Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lieverlede - (geleidelijk, langzamerhand)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lieverlee, van bw. ‘geleidelijk, langzamerhand’
Mnl. bi lieuerlade ‘geleidelijk, stukje bij beetje’ [1284; CG I], bi lieuer lade ‘id.’ [1328-50; Rijmkroniek]; vnnl. met liever lee [1615; WNT], van liever lee [1623; WNT glijden], van lieverlede [1828; WNT].
Gevormd uit → lief in de betekenis ‘aangenaam’ en een onzeker Middelnederlands lade als tweede lid. In deze combinatie komt dat woord alleen voor in West-Middelnederlandse teksten (Hollands, West-Vlaams); het is daarom wrsch. het Noordzee-Germaanse equivalent van Proto-Germaans *laidō- ‘(het) leiden’, een abstractum bij → leiden, zie → loods 1. De letterlijke betekenis zou dan ongeveer ‘met een aangename gang’ zijn geweest. De latere overgang van -lade naar -lede, met d-syncope lee, is dan het gevolg van volksetymologische invloed van het niet-verwante Middelnederlandse zn. lede (v.) ‘verdriet, leed’ in de vaste verbinding lieve ende lede, later lief en leed, zie → leed. Het ontbreken van Middelnederlands lade of lede in een vergelijkbare betekenis als simplex maakt deze etymologie onzeker, maar dat geldt ook voor de alternatieve etymologie, volgens welke lede ‘rust, vrije tijd’ zou hebben betekend en dan hetzelfde woord zou zijn als in de afleiding onlede ‘drukke bezigheid’, zie → leeg. Deze verklaring heeft als bijkomend probleem dat de vorm lade niet verklaard kan worden als Noordzee-Germaanse variant.
De alternatieve etymologie gaat uit van pgm. *liþō- als zn. bij ledig, zie → leeg; hieruit verder alleen me. leð ‘vrije tijd’ (ne. vero. leath).
Bij de samenstelling lieverlee horen nog nnd. mit lēfer lade ‘kalm, langzamerhand’, en de tussenwerpsels Gronings laive loa(tsie) en Fries liverdelaa(t)sje, beide een uitroep van verwondering.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lieverlede* alleen in de verbinding van lieverlede [langzamerhand] {1615, ouder met (bi) liever lade(n) [op zijn gemak, geleidelijk] 1284} met fries a voor hollands e, van middelnederlands liden, lijden in de oorspr. betekenis van ‘gaan’; de betekenis is dus eig. ‘met een lieve, aangename, zachte gang’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lieverlede dial. (Zaans, Gron.) van lieverlade, lieverlaad, mnl. met of bi liever lade(n), oostfri. mit lefer lade. ‘kalm, langzamerhand’. — Indien wij lade als een friese vorm mogen opvatten (Heinsius WNT 8, 2152), dan is dit te verbinden met ofri. lāde, lēde, oe. lād, os. lēda, mnl. lêde, leide, on. leið ‘gang, reis, weg’. De uitdr. betekent dan: ‘met een aangename gang’. De vorm lede heeft dus het normaal nl. woord voor het frisisme lade in de plaats gesteld; beide woorden behoren bij lijden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lieverlede (van lieverlede), dial. (Zaansch, gron.) van lieverlade (-laad), mnl. van of bî liever lade(n) (ā, â?) “kalm, langzamerhand”. -lede kan zijn opgekomen onder invloed van Kil. lede “gradus, gressus”, dat bij *lîþanan “gaan” (zie lijden) hoort. Mnl. lade kan niet, zooals men wel heeft gemeend, een frisisme met â voor ai zijn: het is al vroeg-mnl. in deze uitdr. zeer gewoon. Ook oostfri. komt mit lêfer lade voor. Oorsprong onzeker. Is lade soms met Kil. laede “plank” (zie lat) identisch? Dan liet de uitdrukking zich vergelijken met ons van een leien dakje: ’t bnw. lief zou echter vreemd zijn en niet voldoende verklaard door de alliteratie.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lieverlede (van lieverlede). Sedert ingwaeonismen met â < ai al vroeg en zuidelijk zijn aangewezen, is het vroeg-mnl. voorkomen geen bezwaar meer, om in mnl. lade zulk een ingwaeonisme te zien. Met deze verklaring komt men althans tot een bruikbare, hoewel geenszins zekere etymologie: het znw. is dan identisch of nauw verwant met de bij †leidsman Suppl. vermelde znww. en de grondbet. kan iets als ‘langs een aangename, gemakkelijke weg’ zijn geweest. De vorm -lede kan ê hebben en met mnl. lâde identisch zijn, of ē en ermee ablauten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lieverlede (van) bijw., Mnl. bi lievere lade (met Fri. â = ê) + Oostfri. mit lêfer lade: men ziet er in het zelfst. nw. leede, Mnl. lede + Ohd. leita, Ags. lád (Eng. load) = leiding, weg, reis, van 't enk. imp. van lijden 1. Vergel. het dial. van lieve de la.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Lieverlede, Mnl. bi liever lade. Men ziet in dit lade den Frieschen vorm van ’t Mnl. lede = leiding, weg, reis; ’t woord zou dan bet.: met aangenamen weg (zie Lief), op zijn gemak gaan, langzaam aan.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lieverlede: van - ‘beetje voor beetje, langzamerhand’ ->? Duits dialect (mit) leverla ‘gaandeweg, stilaan, stuk voor stuk’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1401. Van lieverlede,

d.w.z. langzamerhand; mnl. met of bi liever lade(n), met lichter lade(n); 17de eeuw van of met lieverla, of lieverlee. Vgl. Rab. I, 100: Zij smulden haare koekjes van lieverla lekkertjes opAlle de geestige Werken van Mr. François Rabelais, t' Amsterdam by Jan ten Hoorn, 1682.; Bat. Vr. 44: Wij volgen met liever lee u naJ.S. Colm, Battaefsche Vrienden-Spieghel ut levender jonste, Amsterdam, 1615.; Boekenoogen, 578: van lieverlaad; Molema, 253: lijverloa; De Vries, 82: lieverdela, met tegenzin; Gunnink, 163: lievel; Van Weel, 121: van lieverl&U0113;. De oorsprong dezer uitdr. is onzeker. Misschien is het oude -lade vervangen door -lede onder invloed van het znw. lede, gradus, gressus; zie Franck - v. Wijk, 386; oostfri. (mit) lêferlade, lêferla (Ten Doornk. Koolm. II, 484); Sewel, 453: Van liever leede (met een langzaame tredt), by degrees, by little and little.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut