Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lieden - (mensen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lieden zn. mv. ‘mensen’
Onl. liud (ev.) ‘volk’, liudī (mv.) ‘mensen’ [beide 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. luden ‘mensen’ [1200; CG II], lude ‘id.’ [1220-40; CG II], liede [1236; CG I], kerstinen lieden ‘christenen’ [1236; CG I], wilieden ‘wij’ [1291; CG I], liede van sinen lande ‘inwoners van zijn land’ [1297; CG I], copelijde ‘kooplui, handelaars’ [1284; CG I], cooplieden [1319; MNW vridelike], later door -d-syncope lie [ca. 1410; MNW] en lu [1440-60; MNW-R].
Os. liudi (mnd. lude); ohd. liuti (nhd. Leute); ofri. liūde, liōde (nfri. lju, ljuwe); oe. lēode (me. lede); on. lýðr (nno. lyd; ontleend door Fins liuta ‘menigte, kudde, school’); < pgm. *leudi- (mv.) ‘mensen, volk’. Als enkelvoud ‘volk’ is het in alle moderne Germaanse talen verdwenen: os. liud; ohd. liut; ofri. liūd; oe. lēod; on. ljóðr.
Bij dezelfde wortel pgm. *leud- hoort wrsch. ook het sterke werkwoord *leudan- ‘groeien’, waaruit: os. liodan; ohd. -liotan; oe. lēodan; on. (alleen als verl.deelw.) loðinn ‘behaard’ (nzw. luden); got. liudan. In het Nederlands is dit werkwoord niet overgeleverd, maar zie het afgeleide zn.loot (nhd. Lode). Het betekenisverband tussen ‘mensen’ en ‘groeien’ is vergelijkbaar met dat van volwassene, zie → volwassen, of Duits Nachwuchs ‘nakomelingen, jongeren’ bij → wassen 2 ‘groeien’.
Pgm. *leudi- ‘mensen, volk’ is verwant met: Litouws liáudis ‘het gewone volk’, Lets ļàudis ‘mensen’; Oudkerkslavisch ljudĭje ‘mensen’ (Russisch ljúdi); deze kunnen echter ook ontleend zijn aan het Germaans, in welk geval deze betekenis pas in het Germaans is ontstaan. Met pgm. *leud- ‘groeien’ zijn verwant: Sanskrit rodh- ‘groeien’, vī-rúdh- ‘plant’; Avestisch raođ- ‘id.’; Oudiers lus ‘plant’ (< *ludh-st-); en misschien Grieks eleútheros ‘vrije man’ en Latijn līber ‘vrij, ongehinderd’, līberī ‘kinderen’; < pie. *h1leudh- ‘(op)groeien; volk; vrij’ (IEW 684-685).
Het woord komt na de Oudnederlandse periode niet meer in het enkelvoud voor. Mnl. liede(n), lude(n) betekende ‘mensen’ en in het bijzonder ook ‘inwoners’. Het kwam dikwijls voor in combinatie met bijvoeglijke naamwoorden en persoonlijke voornaamwoorden, zoals kerstinen lieden ‘christenen’, goedeliede ‘notabelen’, edele liede ‘edelen’, wilieden ‘wij’, en in samenstellingen, zoals cooplieden, werclieden. De verwachte vorm is (v)nnl. luyden/luiden, met diftongering van de lange -u- in mnl. luden. Maar reeds in de oudste Middelnederlandse teksten komt in een groot gebied (West- en Oost-Vlaanderen, Brabant, Zeeland, Holland) vooral lieden voor, dat de luden/luiden gaandeweg heeft verdrongen. Van latere, pas 17e-eeuwse, zuidelijke invloed van lieden op Hollands luiden zoals in de literatuur veelal aangenomen wordt, is dus geen sprake (Berteloot 1984, Van der Sijs 2004). Zie voor dezelfde variantie -ie-/-u- ook → bestieren naast besturen, → dierbaar naast duur, → diets naast Duits, kieken (in → kiekendief) naast kuiken. Door -d-syncope ontstonden in de spreektaal mnl. lie en lu, (v)nnl. luy/lui. Lie is uiteindelijk alleen bewaard gebleven in de spreektalige persoonlijke voornaamwoorden hullie, zullie, enz., zie → jullie. Spreektalig luy/lui verschijnt sinds de 17e eeuw ook regelmatig op schrift en contrasteert daar in stijl en register met lieden, zie → lui 2.
Lit.: A. Berteloot (1984), ‘Overwegingen bij de lieden/luden-kaart’, in: TNTL 100, 29-45; P. van Reenen (1995), ‘Luiden en lieden in het 14de-eeuws Middelnederlands’, in: J. Cajot (red.), Lingua Theodisca. Beiträge zur Sprach- und Literaturwissenschaft, Jan Goossens zum 65. Geburtstag, Münster, 53-61; Van der Sijs 2004, 192-195

lui 2 zn. ‘lieden’
Mnl. die lu ‘de mensen, lieden’ [1440-60; MNW-R]; vnnl. al sietmen de luy ‘al ziet men de mensen’ [1613; WNT lieden], luitjes ‘mensen’ in slechte luytjens van mijnen doene ‘gewone mensen van mijn soort’ [1616; WNT zwart I], jonghe luytjes ‘jonge mensen, jongelui’ [1621; WNT pit V].
Ontstaan door d-syncope (zoals bij la uit → lade) uit luiden ‘mensen’, nevenvorm van → lieden. Luitjes is een verkleinvorm.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lieden* [mensen] {liede, lu(y)de 1201-1250} waarbij de eerste vorm vlaams is en bij Boendale in de zin van ‘volwassenen’ voorkomt, de andere hollands; verwant met oudsaksisch liudi, oudhoogduits liuti, oudfries liode, oudengels liode, oudnoors lȳðr [volk], hoort bij een ww. met de betekenis ‘groeien’, dat middelnl. niet is overgeleverd, maar waarvan vermoedelijk is afgeleid ludich [welig opschietend], vgl. oudsaksisch liodan, oudhoogduits -liotan, oudengels leodan, gotisch liudan [groeien]; buiten het germ. latijn liber < leudhio- [vrij], liberi [kinderen], grieks eleutheros [vrij], van eleusomai [komen, opkomen, groeien], oudindisch rodhati [hij groeit] → loden, loot, luier.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lieden znw. mv., vlaamse vorm met ie naast de holl. lui(den) met ui < germ. iu; mnl. liede, lûde, os. liudi, ohd. liuti, (nhd. leute), ofri. liūde, liōde, oe. līode, lēode, on. lȳðir, lȳðar m. mv. ‘mensen’. Hiernaast staat het enk. mnl. liet m.o. (zelden) ‘mens, persoon’, os. liud m. ‘volk, mensen’, ohd. liut m.o. ‘volk, persoon’, ofri. liōd o. ‘schaar’, oe. lēod v. ‘volk, landstreek’, on. ljōðr ‘volk, mensen’. — osl. ljudŭ ‘vrije volksgemeenschap’ (maar eerder aan het germ. ontleend, vgl. Stender-Petersen 1927, 192-194), lit. liaudis ‘volk’, lett. làudis ‘mensen, volk’ (waarsch. eveneens ontleend aan het germ.), vgl. lat. liber, gr. eleútheros ‘vrij’ (IEW 685).

Men verbindt het woord verder met het ww. *liudan ‘groeien’, vgl. os. liodan, ohd. arliotan, oe. lēodan, got. liudan en verder met on. loðinn ‘harig, ruigbehaard’, en verder oi. ródhati ‘stijgt omhoog, groeit’, av. raoða ‘gestalte, uiterlijk’ (vgl. got. laudi v. ‘gestalte’), en oiers luss m. (< *ludh-stu-) ‘plant’. — J. Trier, Holz 1952, 113-114 wijst op lat. liberi < idg. *leudh-er-; de kinderen worden vergeleken met de uitspruitsels, die uit de wortelstok te voorschijn komen. Het woord *leudh is dan eigenlijk ‘het geheel van de nieuwe generatie, familie’; wie tot deze groep behoort is vrij, vandaar de bet. van lat. liber en gr. eleútheros, vgl. boerg. leudis ‘vrij man’. — Zie ook: loot en voor de bet. ontw. ook: vrij.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lieden znw. mv., met vla. ie uit germ. iu naast lui (luiden) met o.a. holl. ui uit iu; mnl. liede, lûde. = ohd. liuti (nhd. leute), os. liudi, ofri. liûde, liôde, ags. lîode, lêode, on. lŷðir, -ar m. mv. “menschen”. Hiernaast ’t enk. mnl. liet (d) m. o. (zeldzaam), ohd. liut m. o. “volk, persoon”, os. liud m. “volk, menschen”, ofri. liôd o. “schare”, ags. lêod v. “volk, landstreek”, on. lŷðr, ljôðr m. “volk”. Obg. ljudije “menschen, volk” (enk. ljudinŭ “vrij man”), russ. ľud “id.”, lett. ljaudis “id.” worden gew. voor oerverwant gehouden, wegens de frappante vorm- en bet.-overeenstemming met het Germ. is ontl. hieruit waarschijnlijker. Men combineert germ. *leuða-, *leuði- > *liuði- met got. laudi v. “gestalte”, hwelauþs “hoe groot”, liudan “groeien”, ohd. ar-liotan, os. liodan, ags. lêodan “groeien, ontspruiten”, on. loðinn “harig, ruw”, loða “zich vasthechten”, got. ludja v. “gelaat”, ohd. ant-lutti o. “id.”, buiten het Germ. oi. ródhati, róhati “hij groeit”, gr. ḗluthon “ik kwam”, eleútheros “vrij” = lat. lîber “vrij”; ook arm. eluzanem “ik breng er op, er uit” (z < dh-s)? Zie nog luier.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lieden. Overtuigend betoog voor de ontlening der slav. en balt. woorden aan het Germ. bij Stender-Petersen Slavisch-germanische Lehnwortkunde 192 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lui 1 m. meerv. (lieden), uit luide, Mnl. lude, Brab.-Holl. vorm van Mnl. liede (z. lieden).

lieden m. meerv., Mnl. liede, Os. liudi + Ohd. liuti (Mhd. liute, Nhd. leute), Ags. léode, Ofri. lióde. On. lýđir: meerv. van Mnl. liet, Os. liud + Ohd. liut, Ags. léod, Ofri. liod, On. lýđr = volk; hierbij Os. liodan, Ohd. liotan, Ags. léodan, Go. liudan = groeien + Osl. ljudŭ, Lett. laudis = volk, van Germ. wrt. leud + Skr. wrt. rudh = wassen, stijgen. Gr. e-leúthein = komen: Idg. wrt. leu̯dh = groeien.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

lui (zn.) mensen; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) luij, Aajdnederlands liudi <901-1000>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

luuj, zn. mv. : lui, mensen. Door d-syncope uit Mnl. lude, luide, naast liede, lie ‘lui, lieden’. Vgl. D. Leute.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

luis (mv.), lui, lieden. Die luis zijn weg, weer naar een andere fuif*. - Samenst.: timmerluis e.d.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

lui II: – liede – , veral nog in ss. soos werksliede/-lui, “mense”; Ndl. lieden/lui (Mnl. liede/lude), Hd. leute, verb. gesoek m. Lat. liber, “vry”, maar nog onseker (v. dVri J NEW).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lui, lieden ‘mensen’ -> Frans leude ‘getrouwe, kroonvazal (oorspr.: mensen)’ Frankisch; Petjoh lui, luitjes ‘mensen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lieden, lui* mensen 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal