Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lichaam - (lijf)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lichaam zn. ‘lijf’
Onl. lichamo ‘lijf, romp’ in thaz hoiuet ande then lichamo (acc.ev.) ‘het hoofd en de romp’ [ca. 1100; Will.]; mnl. suuerhede uan lechamen ‘zuiverheid van lichaam’ [1236; CG I], ligame ‘lichaam’ [1240; Bern.], lichaam ‘stoffelijk omhulsel’ in die lichame onslapen es ‘het lichaam is ontslapen’ [1265-70; CG II].
Samengesteld uit → lijk 1 ‘(dood) lichaam’ en → haam ‘omhulling’. Wrsch. werd het woord algauw niet meer als samenstelling opgevat en traden twee vereenvoudigingen op: assimilatie -k-h- > -ch-, zoals ook in Walcheren uit *walk-hara- en in Lochem uit *lōk-hēm; en, net als in Lochem, verkorting van de lange klinker in de eerste lettergreep.
Os. līkhamo (mnd. līcham); ohd. līhhamo; ofri. līkhama, līkhoma, līkma (nfri. lichem, lykme- in likme-allinne ‘moederziel alleen’); oe. līchoma (me. lykam); on. líkami, líkamr (nzw. lekamen); alle ‘lichaam’, < pgm. *līk(a)-haman-. Daarnaast in dezelfde betekenis onl. lichnamen [1151-1200; Reimbibel] en ohd. līhhinamo (nhd. Leichnam) < pgm. *līkin-haman-, waarin het eerste lid een zwak verbogen nevenvorm (n-stam) is van *līka-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lichaam* [lijf] {lichame 1236} oudsaksisch līkhamo, oudhoogduits līhhamo, oudfries likoma, oudengels līchoma, oudnoors līkami, van lijk1 [oorspr. lichaam, vlees] + haam2 [omhulsel], dus eig. vleselijk omhulsel.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

Lichaam

Het eerste deel van de samenstelling is het woord lijk, dat: (dood) lichaam betekent en dat wij ook terugvinden in likdoorn: doorn in het lichaam en in litteken: teken op het lichaam. Het tweede deel is haam, een woord dat nog gebruikt wordt in de betekenis: gareel waarin een paard loopt, maar dat oorspronkelijk werd gebruikt voor ieder bekleedsel, dus voor omhulsel, kleed, zak, huid. Lichaam is dus eigenlijk: het bekleedsel van het lijf, het omhulsel ervan. Daarna gaat het betekenen: het geheel van organen die het lijf van mens of dier vormen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lichaam znw. o., mnl. lichāme m.o. zelden v., os. līkhamo, ohd. līhhamo, ofri. līkoma, lĭk(k)oma, oe. līchoma, on. līkami; daarnaast nog ohd. līhhinamo m. (< *līhhin-hamo, nhd. leichnam). — Samenstelling van germ. *līka-waarvoor zie: lijk 2 en *haman, waarvoor zie: haam 1.

Het woord betekent dus eig. ‘vleselijk omhulsel’ en het beantwoordt dus geheel aan het dichterlijke oe. flæsc-homa, waarnaast ook bānfæt ‘beendervat’, bānhūs ‘beenderhuis’, bāncofa ‘beenderbehuizing’. In het geval van ‘lichaam’ is dus de dichterlijke omschrijving in de omgangstaal overgegaan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lichaam znw. o., mnl. lichāme m., ook reeds o., zelden v. = ohd. lîhhamo, os. lîkhamo, ofri. lîkoma, lī̆k(ko)ma, ags. lîchoma, on. lîkami m. “lichaam”. Hiernaast een a-stam in on. lîk(h)amr m. “id.”. Een samenst. van *lîka- (zie lijk II) en *χaman- (zie haam). Ohd. komt ook lîhhinamo (uit *lîhhin-hamo) m. (nhd. leichnam) voor. Deze samenst.*lîk-χaman- “lichaam-, vleesch-hulsel” maakt den indruk oorspr. een poëtisch, vooral episch woord te zijn geweest: vgl. de ags. synoniemen flæ̂sc-homa m. letterlijk “vleeschhulsel”, bân-fæt o. “beendervat”, bân-hûs o. “beenderhuis”, bân-loca m. “beenderomsluiting”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lichaam o., Mnl. lichame, Os. lîkhamo + Ohd. lîhhamo, Ags. líchoma, Ofri. líkoma, On. líkami: saamgest. met lijk en *haam, Os. hamo + Ohd. id., Ags. homa, On. hamr, Go. hama = hulsel, kleed, gedaante, verwant met hemd. Een zw. verbogen vorm van lijk in Ohd. lîhhinamo (Mhd. lîchname, Nhd. leichnam) = *lîhhin-hamo.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

lief (zn.) lichaam; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) lief, Aajdnederlands lif <901-1000>.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

lichaam ‘lijk’ (bet. van Engels corpse)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

lichaam. Stoett (1932: 90) schrijft: “Men zwoer en vloekte bij al wat heilig was,” en hij citeert: bij al tgeen god almachtig aan zijn gebenedide lichaam mach hebben; bij goids lichaam gebenedijt. De betekenis van deze vloeken is duidelijk ‘bij alles wat God aan zijn lichaam heeft, bij Gods gezegende lichaam’. → Dionysius.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Lichaam (Os. lik-hamo). ’t Eerste lid lik is: gedaante, vorm, en leeft nog voort in lijk: de vorm van het lichaam, het vleesch zonder leven en ziel; en als achtervoegsel -lijk: mannelijk = de gedaante van een man hebbende. – Het tweede lid hamo is voor ons verloren gegaan; het bet. hulsel, vgl.: ’t Angelsaks. homa = hulsel, Got. gahamon = zich bekleeden en ons hemd (z. d. w.). Lichaam bet. dus: vleeschhulsel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lichaam ‘lijf’ -> Negerhollands lichaam, likam ‘lijf’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lichaam* lijf 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

106. Die zijn lijf (of zijn lichaam) bewaart, bewaart geen rotten appel,

d.w.z. men moet voor zijn gezondheid zorg dragen. In de 18de eeuw komt onze zegswijze voor bij Tuinman 11, 97: Die zyn lichaam bewaart, bewaart geen rotte appelen; I, 319: Die zyn lyf bewaart, bewaart geen rotte appelen. Hiernaast bij Halma, 550: Die zyn moeders kind bewaard, bewaard geen rotten appel, qui prend soin da sa propre person, ne prend pas un soin inutile; Harreb. I, 10; Boekenoogen, 21; fri. Dy 't syn lichem biwarret, biwarret gjin rottige apel.

894. Iemand het hemd van het lichaam vragen,

d.w.z. iemand geheel uitvragen; het uiterste, ook het allerlaatste willen weten; vroeger ook: sterk afdingen; in 't eng. to ask the shirt off a man's back; hd. jem. ein Loch in dem Leib (oder Bauch) fragen; fr. questionner qqn jusqu'à l'ourlet de sa chemise; fri. immen 't himd fen 't gat freegje. Vgl. Sartorius II, 6, 70: Hy vraeght een 't hemdt uyt den aers; zoo ook nog bij De Brune, 465; Paffenr. 74 en Tuinman I, nal. 19. Harrebomée I, 207 citeert: Hij vraagt mij het hemd van het gat; vgl. Draaijer, 12. Ook in het Nederduitsch: ên 'nt Hemd van de' Närs offragen (Eckart, 206). De Vlamingen zeggen hiervoor iemand het ei uit het gat vragen (Joos, 112); evenzoo in Twente: 't ei oet 'n eers of 't gat vroagen; bij Tuerlinckx, 711: iemand het hölleken uit zijn gat vragen; in Antw.: iemand den stront uit het gat vragen; syn. is: iemand het kruis uit zijne broek vragen (Ndl. Wdb. III, 1472); vgl. ook: iemand 't hart uit zijn buik vragen.

1381. Die zijn lichaam (of zijn lijf) bewaart, bewaart geen rotten appel.

d.i. men doet goed door voor zijn gezondheid te zorgen. Vgl. Tuinman I, 319: Die zyn lyf bewaart, bewaart geen rotte appelen; II, 97: Die zyn lichaam bewaart, bewaart geen rotte appelen; Harreb. I, 17; Boekenoogen, 21; fri. dy 't syn lichem biwarret, biwarret gjin rottige appel; Schuermans, 187: Die zien lief bewaart, bewaart gien douve (ijle, ledige) neut (te Roermond). Dee zen kneuk bewaort, bewaort gein rotte appele (MaastrichtBreuls, 84.).(Aanv.) Zie no. 106 en vgl. Froissart 457: Hij bewairt wel die sijn lijf bewairt.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut