Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

liefhebben - (beminnen, houden van)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

liefhebben ww. ‘beminnen, houden van’
Mnl. lief hebben ‘beminnen, houden van’ in blantseflvr ... die hatte her lief ‘Blanchefloer, die beminde hij’ [1201-25; CG II], hi die gras lief euet ‘hij die van gras houdt’ [1287; CG II], liefhebben ‘beminnen’ [1477; Teuth.].
Samenstelling van → lief en het werkwoord → hebben in de betekenis ‘houden (voor), bezitten, koesteren (als)’.
liefhebber zn. ‘iemand die houdt van iets; geïnteresseerde; amateur’. Mnl. liefhebber ‘minnaar’ in hoe onse liefhebber gemint hevet ‘hoezeer onze minnaar (hier: Christus) liefgehad heeft’ [1400-50; MNW], hoor stadige liefhebbers ‘haar standvastige minnaars’ [1458; MNW openlike]; vnnl. liefhebber des gelts, ..., der kunsten, des sangs, des vredes ‘liefhebber van geld, kunsten, zang, vrede’ [1573; Thes.], liefhebbers van ... wijn [1685; WNT]; nnl. liefhebbers ‘amateurs, niet-professionals’ [1800; WNT], ‘geïnteresseerde, iemand die belang stelt in een bepaald ambt of bepaald waardigheid’ in er zullen liefhebbers genoeg zijn voor dit baantje [1831; WNT]. Afleiding van liefhebben met het achtervoegsel -er, zie → -aar.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

liefhebben ww., mnl. gew. nog als twee woorden gevoeld en geschreven, maar liefhebber znw. m. “minnaar, beminnaar” als één. Het ww. is echter soms, ook in den Teuth., één woord.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Liefhê ww. Segsw.: Hy het haar so lief as ’n ou perd sy moer. Nog bekend onder ouer geslag in die Boland. – Ek vind die segswyse in die Ndl. Wdb. nie opgeteken nie, wel by Tuinman I, 91.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

liefhebben ‘beminnen, houden van’ -> Negerhollands hab lief ‘beminnen, houden van’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Voor wie ik liefheb wil ik heten [titel van een dichtbundel] (1966). De dichter Neeltje Maria Min (1944) geeft in 1966 haar eerste dichtbundel uit: Voor wie ik liefheb wil ik heten, wat een gevleugelde regel wordt.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

101. Iemand liefhebben als den appel zijner oogen.

Deze zegswijze vindt haar oorsprong in Spreuken 7, vs. 2: ‘Bewaert mijne geboden... ende mijne wet, als den appel uwer oogen’, dus: als het dierbaarste wat men bezit, de appel der oogen opgevat als het zinnebeeld van het levenslicht. Als een gevolg van deze vergelijking wordt de door iemand geliefde persoon zelf ook wel de appel zijner oogen genoemd. Meer gewoon is evenwel in dien zin oogappel; zie aldaar, en Ndl. Wdb. II, 554; vgl. hd.: jemand wie seinen Augapfel hüten; fr. conserver quelqu'un (quelque chose) comme la prunelle de ses yeux,. chérir quelqu'un, etc.; eng. he is like the apple of his eye. Reeds bij de Romeinen werd oculus in dezen zin gebruikt, o.a. bij Catullus, Luct. pass. 3, 4: Plus oculis suis amare; en Plautus, Curculio 1, 3, 47: Ocule me (mijn oogappel, als liefkoozing). Zie Journal, 255 en vgl. Vondel's Palamedes, vs. 948; Jeptha, vs. 302: Ick min hem als den appel van mijne oogen; Gijsbr. v. Aemst. 549: Wie kloosters raeckt, die raeckt den appel van Godts oogen; Brederoo I, 361: Sy mint hem alsoo hooch, dat sy hem liever heeft als d' appel van haar ooch; Tijdschr. VIII, 126: Die heeft u zo lief als den appel van haar oogen (anno 1688).

1392. Die me lief heeft, volgt me,

een opwekking om met iemand mede te gaan, waarschijnlijk ontstaan onder invloed van Joh. XII, 26 of XXI, 29. Zie Ndl. Wdb. VIII, 2102 en vgl. Zeeman, 355. De uitdr. wordt bij ons ‘in scherts gebezigd b.v. wanneer men iemand vraagt om hetzelfde pad te bewandelen of een gastheer zijne gasten uitnoodigt om met hem van de eene kamer naar de andere te gaan’.

2650. Iemand zielsliefhebben,

d.i. iemand innig liefhebben; eig. zoo lief als zijn eigen ziel; ontleend aan Sam. I. XVIII, 1: 't Geschiedde nu als hy geeyndigt hadde tot Saul te spreken, dat de ziele Jonathans verbonden wert aen de ziele Davids; ende Jonathan beminde hem als sijn ziele. Het is ook mogelijk dat ‘ziel’ hier het innige uitdrukt; vgl. hartslief, hartsvriend, zielsvriend, boezemvriend, waarin boezem het innige, de nauwe verbinding uitdrukt; hd. herz(e)lieb; busenfreund; eng. bosomfriend.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut