Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

liegen - (bewust onwaarheid spreken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

liegen ww. ‘bewust onwaarheid spreken’
Onl. liegon ‘liegen, misleiden’ in liegon sulun thi fiunda thina ‘je vijanden zullen je voorliegen’ [10e eeuw; W.Ps.], that ist gelógen, thes ist thaz arme uolc be drogon ‘dat is gelogen, daardoor wordt het arme volk bedrogen’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. daer die poeten vele of lieghen ‘waar de dichters veel over liegen’ [1285; CG II].
Os. liogan (mnd. legen); ohd. liogan (nhd. lügen); ofri. liāga (nfri. lige); oe. lēogan (ne. lie); on. ljúga (nzw. ljuga); got. liugan; < pgm. *leugan-. Ablautend daarbij het zn. pgm. *luginō-, zie → leugen, en het zn. *laugnō- ‘ontkenning’, zie → loochenen.
Verdere herkomst onduidelijk. Verwant zijn wrsch. alleen Oudkerkslavisch lŭgati ‘liegen’ (Russisch lgat') en misschien Litouws lugóti ‘verzoeken’; < pie. *lugh-, *leugh- (IEW 686). Semantisch goed te verbinden met → lokken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

liegen* [onwaarheid spreken] {oudnederlands liegon 901-1000, middelnederlands liegen} oudsaksisch, oudhoogduits liogan, oudfries liaga, oudengels leogan, oudnoors ljúga, gotisch liugan; buiten het germ. oudiers lugae [het zweren, eed], oudkerkslavisch lŭgati [liegen] → leugen, loochenen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

liegen ww., mnl. lieghen, onfrank, liegen, oe. liogan, ohd. liogan (nhd. lügen, naast dial. liegen), ofri. liāga, oe. lēogan (ne. lie), on. ljūga, got. liugan. — osl. lŭžą, lŭgati ‘liegen’, lŭži ‘leugenachtig’, lŭža ‘leugen’, lit. lugoti, lett. lùgt ‘verzoeken’ (IEW 686-7). — Zie ook: loochenen en lokken.

Naast de idg. wt. *leugh ‘liegen’ staat een andere *leugh, lugh ‘eed’ (alleen germ. en kelt.) vgl. got. liugan ‘huwen’, en zie: oorlog; oiers luge, luige ‘eed’. — De pogingen om beide wortels te verenigen hebben niet tot een bevredigend resultaat geleid. Zo wil Heinertz Etym. Stud. z. Ahd. 1927, 34 uitgaan van een bet. ‘verbergen, bedekken’ (vgl. got. analaugns ‘verborgen’) en daaruit zowel ‘liegen’ als ‘een vrouw in bezit nemen’ afleiden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

liegen ww., mnl. lieghen. = onfr. liegon, ohd. liogan (nhd. lügen, dial. liegen), os. liogan, ofri. liâga, ags. lêogan (eng. to lie), on. ljûga, got. liugan “liegen”. Vgl. leugen, loochenen. Buiten het Germ. zijn ier. logaissi gen. “mendacii”, obg. lŭžą, lŭgati “liegen”, lŭžĭ “leugenachtig” verwant. ’t Laatste = ohd., os. luggi “id”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

liegen. Er is meermalen gepoogd, got. liugan ‘huwen’ met dit ww. in verband te brengen. Zo opnieuw Güntert Ar. Weltk. u. Heiland 69, op losse gronden: beide van de onder lok en luik Suppl. besproken wortel. Meer overweging verdient Heinertz Et. St. z. Ahd. 34, die op grond van got. analaugns ‘verborgen’, ga-laugnjan sik ‘zich verbergen’ uit het begrip ‘verbergen, bedekken’ zowel ‘liegen’ als ‘huwen’ < ‘(een vrouw) in bezit nemen’ (vgl. vooral bevelen Suppl.) wil afleiden. De combinatie blijft echter onzeker.
Zie nog bedriegen Suppl. en lokken Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

liegen ono.w., Mnl. id., Onfra. liegon, Os. liogan + Ohd. id. (Mhd. liegen, Nhd. lügen), Ags. léogan (Eng. to lie is denom. van lie = leugen: z.d.w.), Ofri. liága, On. ljúga (Zw. id., De. lyve), Go. liugan + Oier. logaissi (gen.) = leugen, Osl. lŭgati (Ru. lgať). Niet verwant met Go. liugan = huwen, waarover z. oorlog. Liegen bet. o. a. ontbreken, schelen, haperen. Hierbij het liegt (schort) aan hem.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

lege (ww.) liegen; Aajdnederlands liegon <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

liegen voor (loog, heeft gelogen), 1. liegen tegen. Hij loog altijd voor z’n moeder toen hij klein was. - 2. liegen over. Ik heb voor Alfred gelogen. Ik wilde hem pijn doen, maar ik vergat, dat ik jou ook pijn deed (Barron 1981a: 89). - Etym.: Zie voor*. - Syn. (1 en 2) jokken* voor.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Lieg ww. Segsw.: Wat wou ek sê, om nie te lieg nie? – as dit jou ewe ontgaan is wat jy wou sê. – Harreb. II, 64: Wat zal ik zeggen, zei de man, en hij zou liegen (uit ’n Noord-Hollandse bron). Stoett: Wat wou ik zeggen en liegen niet. Joan van Paffenrode. “De Bedrooge Gierighyd ofte Boertige Comedie van Hopman Ulrich”: Wat sal ik seggen sey de man en hy sou liegen (Werken (1671), bls. 59).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Leugen, logen, liegen, van den Germ. wt. lug = liegen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

liegen ‘onwaarheid spreken’ -> Zuid-Afrikaans-Engels lieg ‘onwaarheid spreken’ ; Negerhollands lug, lik, lieg ‘onwaarheid spreken’; Berbice-Nederlands liki ‘onwaarheid spreken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

liegen* onwaarheid spreken 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1395. Dat liegt er niet om,

d.w.z. eig. dat bedriegt niet, dat valt lang niet tegen; dat is goed, lang niet mis, eene zegswijze die wij in de 17de eeuw aantreffen bij Brederoo I, 390: Een goe toog, moer, liechter niet om, als ic 's margens so wat peusel; HontgheKlucht van Hontghe bijt my niet, op den reghel: hout den Man hy wil vechten, Amsterdam by Pieter Lourens, 1649., 27: Dat is 't kwaadste niet, dat en lichter niet om, by mijn keel; Tuinman I, 340: Dat liegt 'er niet om, dus drukt men uit, dat iets goed is, en voldoet 't geen men daar van verwachtte en begeerde. 't Geen dus niet liegt, bedriegt niet; Halma, 315: Dat liegt 'er niet om, cela est fort bon; De Fransche wijn is goed, en de Rijnsche liegt 'er ook niet om; Sewel, 453; Harreb. III, 44; fri. dat liicht er net om, dat is raak, doet zeer.

1396. Hij liegt, dat hij zwart ziet (of wordt),

d.w.z. hij is een aartsleugenaar, die zijne leugens met kracht en geweld volhoudt, zoodat hij rood en blauw in het gezicht wordt (Harreb. II, 515 b). In de 17de eeuw is de uitdr. al vrij gewoon; men vindt ze o.a. bij Idinau, 184:

Men seght, hy lieght dat hy swart werdt,
Want, die stijf liegen, doen t' bloet ver-kruypen.
Met dobbel-solde loghenen hy seer hardt terdt
Al moest veur sijn blaes-kaken, al booghen en stuypen.
Gods waerheyt en sal niemandt konnen ontsluypen.

Zie verder Klucht van Lichte Wigger 16 r; Tuinman I, 193; Van Effen, Spect. III, 221; Het Volk 17 Febr. 1914, p. 5 k. 3: De Vries kon liegen dat hij er zwart van werd; Nkr. VII, 8 Febr. p. 4; Jord. 252: Ze loog zich zwart, als 't niet waar was; Tuerlinckx, 367; Volkskunde XXIII, 198. In de 17de eeuw zeide men ook liegen, dat het rookt en zweren, dat men zwart wordt (Gew. Weeuw. I, 41). In Groningen: lijgen, dat 'e swart wordt; hij lucht, 't rookt hom boven de kop of de balken vlijgen in brand; fri.: hy liicht dat er swart wirdt, dat er sels mient dat it wier is; hy liicht as in wachter (Matth. XVIII, 11-15); hd. lügen, das einem der Kopf raucht, dasz sich die Balcken biegen, dasz ihm der Dampf zum Maul herausgeht (Wander III, 272-273; Molema, 166; 541). In het Land v. Aalst: hij liegt dat hij zwart ziet of dat het tipken van zijn neus zwart wordt ('t Daghet, VIII, 32); te Denderleeuw, tot kinders: drie keer gelogen, want gh' hebt drie zwarte plekken op uw voorhoofd; elders in Zuid-Nederland hoort men: liegen dat het schauwe geeft (De Bo, 976 b) en liegen om er zakken bij te droogen (De Bo, 1417); liegen alsof hij met daghuren loog (Rutten, 132); hij liegt dat hij blauw, zwart of geel ziet; ook dat hij stenkt, zweet, berst (Teirl. II, 212; Waasch Idiot. 404); vgl. verder nog: hij liegt, dat hij zelf meent dat het waar is (dat we o.a. aantreffen bij Everaert I, 203; Coster, 284, vs. 1574); hij liegt dat hij barst, tegen de klippen (der hel) aan (no. 1182) en hij is aan de eerste leugen niet gebarsten, gezegd van iemand die gewoon is te liegenVgl. Everaert I, 462: Al loghe hy dat ickem saghe splytten; Smetius, 57: Hij is van de eerste leugen niet gestorven; zie Ndl. Wdb. II1, 1044.; hij ken liegen, dat de luizen op zen kop barsten (Boekenoogen, 1339); hij liegt een koe de poot af (op Goeree en Overflakkee); liegen als een makelaar (in C. Wildsch. IV, 397) en andere zegswijzen vermeld in den Taalgids VIII, 112 en Ndl. Wdb. VIII, 2123. Syn. is ook liegen alsof het gedrukt staat (o.a. M. de Br. 49; Nkr. V, 19 Febr. p. 2) dat ook in Antwerpen en in hd. dial. (wie gedruckt, wie telegraphirt) bekend is (Antw. Idiot. 383; 762; Ten Doornk. Koolm. II, 486; Dirksen I, 54); Afrik. hy lieg of dit geskryf staan; eig. liegen zonder te haperen (Reyn. II, 4201: Dat hi niet en stamert in sijn tael), alsof men het van een blad oplas, zooals blijkt uit Reyn. II, 4223:

mer die een loghen gheeft een slot,
ende. seit sijn reden sonder sneven
als oft voor hem stont ghescreven,
dats die man.

eng. to swear, to lie till one gets black in the face (Prick2, 66); to lie like print.(Aanv.) Bij De Cock, Volksgeloof, 175 staat: Om de kinderen het liegen af te leeren maakt men hun wijs, dat de leugens zich door een uitwendig teeken op het aangezicht openbaren: drij keeren gelogen, want g' hebt drij zwarte plekken op uw voorhoofd, zegt men te Denderleeuw.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut