Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

licht - (uitstraling van zon e.d.)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

licht 1 bn. ‘helder’; zn. ‘schijnsel; lichtbron’
Onl. lieht (zn.) ‘licht, schijnsel’ in an liohte ‘in het licht’ [10e eeuw; W.Ps.], (bn.) ‘helder’ in ther was ... lieht ‘die (de ster van Bethlehem) was helder’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. ligt (bn.) [1200; CG II], meestal licht (bn. en zn.) in dat grote licht ‘het grote schijnsel’ en licht ende claer ‘licht en helder’ [beide 1265-70; CG II], licht ‘lichtbron, kaars’ [1477; Teuth.]; daarnaast ook een nevenvorm lucht in wat baten oghen zonder lucht ‘wat voor nut hebben ogen zonder licht’ [ca. 1350; MNW].
Ontwikkeld uit Proto-Germaans *leuhta-, waarin pgm. *-eu- voor een a in het West-Germaans -io- werd, waaruit onl. -ie- en ten slotte mnl. -i- door verkorting van de tweeklank voor de cluster -cht (Schönfeld, par. 31).
Os. lioht (mnd. licht, lecht, lücht); ohd. lioht (nhd. Licht); ofri. liacht (nfri. ljocht o.i.v. het werkwoord; nog dial. ljacht); oe. lēoht, lēht (ne. light); alle zowel bn. als zn., < pgm. *leuh-ta- ‘licht’. Hierbij ook de afleiding pgm. *leuht-jan- ‘licht geven, schitteren’, waaruit: mnl. luchten (zie sublemma); os. liuhtian, liohtian (mnd. lüchten, lochten); ohd. liuhten (nhd. leuchten); nfri. ljocht(sj)e; oe. līehtan, lēohtan, līhtan (ne. light, en de jongere nevenvorm lighten); got. liuhtjan ‘lichten, schitteren’.
Andere Germaanse afleidingen van dezelfde wortel *leuh- zijn: pgm. *leuh-aþ- ‘schijnsel’, waaruit: got. liuhaþ; en pgm. *leuh-ma- ‘schijnsel’, waaruit: os. liomo, oe. lēoma, on. ljómi; en pgm. *leuh-sa-, waaruit on. ljóss (bn.) ‘helder’, lýsa ‘schittering’ (nzw. ljus, bn. en zn. ‘licht’). Ook mnl. laeye ‘vlam’ is verwant, zie → lichte(r)laaie.
Verwant met: Grieks leukós ‘wit’, zie → leukemie; Latijn lūx (genitief lūcis) ‘licht’, zie → lucifer, lūcēre ‘verlichten, lichten’; Sanskrit rócate- ‘geeft licht’; Oudpruisisch luckis ‘toorts’, Litouws laũkas ‘met een wit voorhoofd (bijv. bij paarden)’; Oudkerkslavisch luča ‘lichtstraal’, Kerkslavisch lučŭ ‘licht’ (Russisch luč ‘lichtstraal’); Welsh llug ‘helder’; Armeens lois ‘licht’; Hittitisch lukk- ‘id.’; Tochaars A en B luk- ‘verlichten’; < pie. *leuk-, *louk- ‘helder; schijnen’ (IEW 687-689). Met achtervoegsels gaan op dezelfde wortel terug: Latijn lūmen ‘licht’ (zie → lumineus), lūna ‘maan’ (zie → lunet), lustrum ‘zonneoffer’ (zie → lustrum), lūstrāre ‘verlichten’ (zie → luister).
lichten 1 ww. ‘licht geven; licht worden’. Onl. met voorvoegsel āluhti (imperatief) ‘verlicht!’ [10e eeuw; W.Ps.], met ander voorvoegsel in irliohte ansceine sīn ovir uns ‘moge zijn aanschijn over ons lichten’ [10e eeuw; W.Ps.], dan liuhton ‘schijnen’ [ca. 1100; Will.]; mnl. luogt ‘verlicht’ (3e pers. ev.) [1270-90; CG II], lichten [1285; CG II], der luchtende dach ‘de lichtende dag’ [1290-1310; MNW-P]. Ontwikkeld uit Proto-Germaans *leuht-jan-, waarin pgm. *-eu- voor de -j- in het West-Germaans -iu- werd, waaruit onl. -ū- en in het mnl. -u- door verkorting van de tweeklank voor de cluster -cht (Schönfeld, par. 31).
De klankwettige vorm voor het werkwoord luidt dus luchten en voor het naamwoord licht. Door analogiewerking ontstonden de nevenvormen lichten (reeds in onl. irliohte) resp. lucht. Uiteindelijk heeft het woordpaar lichten/licht de varianten met -u- in de standaardtaal verdrongen. Vormen met -u- bestaan nog wel in het West-Vlaams en in de afleidingen → luchter, → verluchten en → doorluchtig ‘roemrijk, illuster’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

licht1* [uitstraling van zon e.d.] {oudnederlands lioht 901-1000, middelnederlands licht} oudsaksisch, oudhoogduits lioht, oudfries liacht, oudengels leoht, gotisch liuhaþ; buiten het germ. latijn lux [licht], grieks leukos [stralend, wit], oudiers lúach [wit], lóche [bliksem], litouws laukas [bleek], oudkerkslavisch lučĭ, oudindisch rokaḥ [licht]. De uitdrukking zijn licht niet onder de korenmaat zetten [zijn kennis niet verborgen houden] is ontleend aan Mattheus 5:15.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

licht 1 znw. o., mnl. licht, lecht, liecht, lucht, onfrank. os. ohd. lioht, ofri. liācht, oe. lēoht (ne. light), got. liuhaþ. In het on. komen andere formaties voor: ljþōmi (< germ. *leuhman), vgl. os. liomo, oe. lēoma en ljōs (< germ. *leuhsa-) naast bnw. ljōss (< oern. *leuhsaR) vgl. ohd. liehsen ‘licht, glanzend’, oe. līexan ‘lichten, schitteren’. Andere formaties zijn nog got. lauhmuni v. ‘bliksem’, lauhatjan, ohd. lohazzen ‘lichten, vlammen’, met gramm. wiss. lougezen ‘lichten’. — oi. rōcis o., rúci- v. ‘glans’, rukṣá- ‘glanzend’, opr. lauksnos ‘ster’, arm. lusnkay ‘maan’, gr. lúchnos (< *luksnos) ‘lantaarn’, lat. lūna (< *louksna) ‘maan’, bij oi. rôcatē ‘lichten, schijnen’, gr. leukós ‘licht, wit’, lat. lūx ‘licht’, oiers luchair ‘glans’, lit. laũkas ‘bleek’, osl. luča ‘straal’, toch. AB luk- ‘stralen, verlichten’ (IEW 687-9). — Naast de idg. wt. *leuk stond ook *leuḱ, waarvoor zie los 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

licht I znw. o., mnl. licht (lecht, liecht, lucht) o. (v.). Met vocaalverkorting vóór cht: vgl. licht III. = onfr., ohd. lioht (nhd. licht), os. lioht, ofri. liâcht, ags. lêoht (eng. light), got. liuhaþ o. “licht”. Het is niet noodig en niet wenschelijk de wgerm. woorden voor een formantischen variant van got. liuhaþ te houden, die zich dan bij licht II zou aansluiten. Het On. kent 1. ljômi m. “glans, licht” = os. liomo, ags. lêoma m. “id.”, germ. *leuχman-, 2. ljôs o. “id.”, waarbij een bnw. ljôss “licht” uit *leuχsa-, vgl. ohd. liehsen “licht, glanzend”, ags. lîexan “lichten, schitteren”. Uit het Germ. o.a. nog hierbij got. lauhmuni v. “bliksem”, lauhatjan, ohd. lohazzen “lichten, vlammen”, waarnaast lougezen “id.” en de bij licht II en laai besproken woorden, buiten ’t Germ. o.a. ier. lôche “bliksem”, lat. lûx “licht”, gr. leukós “glanzend, wit”, ksl. lučĭ “licht” (znw.), lit. laũkas “bleek van kleur”, arm. lois “licht”, oi. rócate “hij licht, schijnt”, lókate “hij ziet, wordt gewaar”. De nominaalstam *leuqes-, *louqes-, waarvan germ. *leuχsa- een verlenging is, is zeer verbreid: vgl. kymr. lluched (*louqsetâ-) “bliksem”, lat. lûna (*leuq-s-nâ-) “maan”, obg. luna “id.” (of *louq-nâ-?), opr. lauxnos “sterren”, oi. rocís-, rocas- “glans”, met ablaut gr. lúkhnos (*luq-s-no-) “licht, lamp, fakkel”, oi. rukṣâ- “schitterend”. Zie los I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

licht 1 o. (lumière), Mnl. id. en liecht (ĭ is verkort uit ie vóór gedekte ch), Onfra. en Os. lioht + Ohd. id. (Mhd. lieht, Nhd. licht), Ags. léoht (Eng. light), Ofri. liácht. Go. liuhaþ (in plaats van liuht): is het zelfst. gebr. bijv.nw. licht = helder, met -t- suffix van Germ. wrt. leuh + Skr. wrt. ruc = lichten, Gr. leukós = wit, Lat. lux = licht, lucere = lichten, lumen (d.i. lucmen) = licht, luna (d.i. lucna) = maan, Oier. lóche = bliksem, Osl. lučĭ = licht, Lit. laûkas = bles: Idg. wrt. leu̯k.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

leech (zn.) licht; Aajdnederlands lieht <901-1000>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

lig I: s.nw., skynsel wat omgewing sigbaar maak; (fig.) duidelikheid, opheldering; Ndl. licht (Mnl. li(e)cht/lecht/lucht), Hd. licht, Eng. light, ander verwyderde formante in en buite Germ.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Het licht schijnt in de duisternis, niet alles is even slecht, er is nog hoop.
Licht in de duisternis, iets goeds of hoopvols.
Het metaforisch gebruik van licht is heel algemeen. Sommige verbindingen zijn dan ook niet noodzakelijk bijbels. De uitdrukkingen zijn ingedeeld naar twee betekenissen, die niet altijd scherp van elkaar te onderscheiden zijn: die met licht ter aanduiding van hoop, en ter aanduiding van kennis, inzicht en dergelijke.

In de bijbel staat dat God licht is; het licht is de openbaring van Gods aanwezigheid en macht. 'In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen' (Johannes 1:4-5, NBV). In het hedendaagse Nederlands duidt men met licht in de duisternis de hoop, het uitzicht in een moeilijke situatie aan.

Liesveldtbijbel (1526), Johannes 1:4-5. In hem was dat leuen ende dat leuen was een lichte der menscen, ende dat licht scijnt in die duysternisse, ende die duysternisse en hebbens niet begrepen.
Maar daarnaast zag ik het visioen van de kaars tevens als een hoopvol teken dat er nog steeds licht schijnt in mijn duisternis. (R. Snel, Op weg door Tao, 1993)
en ook de vorig jaar in Frankrijk verschenen sleutelroman l'Ombre brengt wat licht in de duisternis. (NRC, maart 1995)

Zijn licht (niet) onder de korenmaat zetten, zijn goede kanten, vooral zijn kennis, (niet) verbergen.
Zijn licht op de kandelaar plaatsen, laten zien wat men kan en weet.
Zijn licht laten schijnen over iets, zijn kennis gebruiken om iets te (proberen te) verhelderen.
Licht brengen in de duisternis, iets ophelderen.

Licht wordt ook gebruikt ter aanduiding van iemands goede kanten, vooral kennis en inzicht, en voor wat iemand daarmee teweeg kan brengen. Als je je licht onder de korenmaat zet, dan verberg je je goede kanten, gewoonlijk een bepaalde (specialistische) kennis. Het tegenovergestelde is je licht op de kandelaar plaatsen. Beide uitdrukkingen gaan terug op de volgende bijbelplaats: 'Men steekt ook geen lamp aan om hem vervolgens onder een korenmaat weg te zetten, nee, men zet hem op een standaard, zodat hij licht geeft voor ieder die in huis is. Zo moet jullie licht schijnen voor de mensen, opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel' (Matteüs 5:15-16, NBV; vergelijk Marcus 4:21 en Lucas 8:16 en 11:33). Ook variaties op deze uitdrukking(en) komen voor: 'Als patiënten [kankerpatiënten] denken dat zij baat hebben bij een speciaal dieet, dan is hen dat eerst aangepraat door onkritische dokters, die niet bereid waren om hun grote ego onder de korenmaat te plaatsen van de wetenschappelijke toetsing' (NRC, 19-6-1999, p. 50).
Het tweede deel uit deze bijbelplaats, 'Laat uw licht schijnen voor de mensen', is mogelijk de oorsprong van de veelvuldig gebruikte uitdrukking zijn licht over iets laten schijnen, dat zoveel betekent als: 'zijn kennis gebruiken om iets te (proberen te) verhelderen'.
Tenslotte is licht ook zoveel als 'duidelijkheid, helderheid'. De uitdrukking licht brengen in de duisternis betekent dan óók: 'helderheid scheppen'.

Deux-Aesbijbel (1562), Matteüs 5:15. Noch een licht wort oock niet ontsteken ende onder een korenmate gestelt, maer op den kandelaer, ende het licht allen die in den huyse zijn. (De Statenvertaling (1637) heeft eveneens koren-mate; de andere geraadpleegde oude vertalingen hebben corenvat.)
Leuvense Bijbel (1548), Matteüs 5:16. Alsoo laet v licht schijnen voor die menschen. (De Statenvertaling (1637) heeft hetzelfde; de andere oude bijbels hebben lichten i.p.v. schijnen.)
Jij bent je licht danig onder de korenmaat gaan stellen. (Dokter Pulder zaait papavers (film), 1975)
De auteur, die niet graag zijn licht onder de korenmaat steekt, komt daarbij te spreken over zijn vertalingen en zijn trouw aan het origineel (NRC, juli 1994)
De hoge staat van broederlijkheid was niet voor alle gemijterde Heren weggelegd: zei een priester altijd wat hij werkelijk meende, was zijn mening altijd die van de Kerk? Het licht dat zij op de kandelaar plaatsten, was veelal niet meer dan een nachtpit... (Jan Mens, De witte vrouw, 1987 (1952), p. 167)
De praatgrage doelverdediger was bereid zijn licht over vele vraagstukken te doen schijnen. (NRC, maart 1994)
De heer Van den Doel (VVD): Ik zal licht brengen in deze duisternis bij D66, [...] (Tweede Kamer, nov. 1995)

Er gaat mij een licht op, het wordt mij ineens duidelijk.

De uitdrukking er gaat mij een licht op heeft misschien ook een bijbelse herkomst: 'Het volck dat in duysternisse sat, heeft een groot licht gesien: ende de gene die saten inden lande ende schaduwe des doots, den selven is een licht opgegaen' (Matteüs 4:16, Statenvertaling).

Liesveldtbijbel (1526), Psalmen 112:4. Den oprechtigen gaet dat licht op in duisternissen, Van den ghenadigen, ontfermhertigen, ende gerechten. (De Statenvertaling (1637) heeft oprechten i.p.v. oprechtigen.)
Vluchtig had de journalist de dag van te voren wat passages gelezen uit een boek van de schrijver met een oranje kaft [...] en nu gaat hem een licht op. (De Volkskrant, 12-8-1988)
[...] en toen vroeg ik me af wat me toch zo aansprak in dat fotootje en op een gegeven moment ging me een licht op: het waren net krabben. (NRC, apr. 1994)

Wandelen in het licht, (fig.) in een situatie van volkomen geluk en inzicht verkeren.

'En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen: God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis. Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben en in de duisternis wandelen, dan liegen wij en doen de waarheid niet; maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkander; en het bloed van Jezus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde' (1 Johannes 1:5-7, NBG-vertaling). Het is moeilijk te omschrijven wat wandelen in het licht (in de NBV 'onze weg in het licht gaan') precies betekent. De juiste dingen doen, zich goed gedragen, kennis hebben van de waarheid, in een gelukkige positie zijn -- vanuit het Nieuwe Testament is dit samen te vatten als: 'christen zijn'. In deze betekenis hebben wij het echter niet aangetroffen.

Liesveldtbijbel (1526), 1 Johannes 1:7. Maer ist dat wi int licht wandelen, gelijc hy int lichte is, so hebben wi gemeynscap onder malcanderen.
Ik vraag me af waarom ik optimist ben. [...] omdat ik een optimistische voorstelling heb, een onverklaarbare overtuiging dat er een paradijs zal komen waar mensen wandelen in het licht. (Vrij Nederland, 19-10-1991)
Zij spreken met de dieren, zij wandelen in het licht, maar zodra de mensen en hun laster hen benaderen, sluit een wolk van duisternis hen als een pantser in. (Elsevier, 29-5-1993)

Er zij licht, en er was licht, het licht gaat of ging aan.

Deze veelvuldig schertsend gebruikte woorden -- wanneer iemand voor licht zorgt -- stammen uit het begin van het scheppingsverhaal: 'In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed, en de Geest Gods zweefde over de wateren. En God zeide: Er zij licht; en er was licht. En God zag, dat het licht goed was, en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis' (Genesis 1:1-4, NBG-vertaling).
De woorden zijn zo bekend, dat ook daar weer op gevarieerd wordt. Een heel mooi voorbeeld is de volgende passage uit een verhaal van G. van Beek: '"Er zij ijs," fluisterde hij. Je moest het niet schreeuwen. Grote dingen kwamen tot stand door een stem die fluisterde: "Er zij ijs." En het werd avond en morgen en daar was ijs en het groeide op de ramen in koele bloemen die hij wegademde om te zien of het goed was' (G. van Beek, Blazen tot honderd, 1967, p. 41). Het archaïsche 'Er zij licht' komt niet meer terug in de NBV; hier is vertaald met 'Er moet licht komen'.

Statenvertaling (1637), Genesis 1:3. Ende Godt seyde: Daer zy Licht: ende daer wert Licht. (Leidse vertaling (1899-1912): Er zij licht! en er was licht.)
In de doos met de gasflesjes vond Nina een koker van glas en een brander die een soort kousje bevatte. 'Dit is het,' zei ze. 'Je draait het op de fles en...' '...er is licht.' Ze nam mij een tijdje op en glimlachte toen. (M. Möring, In Babylon, 1997, p. 67)
'Er zij licht en er was licht,' zei ze toen ze bij binnenkomst de lamp aandeed. (Voorbeeld, jaren '90)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

licht (het groene -- geven) (vert. van Engels to give the green light)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

licht. De eed bij Gods licht ‘bij de zon die God geschapen heeft’ vindt men terug in de verbastering gans lichters, waarin sommigen de betekenis zoeken van ‘Gods longen’, anderen die van ‘bliksem’ en weer anderen die van ‘Gods gewijde kandelaren’. Ik volg nu verder De Baere (1940: 150-151) op de voet: “Lichter is ongetwijfeld de meervoudsvorm van licht. En wat nu de beteekenis van den eed betreft, hij wordt duidelijk door de bepaling ‘dat daer scijnt’, maar vooral door het Fransche origineel dat luidt par le soleil qui ci luist. Met dat licht wordt dus wel de zon bedoeld, het lichtgevend lichaam bij uitstek, zoodat we hier te doen hebben met een eed, misschien zelfs een ‘gekerstende’ eed bij de zon. Tegelijk kan men daarbij aan de andere lichtgevende scheppingen Gods, de maan en de sterren, hebben gedacht, wat den vorm lichter zou verklaren. Daarbij komt nu nog, dat het woord lichter in de 17de eeuw ook nog steeds zon beteekende. Gods licht werd dus gans lichters! Veel afwisseling biedt deze uitroep overigens niet: hij vertoont enkel zekere spellingvarianten: gans, gants of gantsch lichters of ligters en luidt een enkele maal gans lichten.” Lichter is meervoud en kan dus ook slaan op maan en sterren.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Licht (glans; ook: niet-donker) van den Idg. wt. luk, leuk = lichten. Verwant is het Lat. lux = licht, van lucere = lichten; Luna (voor Lucna): de maan. Vgl.: doorluchtig (illustre), verluchten = illustreeren. – Luchter = lichter, kandelaar. Vgl. den Statenbijbel. „Men sal sijne lampen aensteken, ende doen luchten aan sijne zijden.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

licht ‘uitstraling van zon e.d.’ -> Deens lygte ‘lamp’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors lykt ‘lantaarn, lamp, licht’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds lykta ‘lamp’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins lyhty ‘lamp’ ; Negerhollands ligt ‘uitstraling van zon e.d.’; Berbice-Nederlands lekti ‘uitstraling van zon e.d.’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

licht* uitstraling van zon e.d. 0901-1000 [WPs]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

licht aan het einde van de tunnel (← Eng. light at the end of the tunnel), gezegd wanneer er beterschap op komst is, er goede vooruitzichten zijn. Vaak in een politieke context: het gevoerde beleid zal weldra zijn vruchten afwerpen. De voormalige Belgische premier Martens gebruikte de uitdrukking meermaals, en vooral m.b.t. de staatsfinanciën. Vanuit de groene partij Agalev kwam, bij monde van Magda Aelvoet, de reactie: ‘Wat we zien is niet het licht aan het eind van de tunnel, maar de koplampen van een nieuwe inleveringstrein.’ Ook in het Engelse taalgebied werd de uitdrukking meermaals geridiculiseerd. Ze werd aldaar al aangetroffen in de jaren veertig, in het werk van de Amerikaanse dichter Robert Lowell (1917–1977). In een niet-politieke context werd ze zelfs nog veel eerder gebruikt: de Oxford English Dictionary geeft een vindplaats uit 1922. → het einde van de tunnel* is in zicht.

Licht: oplossing. Soms zien politici licht aan het eind van de tunnel. Ze bedoelen dat ze na een slopend meningsverschil een mogelijkheid zien om tot overeenstemming te komen. (Marco Bunge: Politiek Woordenboek, 1985)
In Nederland dalen de tarieven voortdurend zonder dat er licht aan het einde van de recessietunnel zichtbaar is. (Trouw, 31/07/93)
‘Er is licht aan het eind van de tunnel’ betekent zoveel als: het zal weldra beter gaan. Toen premier Martens deze uitdrukking gebruikte in verband met de staatsfinanciën, zei Magda Aelvoet (Agalev): ‘Wat we zien is niet het licht aan de (sic) tunnel, maar de koplampen van een nieuwe inleveringstrein.’ (Jef Coeck: Nieuwsspraak, 1994)
Laten we niet vergeten dat het slecht is afgelopen met het Romeinse Rijk en dat mensen leven bij perspectief, bij licht aan het eind van de tunnel — dat geldt zelfs voor de armen onder ons. (Elsevier, 19/11/96)
De oppositie riep er schande van, maar volgens de PvdA was er ‘winst’ geboekt (er komt nu immers een ‘visie’ van de minister) en D66 zag ook al ‘licht in de tunnel’. (Trouw, 03/01/97)
Maar waarom pleegde hij die zelfmoord dan niet eerder, toen hij zo wanhopig was, toen er nog geen uitzicht was op een proces? Dat zou passend zijn, maar nee, hij doet het uitgerekend wanneer er licht aan het eind van de tunnel schijnt! (HP/De Tijd, 31/01/97)
Na de decembermoorden van 1982, toen alle hulpgelden uit het ontwikkelingsverdrag (totaal nog 1,3 miljard gulden) werden ingevroren, is er naar gelang van de politieke ontwikkelingen in Suriname voortdurend gejojood met de hulp. Of, in de woorden van oud-minister van Buitenlandse Zaken Mungra: ‘Er brandt vaak licht aan het einde van de tunnel, maar die tunnel wordt door Nederland steeds maar verlengd.’ (Elsevier, 26/07/97)
er mag geen licht schijnen; er zit geen — tussen x en y, er mag geen verschil van mening of handelwijze zijn tussen leden van een partij onderling; ze moeten op één lijn zitten. Vooral in de politiek gebruikelijke uitdrukking.
Sinds 1951 wordt er bijna altijd wanneer een minister overhoop ligt met zijn eigen politieke partij, gerefereerd aan dit voorval. Zo in de trant van: wie het verbruid heeft bij z’n politieke geestverwanten, dient op te stappen; er mag geen licht schijnen tussen een minister en zijn politieke vrienden, die in de Kamerfractie van de eigen partij in het bijzonder. (NRC Handelsblad, 22/02/97)
Nu had het PvdA-Kamerlid het wel wat bonter gemaakt door zijn echtgenote, die zakelijk van toeten noch blazen wist, directeur te maken en haar een salaris van vijfduizend gulden netto per maand te geven — een wel erg doorzichtige poging het gezinsinkomen op peil te houden. Maar fundamenteel zit er niet zoveel licht tussen wat Houda deed en wat Keur doet: op papier mogen ze het juridisch goed hebben geregeld, de facto zijn ze nog steeds mede-ondernemer. (HP/De Tijd, 03/10/97)
wil de laatste x het licht uitdoen?, schertsend gezegd van de laatste vertegenwoordiger van een bepaalde ideologie of bedrijfstak die het voor gezien houdt. De uitdrukking bestond al in de jaren zeventig maar werd nog door geen enkel woordenboek gehonoreerd. Voor meer informatie verwijs ik naar Marc De Coster, Woordenboek van populaire uitdrukkingen, clichés, kreten en slogans (1997).
Eigenlijk was het gekscherend bedoeld. ‘Als Fokker ooit ophoudt te bestaan, zal ik het licht uitdoen,’ zei vliegtuigmonteur Moos Bakarbessy geregeld tegen zijn collega’s en vrienden. (Trouw, 04/04/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1332. Een groote lantaarn zonder licht.

Hiermede wordt wel eens aangeduid iemand met een groot hoofd, of ook van eene forsche gestalte, maar zonder veel verstand (De Brune, 313: een groote kop, en kleyn verstand); in Zuid-Nederland: niet bezitten hetgeen men uitstalt, dus wat wij wel eens noemen een groote parade en een klein garnizoen; fri. in greate parade en lyts garnisoen. Zie Sartorius I, 1, 56: Een groote lanteerne sonder licht: de longis et ineptis hominibus dicitur; III, 5, 18: caput vacuum cerebro, een schoon Monstrancy sonder Heylighdom, de his qui corporis specie praecellunt, ingenio carentes. Vgl. ook Sinnep. 23; Smetius, 88; V. Moerk. 349; Brederoo, 3, 85: Siet den verwaanden geck, siet daer den holle Ton, een Lantaarn sonder Licht; Tuinman I, 257; Halma, 302: Eene groote lantaarn zonder ligt, grosse tête avec peu de sens, une grosse balourde, un gros falot; Sewel, 437; Harreb. II, 9 b; Ndl. Wdb. VIII, 1080; Joos, 87; 148; De Bo, 652 a: een kleen luchtje in een groote lanteern of eene groote lanteern met een kleen luchtje, van iemand die er uiterlijk sterk uitziet doch zwak is; en ook in onze beteekenis; Teirl. II, 200: 'T es ne grooten lanteeren en een klai' lucht, het is een pochhans; fri.: in lantearne sonder ljocht, iemand die een ander in 't licht staat; ook: eene ledige flesch (Fri. Wdb. II, 109 b); Villiers, 71; Breuls, 93; vgl. ook Wander II, 1804: grosze Laternen, kleine Lichter.

1383. Iemand het licht betimmeren,

d.w.z. in eigenlijken zin, iets plaatsen, bouwen voor zijn venster, waardoor het uitzicht onderschept wordt; vgl. Kil. Betimmeren iemandts licht, officere luminibus alicuius propiore aut altiore structura alicuius lumen tollere; De Brune, Bank. I, 191; Ndl. Wdb. II, 2229; VIII, 1908. In overdr. zin: verhinderen, dat het licht op iemand valt, dat hij zien kan en gezien worde, hem in de schaduw stellen; vandaar ‘iemands aanzien, achting of gewin benadeelen. Zoo brengt men iemand duisterheid toe, wanneer men hem 't zonnelicht onderschept’ (Tuinman I, 250; Grimm, VI, 867); Halma, 65: Iemands ligt betimmeren, iemand ergens in overtreffen; Sewel, 101: Iemands licht betimmeren, to darken one's renown. Wander III, 117: Einem das Licht verbauen, seine Ehre verdunkeln. In dezen zin is meer gewoon: Iemand in het licht staan (hd. einem (oder sich selbst) im Lichte stehen; eng. to stand in a p's light), dat in de 16de eeuw bij Servilius, 83 voorkomt: hi staet hem altoos in syn licht, dat we o.a. ook lezen bij Vondel, Lucifer, vs. 997; Noah, 965; 1370; C. Wildsch. V, 308; enz. Vgl. ook Ndl. Wdb. VIII, 1909; De Bo, 652 a: in iemands lucht staan, iemand tegenkanten, hem verhinderen in zijne werking; Rutten, 132; Joos, 73; Teirl. II, 211: in iemand zijne lichte staan; Schuerm. Bijv. 186: in zijn eigen licht staan of zijn; tegen zijn eigen licht zijn, zich zelven een hindernis of beletsel zijn, tegen zijn eigen geluk of voordeel zijn; zoo ook Waasch Idiot. 397 a; Antw. Idiot. 1870; fri. immen yn 't ljeacht stean, iemand in de uitoefening zijner zaken belemmeren; oostfri.: sük sülfst in 't lücht stân (Dirksen, II, 77).

1384. Een licht gaat mij op,

d.i. nu begrijp ik de zaak, nu wordt zij mij helder; hd. es geht mir ein Licht (Talglicht, Seifensieder) auf (wie eine Osterkerze; Wander III, 119); eng. the light dawns upon me; fr. voilà un trait de lumière. De zegswijze kan eene herinnering zijn aan Psalm 112, 4: Den oprechten gaet het licht op in de duysternisse; of aan Matth. 4, 16: ‘Ende degene die saten in den lande ende schaduwe des doots, den selven is een licht opgegaan’, waar evenwel gedacht moet worden aan het aanbrekend geluk; Ndl. Wdb. XI, 693; VIII, 1915. In Zuid-Nederland niet in de spreektaal bekend. Ook hoort men wel eens schertsend: daar ging mij een gaslicht, een gaslantaarn of een gasfabriek op.(Aanv.) Vgl. De Vrijheid, 28 Mei, 1924, 2de bl. k. 1: Mij was plotseling een nachtpitje opgegaan.

1385. Zijn licht niet onder een koornmaat zetten,

d.i. zijn kennis en wetenschap niet verborgen houden, maar aan de wereld mededeelen of zooals men ook zegt ‘zijn licht laten schijnen voor de menschen’. Beide zegswijzen zijn ontleend aan den Bijbel, Matth. V, 15 en 16: Noch men steeckt geen keerse aen, ende set die onder een korenmate: maer op een kandelaer, ende sy schijnt allen, die in den huyse [zijn]. Laet uw' licht alzoo schijnen voor de menschen, dat sy uwe goede wercken mogen sien, ende uwen Vader, die inde hemelen is, verheerlicken. Zie Zeeman, 352; fr. ne pas mettre la lampe sous le boisseau; hd. sein Licht nicht unter den Scheffel stellen; eng. not to hide one's light under a bushel.(Aanv.) Een koornmaat was een groote bak, in den vorm van een trog, op vier korte pooten, waarin men het koren bewaarde Deze stond in het woonvertrek. Vgl. mnl.: Nimen en sett dat licht alst ontfunct es onder dat corenvat noch onder dat bedde, noch in ene verborghene stat (L.v.J. Cap. 36).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut