Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

liggen - (zich in horizontale houding bevinden; zich bevinden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

liggen ww. ‘zich in horizontale houding bevinden; zich bevinden’
Onl. *liggon ‘liggen, zich bevinden’ in thie suule, thar the disk upha lagh ‘de zuil waar de schijf op lag’, ther disk ther lighet ... ‘de schijf die ligt’ [ca. 1100; Will.]; mnl. liggen ‘zich in horizontale houding bevinden’ [1240; Bern.], ‘zich bevinden, gelegen zijn’ in (deels Latijn) omnem terram dat leghet an rosebroch ‘al het land dat te Rosenbroch ligt’ [1223; CG I], liete legghen en liete ligghen ‘zou laten liggen’ [1277; CG I].
Os. liggian (mnd. liggen); ohd. liggen, licken, ligan (mhd. ligen, nhd. liegen); ofri. lidza (nfri. lizze); oe. licgan (ne. lie); on. liggja (nzw. ligga); alle ‘liggen’; < pgm. *ligjan <*legjan-; daarnaast got. ligan < pgm. *ligan-. Daarnaast het causatief pgm. *lagjan-, waaruit → leggen, en de afleiding pgm. *lagōn-, waaruit ofri. lagia ‘tot stand brengen’; on. laga ‘id.’. Zie ook → gelag.
Verwant met: Grieks lékhestai ‘gaan slapen’; Oudkerkslavisch ležati ‘liggen’ < *legēti (Russisch ležát'), lešti ‘(gaan) liggen’ < *legti (Russisch leč'); Oudiers laigid ‘ligt’; Tochaars B lyaśäṃ ‘ligt’; < pie. *legh- (IEW 658); daarnaast de causatieven: pgm. *lagjan-; Kerkslavisch ložiti ‘leggen’ (Tsjechisch -ložit); Oudiers do-luget ‘vergeven’; Hittitisch lāki ‘omleggen, omslaan’; < pie. *logh-éie-. Met rekkingstrap pie. *lēgh-, waaruit Oudkerkslavisch lěgati ‘liggen’ (Tsjechisch léhat). Daarnaast uit pie. *legh-: Latijn lectus ‘bed’ (Frans lit ‘bed’, zie → ledikant); Grieks lékhos ‘bed’; Oudiers lige ‘bed, graf’; Tochaars A/B lake/leke ‘bed’; en uit pie. *logh-: Oudnoords lag ‘situatie’; Grieks lókhos ‘hinderlaag’; Oudkerkslavisch lože ‘bed’ (Russisch lože ‘sponde’); en uit pie. *lēgh-: pgm. *lēgō- ‘hinderlaag’, zie → laag 1.
Liggen is een sterk werkwoord; voor het verl.deelw. zie ook → gelegen. Voor een afleiding van dezelfde wortel als in liggen, zie → leger 1.
De 2e en 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd, liges en liget, werden in het Middelnederlands door rekking van de korte -i- in open lettergreep tot leges en leget met lange -e-. Bij het werkwoord → leggen werden naast legs en legt eveneens de vormen leges en leget met lange -e- gebruikt; dat werkwoord kende voorts de verleden tijd legede en het verl.deelw. gheleget. In het westelijk Middelnederlands ontwikkelden deze vormen zich tot leis en leit, leide en geleid, zoals ook zeit, zeide, gezeid bij → zeggen. Zo vielen vormen uit liggen en leggen samen en bleef er met name in Holland één werkwoord over, met sterke en zwakke vormen. Een dergelijke samenval van een causatief met het werkwoord waarvan het is afgeleid, komt vaker voor, doordat de beide werkwoorden sterk op elkaar lijken en vaak ook in betekenis zijn samengevallen. Voorbeelden zijn o.a. kunnen en kennen, die buiten de standaardtaal veelvuldig samenvallen; Middelnederlands treken ‘bewegen met het lichaam’ dat is samengevallen met het causatief trekken; ouder Middelnederlands swimmen dat is samengevallen met het causatief zwemmen.
In de huidige westelijke dialecten komt deze samenval nog steeds voor; in de standaardtaal, die zich later vooral vanuit het Hollands ontwikkelde, is het onderscheid tussen beide werkwoorden kunstmatig (her)ingevoerd, o.a. door de vertalers van de Statenbijbel (1637) en in de prescriptieve taalgidsen van Samuel Ampzing (1628) en Balthazar Huydecoper (1730). Pas met Pieter Weilands Nederduitsche Spraakkunst uit 1805, die veel invloed had op het taalonderwijs, kreeg het onderscheid leggen/liggen definitief status in de standaardtaal.
Lit.: Van der Sijs 2004, 513-514

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

liggen* [uitgestrekt zijn, zich bevinden] {liggen, li(e)gen 1236} middelnederduits, oudhoogduits liggen, li(e)gen, oudsaksisch liggian, oudfries lidzia, oudengels licgan, oudnoors liggja, gotisch ligan; buiten het germ. latijn lectus [bed], grieks lechesthai, oudkerkslavisch ležati [liggen], oudiers laigim [ik ga liggen], lige [bed], hettitisch laggari [hij ligt] → leggen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

liggen ww., mnl. ligghen, os. liggian, ohd. liggen, ligen (nhd. liegen), ofri. lidzia, lidsza, oe. licgan, licgean (ne. lie), on. liggja; zonder ja-suffix got. ligan. — gr. léchos ‘bed’, lóchos ‘hinderlaag’, lat. lectus ‘bed’, osl. lęgą, lešti ‘gaan liggen’, ležati ‘liggen’, lože ‘leger’, oiers lige o. ‘bed’ (IEW 658). — Zie verder: laag 1 en laag 2, gelag, leger en leggen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

liggen ww., mnl. ligghen. = ohd. liggen, ligen (nhd. liegen), os. liggian, ofri. lidzia, lidsza, ags. licg(e)an (eng. to lie), on. liggja “liggen”, germ. *liӡjanan uit *leӡjanan. Voor de j vgl. zitten. Zonder praesentische j got. ligan “liggen”. Buiten ’t Germ.: ier. lige “ligplaats, graf”, lat. lectus “ligplaats, bed”, gr. lékhetai; koimátai (Hes.), léktō “hij ging liggen”, lékhos “bed”, obg. lęgą, lešti “gaan liggen”, ležą, ležati “liggen”, lit. atlagaĩ “akker, die lang braak heeft gelegen”. Vgl. gelag I, gelag II, laag, leger, leggen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

liggen. Dial., vooral holl., is dit ww. met leggen dooreengelopen. De vermenging van de twee ww., die reeds in de ME. te merken is, is uitgegaan van de veelgebruikte persoonsvormen 1. 2. praes. ind., die voor beide ww. gelijk waren (lēghes en lēghet, resp. leit).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

liggen ono.w., Mnl. id., Os. liggian + Ohd. ligen (Mhd. id., Nhd. liegen), Ags. licgan (Eng. to lie), Ofri. lidzia, On. liggja (Zw. ligga, De. ligge), Go. ligan: Germ. wrt. leg + Gr. lékhos = bed, lókhos = schuilplaats, Lat. lecius = bed, lex = wet (z. lei 2), Oier. lige = ligplaats, Osl. ležati, Ru. ležat' = liggen: Idg. wrt leg̃h.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

ligke (ww.) liggen; Aajdnederlands liggon <1100>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ww.
1. Horisontaal uitgestrek wees of rus op. 2. In 'n bed, op 'n rusbank, e.d. uitgestrek wees. 3. Geleë wees. 4. Verspreid wees oor. 5. Onaangeroer êrens rus. 6. Laat rus op. 7. Voortbring. 8. Aanbring.
Uit Ndl. liggen (al Mnl.) of leggen (al Mnl.). Die onderskeid wat in Ndl. tussen liggen en sy kousatief (ww. wat oorsaak of gevolg uitdruk) leggen bestaan, het in Afr. verval. Eerste optekening in Afr. in bet. 1 by Pannevis (1880) in die vorm lèh.
D. liegen, legen, Eng. lie, lay.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

liggen: gaan liggen (ging liggen, is gaan liggen), gaan liggen om te slapen, gaan slapen. Ik kroop stil uit bed en vroeg haar zachtjes, hoe het met Ma Da was. - Nog altijd koorts, zei ze, ga maar liggen (Hijlaard 47).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

: in Afr. het die Ndl. ww. liggen en sy kous. leggen (vgl. Hd. liegen/legen, Eng. lie/lay) saamgeval; hou verb. m. laag II, III en IV, laer en leër, en verderop m. Lat. lectus, “lêplek, bed” en Gr. léχos, “bed”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

liggen (dat ligt hem niet) (vert. van Duits das liegt ihm nicht)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

liggen. Haat en woede jegens iemand drukt men volgens Mullebrouck (1984) in Vlaanderen uit door de verwensing ge moest allang op het kerkhof liggen! Men heeft zo’n hekel aan iemand c.q. is zo boos op hem, dat men hem doodwenst. Vergelijkbaar is krijg het kerkeputje!kerkenputje.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

liggen ‘uitgestrekt zijn, zich bevinden’ -> Negerhollands lee, lei, lej ‘uitgestrekt zijn, zich bevinden’; Papiaments lèg ‘liggend een dutje doen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

liggen* uitgestrekt zijn, zich bevinden 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1346. Het ligt mij op de leden,

d.w.z. ik heb een voorgevoel van iets; in Kortrijk: iets op den lever hebben (Schuermans, 336); leden vatte men op in den zin van alle lichaamsdeelen, het lichaam, zooals ook in iets onder de leden hebben (no. 1345). Bij Schuermans, 328 a: iets in zijne leê hebben, iets voorgevoelen of vermoeden; ik had het of het lag in mijne leên; en bl. 320: 't ligt in mijn leens; Tuerlinckx, 362: dat lag in mijn leê; in het Waasch Idiot. 278 a: in het lijf hangen naast in de leen hangen; Teirl. II, 204: Dat hangt in mijn leen, ik heb er een voorgevoel van; De Bo, 617: Ik heb het in mijn leên, het ligt in of op mijn leên, mijn geest is er gedurig mede bezig, ik heb er een voorgevoel van; bij Tuerlinckx, 411: dat lag in mijn niere. Zie Campen, 32: het lach my al op de leden; Brederoo I, 322; Huygens, Korenbl. II, 217; Hooft, Warenar, vs. 243 en Ged. I, 154:

Het hart dat tujght, en 't lejdt mij op de leên,
Dat aen uw licht, ach hoe veel meer als een
Dan sullen gaen ontsteken haer gemoên.

Ook in de 17de eeuw op de leden vallen bij Bontekoe, Journ. 62: Het viel ons doe al op de leden, dat het met een, of beyde onse mackers niet wel gestelt most wesen. Vgl. verder Halma, 305: Dat leit mij op de leden, j'ai un pressentiment de cela; Sewel, 440: Het legt mij op de leden, I fear it will be so; Tuinman I, 318; Harreb. II, 22; O.K. 178: Ik kom bepaald in de versukkeling, dat ligt me op de leden; Ndl. Wdb. VIII, 2011. In het fri.: it leit my (forkeard) op 'e lea, ik heb een (ongunstig) voorgevoel omtrent die zaak.

1415. Iemand links laten liggen,

d.w.z. op iemand geen acht slaan, geen notitie van hem nemen, hem negeeren; hd. einen oder etwas links liegen lassen, vernachlässigen; nd. enen link holden (Eckart, 330); oostfri. he let him hêl links liggen, kümmert sich nicht um ihn. Uit het begrip linksch heeft zich dat van verkeerd ontwikkeld; ook bij de Romeinen beteekende sinister, evenals laevus en scaevus, linksch en ongelukkig, verkeerd (vgl. Leuv. Bijdr. X, 214), zoodat de uitdr. eig. wel zal beteekenen: iemand aan de zijde laten liggen, vanwaar het ongeluk komt, dus: er liefst niet naar omzien. Zie Harreb. III, 44; Falkl. V, 183; Nkr. IV, 5 Juni p. 2; Villiers, 74; Ndl. Wdb. VIII, 2449; enz.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut