, 1791.) zijn (Tuinman I, 189); fri. in de neerklits wêze of reitsje. Onder de lij verstaat men die zijde van het schip, waarheen de wind waait, die door het overhangende en uitgespannen zeil nedergedrukt wordt, en op het zwaard rust. Wanneer het eene schip de loef, of den bovenwind heeft, dan is het andere schip, dat onder den wind ligt, in lij, krijgt dus bijna geen wind en gaat niet zoo snel vooruit. In de 17de eeuw zijn de uitdr. in de lij brengen, in de lij raken, en in de lij zijn bekend; de laatste wordt door Winschooten, 139, verklaard als in de knel zijn. Zie ook Hooft, Ned. Hist. 432: Zulx de bespringers in de lij waren; 319: Dat hij hen leelijk in de lij gelaaten had; Vondel, Adonias, 91: Gij raeckt er lichtelyck in lij; Tuinman I, 324: Iemand in de lij brengen; Sewel, 467; Harreb. II, 29; Taal en Lett. XIV, 139; Ndl. Wdb. VIII, 2193.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut