Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lier - (snaarinstrument; hijswerktuig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lier zn. ‘snaarinstrument; hijswerktuig’
Mnl. lyre ‘draailier’ [1425; MNW], lyere ‘snaarinstrument’ [1477; Teuth.]; vnnl. liere ‘muziekinstrument’ [1599; Kil.]; nnl. lier ook ‘soort hijswerktuig’ [1859; WNT].
Ontleend aan middeleeuws Latijn lira ‘lier’, uit klassiek Latijn lyra ‘id.’, ontleend aan Grieks lúrā ‘id.’, wrsch. een voor-Indo-Europees substraatwoord.
Aan hetzelfde Latijnse woord zijn ontleend: mnd. lire; ohd. līra (nhd. Leier); nzw. lira via het Duits.
De middeleeuwse lier was een soort vedel met een zwengel die, wanneer men eraan draaide, een schijf over de snaren liet strijken; dit instrument is in de volksmuziek in gebruik gebleven en wordt tegenwoordig draailier genoemd. Toen in de 16e eeuw met het humanisme de kennis van de oudheid toenam, begon men liere of lier in de literatuur en in de woordenboeken te reserveren voor het harpachtige instrument dat de Romeinen en de Grieken onder die naam kenden (lyra resp. lúrā); het Myceens (kleitablet uit Thebe, ca. 1200 v. C.) heeft een woord lurātās ‘lierspeler’. Eerder gebruikte men daarvoor de naam → harp; dat is het woord waarmee het Glossarium Bernense uit 1240 zowel cythara als lira vertaalt.
Duits Leier en Nederlands lier hebben, uitgaande van de betekenis ‘draailier met zwengel’, bij overdracht ook de betekenis ‘zwengel, draaikruk’ gekregen, en vandaar ‘soort hijswerktuig’.
Lit.: W. Relleke (1980), Ein Instrument spielen, Heidelberg; H. Steger (1971), Philologia Musica, München

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lier2 [snaarinstrument] {liere, lyre 1440} < oudfrans lire of direct < latijn lyra [lier, luit] < grieks lura [lier]. De uitdrukking de lier aan de wilgen hangen [ophouden met verzen maken] is ontleend aan psalm 137:2. In branden als een lier [flink branden] en het gaat als een lier betekent lier ‘kaapstander’. Het is stellig hetzelfde woord als lier in de betekenis van ‘draaiorgel’. De betekenis is: het gaat vrijwel vanzelf.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lier 1 znw. v. ‘snaarinstrument’, later-mnl. lyre v., Teuth. lyere, evenals mnd. līre, ohd. līra (nhd. leier) < lat. lyra < gr. lúra. — Bij de Germanen was sedert de 6de eeuw een snareninstrument, dat getokkeld werd, bekend. In de Middeleeuwen duidt het woord dan een soort van draaiorgel aan (vgl. nhd. leierkasten). Onder invloed van de Humanisten wordt dan echter het woord uitsluitend voor het antieke instrument gebruikt.

Lier betekent ook ‘kaapstander’, wat wel hetzelfde woord zal zijn, vgl. ook de bet. overgang van harp. — In de uitdrukking ‘branden als een lier’ mogen wij hetzelfde woord aannemen, vgl. zingen als een lier, het gaat als een lier.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lier znw., later-mnl. lyre v., Teuth. lyere. Evenals ohd. lîra (nhd. leier), mhd. lîre v. uit lat. lyra (gr. lúra) ontleend, het ndl. woord wellicht via het Du. of Fr. Mnl. lyre beteekent evenals ohd. lîra, mhd. lîre “een soort draaiorgel”. De nnl., nhd. bet. is onder humanistischen invloed opgekomen. Lier “kaapstander” zal wel ’t zelfde woord zijn, vgl. de secundaire bett. van harp. Branden als een lier zal wel een jongere uitdr. wezen, gevormd naar het gaat als een lier (reeds in de 17. eeuw). Hierin is lier wsch. = “draaiorgel”; vgl. vla. het gaat gelijk een fluitje, als eene klok. Mnl. lier o. komt = “leuning, bank” voor; dit is wsch. een heel ander woord (idg. *ḱlei-ro-, bij leunen?).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lier 2 v. (werktuig), hetz. als lier 1, omdat men er aan draait als aan een lier.

lier 1 v. (speeltuig), Mnl. liere, gelijk Ohd. lîra (Mhd. lîre, Nhd. leier), uit Lat. lyram (-a), Gr. lúra (z. lied). De naam ging op verschillende speeltuigen over. – De lier aan de wilgen hangen naar Psalm CXXXVI, 2. Hetz. w. in in zijn lier slaan, op zijn lier krijgen: Fr. orgue vertoont dezelfde overdracht: mon orgue = mijn korpus, ik.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

lier (Latijn lyra)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

De lier aan de wilgen hangen, ophouden met het maken van gedichten.

Deze uitdrukking is gebaseerd op de volgende bijbelplaats, waarin het over de Babylonische ballingschap gaat: 'In de wilgen op de oever / hingen wij onze lieren. / Daar durfden onze bewakers / te vragen om een lied, / daar vroegen onze beulen: / "Zing voor ons / een vrolijk lied uit Sion." / Hoe kunnen wij zingen / een lied van de HEER / op vreemde grond?' (Psalmen 137:2-4, NBV). In oudere vertalingen vinden we gewoonlijk harpen in plaats van lieren. De lier, een oud snaarinstrument dat met de vingers bespeeld werd, was vanaf de Renaissance het symbool voor de dichtkunst (vergelijk het woord lyriek). De harp werd alleen voor de erediensten (hymnes) gebruikt. Dat is waarschijnlijk de reden voor het vervangen van harp door lier in deze uitdrukking.
Er wordt heel wat gevarieerd op deze uitdrukking -- de vreemdste dingen worden in de wilgen gehangen: 'Ik moest studeren, rechter worden net als hij. Ik moest minstens even goed worden en gooide heel zijn leven ondersteboven toen ik mijn studie aan de wilgen hing en in de verpleging ging' (G. van Wageningen, En toch keert het geluk, 1988, p. 174). En nog mooier: 'De macho-acteur van de populaire televisieserie "Baywatch", David Hasselhoff, hangt zijn zwembroek binnenkort aan de wilgen' (Haagsche Courant, 23-9-1999, p. 2).

Liesveldtbijbel (1526), Psalmen 137:2. Onse harpen hiengen wi aen die willigen die daer inne sijn.
Een maand later hingen ook senator Timothy Wirth van Colorado en Kent Conrad van North Dakota hun politieke lier aan de wilgen. (Liberaal Reveil, 1992, nr. 3)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

lier. In West-Vlaanderen kent men de verwensing draai uw liere af! De letterlijke betekenis van deze vloek is ‘strijk de snaren van je lier met een draaiend wieltje’. Die betekenis is hier niet meer actueel. De emoties die zij wel uitdrukt, wijzen op het ongewenst zijn van de gesprekspartner. De betekenis is thans vooral ‘ik ben woedend, hoepel maar op’. Een zegsman ziet in lier een metonymische naam voor het mannelijk geslachtsorgaan. Dat is op zich niet verrassend, want ook vedel en orgel doen als zodanig dienst. Is die veronderstelling juist, dan zou de betekenis van de verwensing kunnen zijn ‘krijg een stijve, krijg een erectie’. → snaar, ziel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lier ‘horizontaal geplaatste kaapstander’ -> Indonesisch lir ‘horizontaal geplaatste kaapstander’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lier snaarinstrument 1440 [MNW] <Frans of Latijn

lier horizontaal geplaatste kaapstander 1859 [WNT]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

lier: lopen, gaan als een —, erg vlot lopen, gaan. De lier is een muziekinstrument waarvan de trilling der snaren wordt teweeggebracht door een rad, dat met behulp van een soort zwengel rondgedraaid wordt. De term wordt echter ook gebruikt voor een hijswerktuig met een horizontaal geplaatste as. Olie of smeer moet ervoor zorgen dat alles soepel loopt — vandaar de uitdrukking. Dit gezegde is wellicht al vrij oud, maar werd pas laat door de meeste woordenboeken gehonoreerd. → gaan, lopen, verkopen als een tierelier*.

De gemeenschapsvoorzieningen: er is meer geld voor de gezondheidszorg en het onderwijs loopt als een lier. (NRC Handelsblad, 29/06/90)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1397. De lier aan de wilgen hangen,

d.w.z. de poëzie laten varen, zich niet langer met dichten ophouden. De uitdr. is ontleend aan Psalm 137, 2, waar wordt medegedeeld, dat de Israëlieten de harp aan de wilgen (salix babylonica) hingen, tijdens hunne ballingschap in Babylonië; zie Zeeman, 264. In onze uitdr. heeft de lier dus de harp vervangen ‘de vermelding van de harp was voor vrij gebruik te beperkt, want deze past bij de hymne, de lier daarentegen past bij de poëzie in 't algemeen’ (Ndl. Wdb. VIII, 2130). Vgl. no. 1078; eng. to hang one's harp on the willow(-tree); fri. de strykstok oan 'e beam hingje; hy hat syn brân (slagzwaard) oan 'e wân (wand).

1398. Branden als een lier,

d.w.z. uitstekend, flink branden, wel bekend uit het liedje: Jan brandt de lamp nog? Moeder, als een lierOok in het Nd.: Frans, brannt de Lamp noch? Jo, Moeder, as en Lier. Abraham, wat dühste dann? Eck sett bei de Mäd an 't Für (Eckart, 122).. Ook zegt men het gaat als een lier, fri. it giet as in liere, 't gaat zonder haperen, 't gaat van zelf, gesmeerd; meest van een machinalen arbeid gezegd (Molema, 244 b en Taalgids V, 171), dat in de 17de eeuw wordt aangetroffen bij J. Oudaen, Haagsche Broedermoord, 58: Wat mag de gek wel meenen, dat alles als een lier zoo glad gaat? en in de 18de eeuw in Alewijn's Puiterv. Helleveeg, 33. In deze laatste zegswijze kan men lier opvatten als een horizontaal geplaatsten kaapstander, dienende om vrachtgoederen in een schip te hijschen; ook, in eene vischschuit, om het net neer te laten en op te halen (Van Dale). Op deze beteekenis wijzen uitdr. als afrollen als een braadspit (Wildsch. I, 226); het Vlaamsch als een babijn (klos) en de uitdr. het gaat als een veer, als een vinketouw, die worden geciteerd in het Ndl. Wdb. V, 12. Vgl. ook he knows it off the reel (haspel). Aan (Zoo glad) gaan als een lier ontleende als een lier de beteekenis van flink (zie Ndl. Wdb. VIII, 2131). In Zuid-Nederland zegt men blijkens De Bo, 631: het gaat gelijk eene liere op eenen stok of het gaat gelijk eene liere des zondagsVgl. Br. v. Abr. Bl. I, 187: De eerste veertien dagen, gaat dat als een lier op een Zondag (zoo ook bij Harreb. II, 28). Bij Adama v. Scheltema, Van Zon en Zomer, bl. 17: 'k Sloop zachtjes door de bronzen wei, het zong er als een lier.; bl. 1409: het gaat gelijk eene liere (fr. vielle) met eene wrange, waarnaast ook gebruikt wordt: het gaat gelijk een fluitje (van een oordje of een duitje) (Schuerm. 136 a en Bijv. 83, 84; Rutten, 68; Joos, 16; Tuerlinckx, 190 en ook Fri. Wdb. I, 372); het gaat als eene klok (Schuerm. 255); - een soese (De Bo, 1058); - een zoeve (b. 1438); - een lampte (bl. 606); - een babijntje (bl. 71); - een smisken (vuurwerk; Joos, 16; vgl. eng. like a house on fire). In Groningen 't gaat as 'n david (Molema, 77 b).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut