Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lichten - (optillen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

licht 2 bn. ‘weinig wegend, niet zwaar’
Mnl. [he] was sines herten ligt ‘hij was licht van hart, vrolijk’ [1200; CG II], lichte ‘niet zwaar; gemakkelijk’ [1240; Bern.], och licht och suar ‘hetzij licht, hetzij zwaar’ [1265-70; CG II], die mi doe makde licht die pine ‘die het verdriet toen voor mij verzachtte’ [1265-70; CG II], tvee lichte wijf ‘twee lichtzinnige vrouwen’ [1285; CG II, Rijmb].
Os. līht (mnd. licht); ohd. līhti (nhd. leicht); ofri. licht (nfri. licht); oe. lēoht, līht (ne. light); on. léttr (nzw. lätt); got. leihts; < pgm. *līhta- < *linhta- < *lenh-ta-. Hierbij ook het ww. pgm. *līht-jan- ‘lichter maken, ontladen’, waaruit: mnl. lichten (zie hieronder); mnd. lichten (waaraan ontleend nhd. lichten ‘lichten van een anker’); ohd. līhten (nhd. vero. leichten ‘lichter worden’); ofri. līchta (nfri. licht(sj)e); oe. līehtan, līhtan ‘lichter maken’ (ne. lighten); on. létta (nzw. lätta). Uit een vroege afleiding van de nultrap van de Germaanse wortel ontstond wrsch.long.
Verwant met: Grieks elakhús ‘klein’, elaphrós ‘licht, snel’; Latijn levis ‘licht, snel’; Sanskrit raghú- ‘snel, licht’; Avestisch ragu ‘snel’; Litouws leñgvas ‘licht’; Oudkerkslavisch lĭgŭkŭ ‘licht, gemakkelijk’ (Russisch lëgkij), lĭzě ‘misschien, wellicht’ (Russisch vero. l'zja); Oudiers laigiu ‘kleiner’; < pie. *h1lngwh-, *h1legwh- ‘licht, laag’ (IEW 660).
lichten 2 ww. ‘optillen, minder zwaar maken’. Onl. lihten ‘lichter maken’ in de samenstelling licht skip ‘lichter, schip waarin een deel van de vracht van een groter schip wordt overgeladen, zodat dat minder diepgang heeft’ [1177; Slicher van Bath] (zie ook → lichter); mnl. lichten ‘optillen, lichter maken’, in dat hem god hare pine mote lichten ‘dat God hun straf voor ze moge verlichten’ [1236; CG I], hi licht sijn been ‘hij tilt zijn been op’ [1287; CG II], ook wel luchten, bijv. in sinen anker luchten [1256-1370; MNW]. Afleiding van licht ‘niet zwaar’. ♦ lichtelijk bw. ‘zonder moeite; enigszins’. Mnl. lichteleke, ligteleke ‘gemakkelijk, op eenvoudige wijze’ [1240; Bern.], drinc lichtelike ‘drink matig’ [voor 1410; MNW]; nnl. lichtelijk ‘enigszins’ in lichtelijk geïrriteerd [1921; WNT Aanv. geïrriteerd]. Afleiding van licht ‘niet zwaar’ met het achtervoegsel → -lijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lichten* [optillen] {1236} van licht3 in de betekenis ‘niet zwaar’, vgl. frans lever < latijn levare [idem], van levis [licht].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lichten 2 ww. ‘lichter maken, optillen’, mnl. lichten ‘minder zwaar maken, verlichten, opheffen’, ook ‘lichter, goedkoper worden; opgetild worden’, mnd. lichten ‘oplichten’, ohd. gilīhten ‘verlichten’, ofri. lī̆gta ‘verlichten, verminderen’, oe. līehtan ‘verlichten, afstijgen’ (ne. a-light), on. lētta ‘lichter maken, opheffen, ophouden met’. — Afl. v. licht 5.

In de bet. ‘het anker lichten’ ook nd. (reeds in de 15de eeuw Emden) en daaruit > nhd. lichten, vgl. Kluge, Seemannssprache 539.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lichten II (opbeuren), mnl. lichten “minder zwaar maken, verlichten, opheffen”, ook “lichter worden, goedkooper worden, opgetild worden”. = ohd. gi-lîhten “verlichten”, mnd. lichten “oplichten”, ofri. lī̆gta “verlichten, verminderen”, ags. lîehtan “verlichten, afstijgen” (eng. to a-light), on. lêtta “lichter maken, verlichten, opheffen, ophouden met”. Afl. van licht III. Mnl. lichten in intrans. bet. kan ook = ags. lêohtian “lichter worden” zijn. Vgl. voor de bet. “opbeuren” lat. levâre, fr. lever van lat. levis “licht”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lichten 2 o.w. (oplichten), Mnl. id., denomin. van licht 2: vergel. Lat. levare (Fr. lever) van levis = licht.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

lichten (lichtte, heeft gelicht), (ook:) 1. i.h.a. tevoorschijn halen, waarbij de beweging naar boven gericht is; ook fig. Men heeft mijn bloed niet in voorraad en ook de andere ziekenhuizen kunnen niet helpen, daar dit type bloedsoort erg zeldzaam is. In de ziekenhuizen worden de donorkaarten gelicht om te zien wie tot dat type bloedgroep gehoort (Wan broedoe 40). - 2. eruit halen, verwijderen, wegnemen. Sjorrie: dokter heeft mijn amandelen gelicht (Fernandes z.j.: 75). - 3. wegnemen, stelen. Tegelijkertijd een of andere halfwas wees, die ongebaad zijn kans loerde* om de grote glazen fles* vol Nestlé te kunnen lichten (Cairo 1978: 13). - 4. opnemen (geld). Maar tegelijkertijd bleef de fraudeur in de West op fictieve rekeningen geld lichten op achtergebleven spaarbankboekjes van de vertrokken immigranten (Hangalampoe 1 (5): 13; 1974). - Etym.: In AN in al deze bet. veroud. of verouderend, in andere bet. nog voorkomend. Vgl. i.v.m. bet. 4 E ’to raise money’ (= id.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lichten ‘optillen’ -> Duits lichten ‘optillen, heffen’; Deens lægte ‘optillen, uitladen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds † lykta ‘verplaatsen van militaire troepen’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins letata ‘het anker lichten; een last verlichten’ ; Frans dialect lûter ‘uitladen (van een schip); ledigen (veldfles)’; Pools lichtować ‘uitladen van een schip, optillen’ (uit Nederlands of Duits); Papiaments lektu ‘oplichten, opheffen, wegpakken, prijsnemen, ontnemen.’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lichten* optillen 1236 [CG I1, 26]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

85. Zijn anker lichten,

d.w.z. heengaan, zich verwijderen; vgl. lat. ancoras tollere. Ook de zeeman licht zijn anker, als hij het door middel van het spil uit den grond trekt, om de vaart te beginnen of te hervatten. In de middeleeuwen in letterlijken zin; in de 17de eeuw ook overdrachtelijk blijkens Winschooten, 138: Een anker ligten: een anker uit den grond ophijsen; waarvan het bekende spreukjen: ik ligte mijn anker: ik ging deur; Brederoo II, 824: Voor myn sachtmoedigheyt moet wraak het ancker lichten; Vondel, Gijsbr. v. Aemst. 354; Cats I, 277:

 Maer siet! ons praet die heeft gedaen,
 Want ginder koomt u man gegaen;
 Ick danck u voor uw goet bericht;

 't Is tijt dat ick mijn ancker licht.Zie verder Halma, 316: Zijn anker ligten, vertrekken, deurgaan; Ndl. Wdb. II, 493; 495; VIII, 1970. Jord. 66: Nou beste siele..... ik licht me anker..... ajusies! Vgl. Hij moet zijn anker kappen, hij moet zich overhaast uit de voeten maken.

177. Iemand (een) beentje lichten (of zetten),

d.w.z. iemand bij het worstelen onverwacht doen vallen door hem den voet te lichten; bij overdracht: iemand onderkruipen; Sewel, 67: iemand een beentje zetten, to supplant one; Halma, 46: iemand een beentje of een voetje zetten, donner à qqn. le croc en jambe; Harreb. I, 40 en de syn. uitdr. iemand den voet lichten (zie ald.), dat Halma verklaart door: iemand uit zijn ambt zetten; mnl. enen scrinkelen; bij Kiliaen: iemand een voetken setten; hd. einem ein Bein stellen; fr. donner un croc-en-jambe à qqn.; jouer qqn. sous les jambes.

805. De hand lichten (met iets),

d.i. iets niet streng nemen, het er zich gemakkelijk mede maken; van verordeningen en voorschriften: ze niet streng handhaven. In den handel verstond men eertijds onder de hand lichten, minder vragen dan de marktprijs is (fr. lâcher la main), en onder (de hand) weten te zwaren en te lichten (fri. lichte en swierje), den prijs zijner waren naar gelang der omstandigheden weten op of af te slaan; fig. weten te geven en te nemen, te heffen en te leggen, te snijden en te binden, zooals men vroeger zeide (Bank. II, 311); vandaar de hand lichten met iets, het met iets niet te streng nemen, er zich met een Franschen slag afmaken. Zie Ndl. Wdb. V, 1790Hiermede moet niet in rechtstreeksch verband gebracht worden handlichting, ontheffing van minderjarigheid. In het mnl. beteekende die hand lichten van iet, afzien van de toepassing eener wettelijke bepaling, ontheffing verleenen van, het tegenovergestelde van de hand op iets leggen; en vandaar hantlichtinge, afstand van eene vordering of van rechten, die men op een goed kon doen gelden; fr. mainlevée.; VIII, 1968; Molema, 243 a: hij ken nijt lichten en zwaren; oostfri. man mut to lichten un to swaren wêten.

2446. Iemand den voet lichten,

d.i. hem doen vallen, hem achterover doen tuimelen, hem een beentje lichten (no. 177; fr. donner la jambette à qqn; eng. to trip one up), hem overstag werpen (zie no. 1746), mnl. enen scrinckelen, oostfri. strikbêntjen; in overdrachtelijken zin: iemand op behendige wijze van zijn post verwijderen, hem er uitwippen; ook ‘hem een nadeeligen trek spelen’ (Weiland); hetzelfde als het 16de-eeuwsche (iemand een) voetken setten, supplantare: pede supposito in terram deiicere (Kil.); dat voetken setten om te doen vallen, donner le crochet du pied pour faire cheoir, supplantare alicui pedem (Plantijn), iemand een beentje zetten (17de eeuwRechtb. 4 (voorw.): Ick schijne u een beentje te willen setten, om u de hielen op te slaen, ende u ter neder te vellen; Spaan, 224.), hd. einem ein Bein stellen; to give a person a foot (verouderd). Sedert de 17de eeuw is onze uitdr. in gebruik; vgl. Hooft, Brieven, 371; 307: 's Kaizers toeleg om hem (Wallenstein) den voet te lichten; Ged. I, 289: Een tol, die met gestadigh swindelen zich zelven licht den voet, en eighe grafsteê graeft; Poirters, Mask. 73; 86; Winschooten, 340: Iemand de voet ligten: dat is, iemand sijn ampt, eer, en aansien beneemen, en op sijn scheeps: iemand buiten boord smijten; W. Leevend III, 139; C. Wildsch. II, 156; Tuinman I, 37; Halma, 737: Iemand den voet ligten, iemand uit zijn ambt zetten; Harreb. II, 398 a; Het Volk, 7 Nov. 1913, p. 1 k. 3: Niet omdat we hoopten hierdoor zoo spoedig mogelijk de kans schoon te krijgen om 't kabinet het voetje te lichten; Ndl. Wdb. VIII, 1969; afrik. iemand die voet lig; Antw. Idiot. 1392: iemand e voetje zetten, doen struikelen of vallen. Syn. Iemand van de plank wippen in De Arbeid, 31 Juli 1915, p. 4 k. 2: En enkelen die den moed hebben dit te beweren en op principieelen grond aan te toonen, trachten zij met een zekere brutaliteit van de plank te wippen. Vgl. no. 770.

2614. Iemand uit het (of den) zadel lichten,

d.w.z. iemand onderkruipen, hem zijn positie doen verliezen; ontleend aan de tournooien, waarin de eene ridder den anderen met zijn speer uit het zadel trachtte te lichten en hem zandruiter maakteZie Winschooten, 218; Lichte Wigger, 20 v; Rusting, 93; Sewel, 978; Halma, 801; hd. Sandreiter. Vgl. no. 2625.; mnl. enen uten ghereide steken; enen afsetten of afsteken. In de 17de eeuw is de uitdrukking vrij gewoon; zie Pers, 349, alwaar zij in letterlijken zin voorkomt naast iemand uit het zadel werpen in figuurlijke beteekenis; ook in obscoenen zin was zij toen zeer gewoon (zie o.a. Brederoo, Klucht v.d. Molenaer, 469); Winschooten, 218: iemand uit de saal ligten, iemand sandruiter maaken; Halma, 799. Vgl. verder Tuinman I, 253; Sewel, 976: Iemand uit den zadel ligten, to supplant or undermine one, to trip up his heels; to throw one down; in V. Janus, 321: iemand uit den zadel wippen; Harreb. II. 487; O.K. 17: Hij had zaken gedaan en een concurrent uit den zadel gelicht; Ndl. Wdb. VIII 1974; afrik. iemand uit die saal lig. Ook in het hd. jemand aus dem Sattel stechen, heben; jemand ausstechen; fr. désarçonner qqn, iemand tot zwijgen brengen; faire perdre les arçons (ou les étriers) à qqn, iemand van zijn stuk brengen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut