Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lied - (gezongen gedicht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lied zn. ‘gezongen gedicht’
Mnl. lijt ‘gezongen gedicht’ [1240; Bern.], int liet ‘in het lied’ [1260-80; CG II].
Os. lioth; ohd. liod (nhd. Lied); oe. lēoþ; on. ljóð (nno. ljod); got. *-liuþ in awiliuþ ‘dankbetuiging’; < pgm. *leuþa- ‘lied, lofzang’. Hierbij ook het werkwoord *leuþōn- ‘zingen, lofzingen’, waaruit: ohd. liudōn; oe. lēoðian; on. ljóða; got. liuþōn.
Verdere etymologie onzeker. Mogelijk verwant met: Latijn laus (genitief laudis) ‘lof’, zie → laudatie; Oudiers lōid ‘lied’, luad ‘het spreken’. Een eenduidige pie. reconstructie is hierbij niet te geven; pgm. *leuþ- wijst op pie. *leut-, terwijl de Keltische vormen op een *-d(h)- wijzen en de Latijnse op *-d- (IEW 683). Ook de stamklinkers zijn op Indo-Europees niveau niet verenigbaar. Mede gezien de geringe geografische verspreiding gaan deze woorden dus wellicht terug op een gemeenschappelijke voor-Indo-Europese substraattaal.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lied* [gezang] {liet 1260-1270} oudsaksisch lioth, oudhoogduits liod, oudengels leoð, oudnoors ljōð, gotisch awi-liuþ [dankzegging]; buiten het germ. latijn laus (2e nv. laudis) [lof].

liedje* in de uitdrukking een liedje van verlangen [een poging om iets onaangenaams uit te stellen] {1561} heeft verlangen de middelnl. betekenis ‘vertragen, uitstellen’, i.h.b. bij kinderen om nog niet naar bed te hoeven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lied znw. o., mnl. liet o., os. lioth, ohd. liod, oe. lēoð o. ‘lied’, on. ljōð o. ‘strofe’, got. liuþ o. (in awiliuþ ‘dankbetuiging’). Reeds Venantius Fortunatus spreekt van leudos barbara carmina. Vgl. nog het ww. ohd. liudōn, oe. lēoðian, on. ljōða, got. liuþon ‘zingen, lof zingen’. — Buitengerm. alleen te vergelijken lat. laus v. ‘lof’, dat echter met een d is afgeleid, terwijl het germ. woord een t-formans heeft. — De oudste bet. is die van ‘loflied’ (H. Schwarz, Fschr. J. Trier 1954, 434-8 en PBB 75, 1954, 321). Naast de dentaal-formatie staat ook een wt. *leubh, waarvoor zie: lof.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lied znw. o., mnl. liet (d) o. = ohd. liod (nhd. lied), os. lioth (in samenst.), ags. lêoð o. “lied”, on. ljôð o. “strophe”, got. liuþ o. in awiliuþ “dankbetuiging”. Vgl. ook leudos “barbara carmina” bij Venantius Fortunatus 2, 8. Het Got. kent ook liuþon “zingen, lofzingen”, liuþareis m. “zanger”, resp. = ohd. liudôn, ags. lêoðian, on. ljôða “zingen” en = ohd. liudâri m. “zanger”. Germ. *leuþa-, idg. *léuto- is met het formans -to- gevormd van dezelfde basis lu-, leu-, waarvan ier. lôid “lied”, luad “spreken, gesprek”, lat. laus, laudis “lof”, gr. lúra “lier” worden afgeleid. De combinatie met gr. lússa (ss < tj) “razernij”, obg. ljutŭ “wreed, vreeselijk” is heel hypothetisch, niettegenstaande deze woorden, zeker althans het laatste, met lied ook de idg. t gemeen hebben; vgl. liederlijk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lied. De hier als verwanten genoemde kelt. woorden worden ook wel anders beoordeeld. Vgl. WP. II, 406.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lied o., Mnl. liet, Os. lioth + Ohd. liod (Mhd. liet, Nhd. lied), Ags. léođ, On. ljóđ. Go. werkw. liuþon = zingen + Gr. lúra = lier, Lat. laus (laudis) = lof, Oier. liód = lied: Idg. wrt. leu̯.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

leed (zn.) lied; Vreugmiddelnederlands lijt <1240>.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

lied der liederen (vert. van Hebreeuws šīr haššīrīm)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

liedje ‘populair gezang’ -> Zuid-Afrikaans-Engels liedjie ‘populair gezang, Afrikaans volksliedje’ .

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Het lied van schijn en wezen [gevleugeld woord] (1895). Frederik van Eeden (1860-1932) publiceert Het lied van schijn en wezen, waarvan de titel spreekwoordelijk is geworden. Een andere tot in het Nederlands doorgedrongen boektitel van Van Eeden is Van de koele meren des doods, uit 1900.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lied* gezang 1260-1270 [CG II1 Boeve]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1389. Het liedje van verlangen zingen,

d.w.z. pogingen aanwenden, moeite doen om iets, dat men niet graag wil, uit te stellen. In de 16de eeuw bij Sartorius I, 6, 48: Hy singt het Liedeken van verlangen. Het wkw. verlangen had vroeger, evenals nu nog in Zuid-Nederland (Schuerm. 789 b), ook de beteekenis van verlengen, uitstellen; zie Halma, 682: Verlangen, w.w. verlengen, allonger, prolonger; Noord en Zuid XIX, 24-27; Tuinman I, 369: 't liedje van verlengen; Harreb. II, 22; Ndl. Wdb. VIII, 2038.

1390. Een kort liedje is spoedig gezongen,

d.w.z. eene korte smart is spoedig geleden; iets onaangenaams, dat kort van duur is, is gauw voorbij. Deze zegswijze wordt in de 16de eeuw aangetroffen in de Prov. Comm. 346: een cort liet es zaen ghesonghen, est cito cantatus cantus brevis apocopatus, dat gelijk is aan 331: een scandich brocke es gheringhe (spoedig) gheten; vgl. ook Bebel no. 338; Zegerus, 21: een cort liedeken is haest ghesongen, brevis cantilena cito absolvitur; Spieghel, 278; De Brune, 478; Tuinman I, 35; Harreb. II, 22. Syn. in 't nd. eene korte Niäse es lichte to snüten (zie Jahrb. 38, 160).

1391. Het oude (of zelfde) liedje,

d.w.z. dezelfde (onaangename) geschiedenis, dezelfde bekende zaak; lat. cantilenam eandem canere; hd. es ist immer das alte Lied, die alte Leier, Geige; fr. chanter toujours la même chanson, le même turelure; eng. it is the same (or the old) song over again. Vgl. Anna Bijns, N. Refr. 108: Eest ende quaedt, zoo eest al quaedt, dits doude liedt; Vondel, Jos. in Dothan, vs. 1133; Antw. Idiot. 1872: 't Is altijd hetzelfde lieken; enz. Vrij gewoon was ook het oude deuntje (Sart. I, 3, 69; Brederoo I, 64; II, 161) of de oude zang (Vondel V, 85; Langendijk II, 198); fri.: it âlde lietsje of de âlde sang; Afrik. altyd die ou liedjie sing. In het Haspengouwsch: het oude lieken van Brabant, iets dat men om zijne veelvuldige herhaling afkeurt (Rutten, 132 b). Hiernaast dat is een ander liedje; fr. voilà bien une autre chanson; hd. das ist ein ander Lied, zuidndl. dat es 'n ander lieken, dat is (heel) wat anders (vgl. Brederoo III, 85, 66: Wy sullen nu een reys een ander Lietgen leeren) of een ander gezang zingen (in Kluchtspel I, 147); Afrik. iemand 'n ander liedjie laat sing.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal