Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

liefje - (schatje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lief bn. ‘dierbaar, vriendelijk’
Onl. lief ‘dierbaar, bemind’, zelfstandig gebruikt in lieua thina ‘jouw beminden’ en crefte lieuis ‘de krachten van het lieve’ [10e eeuw; W.Ps.], waz himo lief is ‘wat hem dierbaar is’ [ca. 1100; Will.]; mnl. ‘aangenaam’ in dat ne was mig nuwit liep ‘dat was me niet aangenaam’ [1201-25; CG II]; vnnl. lief ook ‘vriendelijk, aardig’ in een lief ... wicht [1610-19; WNT].
Os. liof (mnd. lēf, lief); ohd. liob (nhd. lieb); ofri. liāf (nfri. leaf); oe. lēof (ne. vero. lief ‘aangenaam; graag’); Oernoords (runen) leubaR, liuƀu, on. ljúfr (nzw. ljuv); got. liufs; < pgm. *leuba- ‘dierbaar, geliefd’. Uit ablautend *luba- en *lubōn- hebben zich → lof en → loven ontwikkeld.
Verwant met: Vroeglatijn lubet ‘het behaagt’ (Latijn libet, zie → libido), Oskisch loufir ‘of’; Sanskrit lobha ‘verlangen’, lúbhyati ‘hij wenst’; Litouws liaupsė ‘lof, loflied’; Oudkerkslavisch ljubo ‘of’ (Russisch líbo), ljubŭ ‘lief’ (Pools lubo ‘fijn, genietbaar’); Middeliers co-lba ‘liefde’; Albanees lyp ‘verzoeken, wensen’; < pie. *leubh-, *lubh- ‘begeren, liefhebben’ (IEW 683).
Het bn. lief betekent oorspr. ‘bemind’, vandaar kan het ook ‘goed van karakter, vriendelijk, hartelijk, bevallig, enz.’ gaan betekenen. De oude betekenis bestaat nog steeds, vooral in vele vaste verbindingen als liefste wens, iets voor lief nemen, als je leven je lief is, Onze-Lieve-Vrouw ‘de Heilige Maagd’, Onze-Lieve-Heer ‘God’, om de lieve vrede ‘om geen ruzie te krijgen’, er een lief ding voor over hebben.
Als bijwoord heeft lief vooral de jongere betekenis ‘vriendelijk, bevallig’: lief doen, er lief uitzien. De vormen liever ‘bij voorkeur’ en liefst ‘met het meeste genoegen’ worden vooral gebruikt als vergrotende resp. overtreffende trap bij graag/gaarne.
Zie ook → liefhebben, → liefkozen, → lieftallig en de afleiding → liefde.
lief(je) zn. ‘geliefde’. Mnl. lief ‘vreugde’ in si lief si leet ‘met vreugde of met verdriet’ [1265-70; CG II], ‘beminde, geliefde’ in tegen sin lif ‘tegen zijn geliefde’ [1270-90; CG II], ook de verkleinvorm lievekijn, liefken ‘beminde’ in met sinen liefken ‘met zijn liefje’ [1400-20; MNW-R]; vnnl. liefje ‘geliefde, beminde’ [1637; WNT liefje]. Zelfstandig gebruik van het bn. lief. De niet-verkleinde vorm lief is vooral BN. Voor de verouderde betekenis ‘vreugde’, die alleen nog bestaat in de uitdrukking lief en leed, zie → leed.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lief, liefje ‘schatje’ -> Engels † leefkyn ‘schatje’; Frans dialect † lewekin, leaukin, lievequin ‘biersoort’; Tamazight (Noord-Marokko) lif inou ‘mijn liefje (in liefdesliedjes)’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal