Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lichten - (licht worden, licht geven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

licht 1 bn. ‘helder’; zn. ‘schijnsel; lichtbron’
Onl. lieht (zn.) ‘licht, schijnsel’ in an liohte ‘in het licht’ [10e eeuw; W.Ps.], (bn.) ‘helder’ in ther was ... lieht ‘die (de ster van Bethlehem) was helder’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. ligt (bn.) [1200; CG II], meestal licht (bn. en zn.) in dat grote licht ‘het grote schijnsel’ en licht ende claer ‘licht en helder’ [beide 1265-70; CG II], licht ‘lichtbron, kaars’ [1477; Teuth.]; daarnaast ook een nevenvorm lucht in wat baten oghen zonder lucht ‘wat voor nut hebben ogen zonder licht’ [ca. 1350; MNW].
Ontwikkeld uit Proto-Germaans *leuhta-, waarin pgm. *-eu- voor een a in het West-Germaans -io- werd, waaruit onl. -ie- en ten slotte mnl. -i- door verkorting van de tweeklank voor de cluster -cht (Schönfeld, par. 31).
Os. lioht (mnd. licht, lecht, lücht); ohd. lioht (nhd. Licht); ofri. liacht (nfri. ljocht o.i.v. het werkwoord; nog dial. ljacht); oe. lēoht, lēht (ne. light); alle zowel bn. als zn., < pgm. *leuh-ta- ‘licht’. Hierbij ook de afleiding pgm. *leuht-jan- ‘licht geven, schitteren’, waaruit: mnl. luchten (zie sublemma); os. liuhtian, liohtian (mnd. lüchten, lochten); ohd. liuhten (nhd. leuchten); nfri. ljocht(sj)e; oe. līehtan, lēohtan, līhtan (ne. light, en de jongere nevenvorm lighten); got. liuhtjan ‘lichten, schitteren’.
Andere Germaanse afleidingen van dezelfde wortel *leuh- zijn: pgm. *leuh-aþ- ‘schijnsel’, waaruit: got. liuhaþ; en pgm. *leuh-ma- ‘schijnsel’, waaruit: os. liomo, oe. lēoma, on. ljómi; en pgm. *leuh-sa-, waaruit on. ljóss (bn.) ‘helder’, lýsa ‘schittering’ (nzw. ljus, bn. en zn. ‘licht’). Ook mnl. laeye ‘vlam’ is verwant, zie → lichte(r)laaie.
Verwant met: Grieks leukós ‘wit’, zie → leukemie; Latijn lūx (genitief lūcis) ‘licht’, zie → lucifer, lūcēre ‘verlichten, lichten’; Sanskrit rócate- ‘geeft licht’; Oudpruisisch luckis ‘toorts’, Litouws laũkas ‘met een wit voorhoofd (bijv. bij paarden)’; Oudkerkslavisch luča ‘lichtstraal’, Kerkslavisch lučŭ ‘licht’ (Russisch luč ‘lichtstraal’); Welsh llug ‘helder’; Armeens lois ‘licht’; Hittitisch lukk- ‘id.’; Tochaars A en B luk- ‘verlichten’; < pie. *leuk-, *louk- ‘helder; schijnen’ (IEW 687-689). Met achtervoegsels gaan op dezelfde wortel terug: Latijn lūmen ‘licht’ (zie → lumineus), lūna ‘maan’ (zie → lunet), lustrum ‘zonneoffer’ (zie → lustrum), lūstrāre ‘verlichten’ (zie → luister).
lichten 1 ww. ‘licht geven; licht worden’. Onl. met voorvoegsel āluhti (imperatief) ‘verlicht!’ [10e eeuw; W.Ps.], met ander voorvoegsel in irliohte ansceine sīn ovir uns ‘moge zijn aanschijn over ons lichten’ [10e eeuw; W.Ps.], dan liuhton ‘schijnen’ [ca. 1100; Will.]; mnl. luogt ‘verlicht’ (3e pers. ev.) [1270-90; CG II], lichten [1285; CG II], der luchtende dach ‘de lichtende dag’ [1290-1310; MNW-P]. Ontwikkeld uit Proto-Germaans *leuht-jan-, waarin pgm. *-eu- voor de -j- in het West-Germaans -iu- werd, waaruit onl. -ū- en in het mnl. -u- door verkorting van de tweeklank voor de cluster -cht (Schönfeld, par. 31).
De klankwettige vorm voor het werkwoord luidt dus luchten en voor het naamwoord licht. Door analogiewerking ontstonden de nevenvormen lichten (reeds in onl. irliohte) resp. lucht. Uiteindelijk heeft het woordpaar lichten/licht de varianten met -u- in de standaardtaal verdrongen. Vormen met -u- bestaan nog wel in het West-Vlaams en in de afleidingen → luchter, → verluchten en → doorluchtig ‘roemrijk, illuster’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lichten 1 ww., mnl. lichten, dat onder invloed van licht 1 en licht 4 in de plaats is getreden van ouder luchten (vgl. nnl. verluchten en luchter), os. liuhtian, ohd. liuhten (nhd. leuchten), oe. lēohtian, līehtan (ne. light), got. liuhtjan ‘lichten, schitteren’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

licht II (niet donker), mnl. licht (lecht). = ohd. lioht (nhd. licht), os. lioht, ofri. liâcht, ags. lêoht “licht, glanzend”, germ. *leuχ-ta-. Zie verder bij licht I. — Hiervan ’t ww. *leuχtianan > *liuχtianan, mnl. luchten (lichten, nnl. lichten onder invloed van licht I en licht II, maar nog dial. luchten, benevens verluchten; zie ook luchter; mnl., nnl. lichten zou desnoods ook = ags. lêohtian kunnen zijn), ohd. liuhten (nhd. leuchten), os. liuhtian, ags. lîehtan (naast lêohtian; eng. to light), got. liuhtjan “lichten, schitteren”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lichten 1 ono.w. (licht geven), Mnl. id., Os. liuhtian: denom. van het adj. licht (z. licht 1.). Hier i = u = ui.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

luuchte (ww.) met lamp of kaars licht geven : Vreugmiddelnederlands liuhton <1100>.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut