Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lidmaat - (arm of been; medelid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lidmaat 1 zn. ‘arm of been’
Mnl. litmaet (ev.) ‘arm, been, vinger enz.’ [1355; MNW], lidmaten (mv.) [midden 14e eeuw; MNW versoeken]; vnnl. sijn gecruyste lidmaten ‘zijn gekruisigde ledematen’ [midden 16e eeuw; MNW litmate], lede-maete, lid-maete ‘lichaamsbouw, lichaamsvorm’ [1599; Kil.], die eenich lidtmaet in het oorloch verloren hadden [1603; WNT lidmaat], ledemaet ‘arm, been enz.; onderdeel’ in yder ledemaet der vaederlijcke stede ‘elk stukje van de vaderstad’ [1623; WNT lidmaat], des ... lijfs ... ledemaeten ‘de onderdelen van het lichaam, de armen en benen’ [1629; WNT plaats].
Samenstelling van → lid 1 ‘lichaamsdeel’ en een tweede lid dat wrsch. hetzelfde woord is als → maat 1 ‘hoeveelheid’ en dus een afleiding van → meten. De oorspr. betekenis was dan misschien (NEW) ‘lichaamsdelen die als lengtemaat werden gebruikt’; veel namen van ledematen verschijnen als lengte-eenheid, bijv.duim, → el, → voet. Blijkens de betekenis ‘lichaamsbouw, lichaamsvorm’ bij Kiliaan kan men ook uitgaan van maat in de betekenis ‘uitgestrektheid, het afgemetene’ (Vercoullie).
Mnd. litmāte, litmēte; mhd. lidemāz, gelidemæze (nhd. Gliedmaßen mv.); ofri. lithmāta. In de Noord-Germaanse talen is het corresponderende woord echter: nzw. ledamot [1526; SAOB], nde. ledemod, nijsl. liðamōt ‘lichaamsdeel’. Het tweede lid in deze laatstgenoemde woorden lijkt mōt ‘ontmoeting’, en de oorspr. betekenis van de samenstelling was dan mogelijk ‘gewricht’; maar gezien de jonge leeftijd van deze Noord-Germaanse woorden is er wrsch. sprake van ontlening aan het mnd. en volksetymologie.
Het meervoud van lidmaat was oorspr. lidmaten. Onder invloed van de verbogen vormen lede(n) van lid (zie → lid 1) ontstond de alternatieve meervoudsvorm ledematen ‘armen en benen’, dat tegenwoordig de gewone vorm is. Hierdoor ontstond naast lidmaat een nieuw enkelvoud ledemaat, dat nu vooral NN is en zich zo duidelijk onderscheidt van → lidmaat 2 ‘(belijdend) lid van een protestants kerkgenootschap’.

lidmaat 2 zn. (NN) ‘lid van een protestants kerkgenootschap’
Vnnl. lidmaat ‘volgeling van (Christus)’ in dat lijden des hoofds ende zijner lidtmaten ‘het lijden van het hoofd (Christus) en van zijn volgelingen’ [1557; WNT], ‘(belijdend) lid van een protestants kerkgenootschap’ waerachtighe lidtmaten van haerder keercken ‘echte leden van hun (protestantse) kerk’ [1567; WNT], ook ‘persoon die deel uitmaakt van een organisatie of besturend lichaam’ in tvierde Lidtmaet van dese Prouincie [1579; WNT], de Studenten ende Ledematen van onse Universiteyt tot Leyden [1641; WNT].
Hetzelfde woord als → lidmaat 1 ‘lichaamsdeel (i.h.b. arm, been)’. Christenen werden figuurlijk ook wel aangeduid als de lichaamsdelen van Christus. Datzelfde gebeurde met het simplex lit (nnl.lid 1), zoals in is Christus v hooft, so hebt medelijden met hem, als een leuende ende geuoelende let vanden seluen hoofde ‘is Christus uw hoofd (uw leider), lijd dan mee met hem, als een levend en voelend deel van datzelfde hoofd’ [1555; WNT lid I].
Binnen de Nederlands Hervormde kerk werd onderscheid gemaakt tussen leden en lidmaten; alleen iemand die belijdenis had gedaan, was lidmaat. Bij uitbreiding werd het woord ook in wereldlijke context gehanteerd. Dat gebruik is in het Nieuwnederlands verouderd, behalve in de afleiding lidmaatschap, zie hieronder.
lidmaatschap zn. ‘het lid zijn van een vereniging, college of kerkgenootschap’. Nnl. lidmaatschap ‘het lidmaat zijn van een kerkgenootschap’ [1724; WNT stichtelijk], daarna ook van wereldlijke of politieke organisaties: het Lidmaatschap van een Committé [1796; WNT], het lidmaatschap van eene der beide Kamers (der Staten-Generaal) [1815; WNT kamer]. Afleiding van lidmaat met het achtervoegsel → -schap. In tegenstelling tot het woord lidmaat zelf is dit woord ook in wereldlijke context algemeen gebruikelijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lidmaat* [deel van het lichaam, medelid] {litmate, litmaet [lichaamsdeel] 1355} middelnederduits litmate [lichaamsdeel, medelid, helper], middelhoogduits litmete [lichaamsdeel], oudfries lithmata (mv.). Gevormd van lid1 + meten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lidmaat znw. o. ‘lichaamsdeel’ en m. ‘medelid’, mnl. litmaet, litmāte v? ‘lichaamsdeel’, mnd. litmāte, litmēte o. ‘lichaamsdeel, medelid, helper’, mhd. lidemāʒ v.o. (naast gelidemæʒe o., nhd. gliedmassen mv.) ‘lichaamsdeel’, ofri. lithmātha mv. ‘lichaamsdelen’. — Het woord bestaat uit lid 1 en een afl. van meten. — Een parallelle formatie heeft het ngerm.: nde. ledemod, ozw. lidhamōt, nzw. ledamot, nnoorw. dial. lidmot, nijsl. liðamōt, dat eig. ‘ontmoeting der leden’ (dus ‘gewricht’?) zal hebben betekend. Misschien mag men het westgerm. woord daarmee verklaren, dat lichaamsdelen gaarne als lengtematen werden gebruikt (zoals vadem, span, el, duim, voet).

Daar Kiliaen ook het enk. ledemaete kent, te vergelijken met mnd. lēdemāte, mhd. lidemāʒ kan men vermoeden, dat deze vorm naast lidmaat in gebruik was (maar niet mnl.!). Onder invloed van het paradigma lid: leden zou dan de differentiatie lidmaat: ledematen zijn ingetreden (van Lessen, Samengest. Naamw. 49 vlgg.).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lidmaat znw., mnl. litmaet, litmâte (o.?) “lichaamsdeel”. Het mnl. mv. is litmâten, waarvoor nnl. ledematen onder invloed van het mv. leden. Het nnl. mv. lidmaten komt evenals ’t enk. lidmaat alleen met de bet. “leden (lid) van een kerkgenootschap” voor. = mhd. lidemâӡ v. o. (naast gelidemæӡe o., nhd. gliedmassen mv.) “lichaamsdeel”, mnd. litmâte, -mête o. “id., medelid, helper”, ofri. lithmâtha mv. (wsch. ontl.) “lichaamsdeelen”. Een vreemde samenst., waarvan het eerste lid lid I, het tweede een afl. van den stam van meten is. Het 2de lid van’t synonieme de. ledemod, zw. ledamot, ozw. liþamôt, noorw. dial. lidmot, leamot, ijsl. liðamôt = on. môt o. “het samenkomen, ontmoeting”: zie gemoet.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lidmaat. Mnl. litmaet, litmâte wsch. v. — Kil. kent ook ledemaete als enk. Misschien zijn ospr. voor enk. en mv. zowel lid- als lēde- in gebruik geweest (vgl. mhd. lid- en lide-, mnd. lit- en lēde- enk. en mv.), hoewel uit het Mnl. hiervan niet blijkt. De latere differentiëring van enk. en mv. is dan onder invloed van leden mv. bij lid opgekomen: v.Lessen Samengest. Naamw. 49 vlg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lidmaat m. en o., Mnl. lidmate + Mhd. lidemâʒ (Nhd. gliedmasz), Ofri. lithmâta: het tweede lid is maat = het afgemetene, de uitgestrektheid, dus lidmaat = lidsuitgestrektheid of lichaamslengte, de gezamenlijke leden, lichaam, persoon.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ledemaat [+]: in Ndl. is v. lidmaat, mv. lidmaten, na die vb. v. lid, mv. leden, die vorm ledematen gemaak en daarvan weer ’n ekv. ledemaat, wat sowel in Ndl. as in Afr. veroud. is, maar in Afr. dial. nog voorkom, hoewel gew. ondersk. word tussen lidmaatlidmate (van ’n kerk of genootskap) en lidmaatledemate (gewrigsdele v. ’n liggaam, ook litlitte genoem).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lidmaat ‘lid van een protestants kerkgenootschap’ ->? Deens † ledmod ‘lid; lichaamsdeel’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lidmaat* lid van een protestants kerkgenootschap 1648 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut