Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

liefde - (genegenheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

liefde zn. ‘genegenheid’
Mnl. lieuede ‘genegenheid’ [1291-1300; VMNW], vrouwen, maechden, die ye na rechter liefde yaechden ‘vrouwen, meisjes die ooit naar echte liefde streefden’ [1470-90; MNW-R].
Afleiding van → lief ‘bemind’ met hetzelfde achtervoegsel als in → diepte. Bij dit woord is de oude -d- van het achtervoegsel bewaard gebleven.
Mnd. levede, lefde; mhd. liebde (nhd. Liebde); ofri. liāfte (nfri. leafde); < pgm. *leub-idō- ‘genegenheid’. Daarnaast met een ander achtervoegsel pgm. *leub-ī(n)- ‘id.’, waaruit: mnl. lieve; mnd. leve; ohd. liubi (nhd. Liebe).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

liefde* [genegenheid] {liefde, liefte [genoegen, genegenheid, liefde] 1291-1300} middelnederduits levede, lefde, oudfries liafte; van lief.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

liefde znw. v., mnl. liefde v. ‘genoegen, genegenheid, liefde’, waarnaast ook liefte, mnd. lēvede, lefde, ofri. liāfte v. (mhd. liebde, nhd. liebden is alleen aanspreekterm). — Naast deze afl. van lief met het suffix -iþō staat die met -īn in mnl. lieve ‘genoegen, liefde’, mnd. lēve, ohd. liubi (nhd. liebe). Een andere formatie is germ. *luƀō in os. luƀa, ohd. luba, lupa, oe. lufu (ne. love), got. -lubo.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

liefde znw., mnl. liefde v. “genoegen, genegenheid, liefde”, waarnaast liefte v. “id.”. = mnd. lêvede, lêfde, ofri. liâfte v. “liefde”. Mhd. liebde (nhd. liebden) v. komt alleen als aanspreekterm voor, evenals mnl. ûwe liefde “Uw Hoogheid”. Een andere afl. van lief is mnl. lieve v. “genoegen, liefde” = ohd. liubî (nhd. liebe, met ie naar lieb; ohd. ook éénmaal liupa “gratia”) mnd. lêve v. “genoegen, liefde”; op ’t Oergerm. gaat terug ohd. lupa, luba, os. luƀa, ags. lufu (eng. love), got. lubo (in samenst.) v. “liefde”, germ. *luƀô(n)-. Hierbij in ’t Ags. ’t ww. lufian “beminnen” (eng. to love).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

liefde v., Mnl. id., met suffix -de van lief, nevens Mnl. liev-e + Hgd. liebe.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

leefde (zn.) liefde; Vreugmiddelnederlands lieuede <1291-1300>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

liefde: gestadige liefde (de), (veroud.) kruidachtige (maar struikvormige) sierplant met dichte, bolvormige, meest paarsrode, soms lichtrode of witte bloemhoofdjes, tropisch Amerikaans, thans bekend als stanvaste* (Gomphrena globosa, Klaroenfamilie*). Zie Enc.NWI 309; enige vindpl.). - Syn. ook standvastig*.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Liefde snw. Segsw.: Die liefde kom soos ’n groot k-k, d.w.s. plotseling en met ’n onweerstaanbare drang. – Reeds 17de-eeus en nog dial. Ndl. Sien Ndl. Wdb. VIII. 873, 899.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

liefde ‘genegenheid’ -> Negerhollands liefde, lievft ‘genegenheid’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

liefde* genegenheid 1291-1300 [CG Luiks Diat.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1393. Oude liefde roest niet,

d.w.z. de liefde, die men iemand heeft toegedragen, gaat nooit geheel verloren, komt altijd en gemakkelijk weer boven, slijt niet, welke gedachte in het Latijn is uitgedrukt door antiquus amor cancer est (Otto, 23). Zie Gruterus III, 165; Br. v. Abr. Bl. I, 127; C. Wildsch. I, 307; VI, 112; Harreb. II, 28; Villiers, 73; vgl. het hd. alte Liebe rostet nicht (Bebel no. 236; Wander III, 129; Taalgids V, 164); in het fri.: alde ljeafde roasket net, al leit se ek saun jier yn 'e goate. Vgl. Rutten, 132: eens liefde, nooit leed. In C. Wildsch. III, 57: Oude vriendschap roest niet.

1394. Liefde is blind.

Deze gedachte, dat men geen fouten of gebreken ziet in iemand, die(n) men lief heeft, vindt men reeds bij Plato: Τυφλουται γαρ περι το φιλουμενον ο φιλων;, hij die lief heeft wordt blind met betrekking tot het voorwerp zijner liefde. De Romeinen zeiden amens amans, een verliefde is zijn verstand kwijt (Plaut. Merc. 82; Ter. Andr. 218) of nemo in amore videt (Prop. 2, 14, 18; Hor. Sat. 1, 3, 38); mlat. cecat amor mentes ac interdum sapientes; omnis amor cecus: non est amor arbiter equus (Werner, 8; 66). In vele talen wordt deze gedachte op soortgelijke wijze uitgedrukt; zie Wander III, 135; 151 en vgl. het mnl. Minne is blint (zie o.a. Maerlant, Wap. Mart. II, 314; Kaetspel, 42); Goedthals, 23: Die minne is blendt, sy gaet daer mense nyet en sendt, amour aveugle raison; Brederoo I, 311; Cats I, 466:

Die van liefde zijn gesteken
En sien noch vlecken noch gebreken.

C. Wildsch. II, bl. 216 en verder de door Harreb. II, bladz. 27 opgegeven bronnen; Villiers, 73; voor Zuid-Nederland zie Volkskunde XXI, 156; Antw. Idiot. 762: De liefde is blind, zee de boer, en hij kuste zij(n) kalf op zij(n) gat; Teirl, II, 212; Waasch Idiot. 404: De liefde is blend, ze zit in de oogen eerst; fri. ljeafde is blyn; De Cock2, 110; 285.

1476. Iets met den mantel der liefde bedekken.

‘Waarschijnlijk is deze uitdr. ontleend aan Gen. 9, 23, waar verhaald wordt hoe Sem en Jafet, toen hun vader Noach, door den wijn bevangen, zich onwelvoegelijk ontbloot had, een kleed namen en uit heiligen schroom achteruitgaande, daarmee huns vaders naaktheid bedekten. Nog duidelijker wordt het door de oudere vertaling, daar deze, in plaats van kleed, werkelijk mantel heeft. De uitdrukking zelve heeft de beteekenis: deze of geene zwakheid of verkeerdheid zijns naasten uit barmhartigheid niet verbreiden, maar verbergen of vergoelijken’; Zeeman, 371. Ook Laurillard, 31, houdt het er voor, dat dit gezegde ontleend is aan de bekende handeling van Sem en Jafet, doch wijst tevens op Paulus' woord: de liefde bedekt alle dingen (I Cor. 13 vs. 7), waarvan het eene aanschouwelijke uitbreiding zou kunnen zijn. Vgl. Büchmann, 106; Ndl. Wdb. IX, 225 (waar aangehaald wordt W. Leev. VI, 160); Villiers, 78; iets bemantelen (hd. bemänteln, ein Mäntelchen umhängen; fr. pallier) en dekmantel (lat. mantellum), glimp, voorwendsel; fr. couvrir qqch. du manteau de la charité; hd. etwas mit dem Mantel der (christlichen) Liebe zudecken; eng. to cover s. th. with the cloak of charity.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut