Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lezen - (verzamelen, schiften; kennisnemen van schriftelijke tekst)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lezen ww. ‘verzamelen, schiften; kennisnemen van schriftelijke tekst’
Onl. lesen ‘verzamelen’ in thie liset her ze sich ‘die verzamelt hij bij zich’ [ca. 1100; Will.], ‘tekst lezen’ in wir that lesen offonbarliche ‘wij lezen dat duidelijk’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. lesen ‘oprapen, plukken, verzamelen; lezen, voorlezen, vertellen’ [1240; Bern.], lesen van ouden sagen ‘oude verhalen lezen’ [1265-70; CG II], eenen man die houd ... las ‘een man die hout sprokkelde’ [1285; CG II], rosen lesen ‘rozen plukken’ [1287; CG II].
Os. lesan ‘verzamelen, lezen’ (mnd. lesen); ohd. lesan, lesen ‘id.’ (nhd. lesen); ofri. lesa (nfri. leze); oe. lesan (ne. dial. lease); on. lesa (nzw. läsa); got. lisan; alle in eerste instantie ‘verzamelen’; < pgm. *lesan-. De betekenis ‘lezen’ ontstond alleen in het continentaal-West-Germaans (os./ohd/mnl.) en door betekenisontlening aan het Duits ook in het Oudnoords.
Verwant met: Litouws lèsti ‘oppikken’, lasýti ‘uitkiezen, uitzoeken’; Hittitisch less- ‘oprapen’; < pie. *les- ‘verzamelen, oprapen’ (IEW 680).
De West-Germaanse betekenisovergang van ‘verzamelen’ naar ‘tekst lezen’ is dezelfde als die van het Latijnse werkwoord legere, dat eveneens oorspr. alleen ‘verzamelen’ betekende, maar reeds in het klassiek Latijn ook ‘tekst lezen’. De reden van deze overgang in het Latijn is niet helemaal duidelijk. Men kan denken aan een overdrachtelijke betekenis van ‘verzamelen’, waarbij lezen = ‘verzamelen met de ogen’ of ‘in zich opnemen (oprapen) wat geschreven is’. De overgang in het Germaans is wrsch. geïnspireerd door die in het Latijn.
De Romeinse schrijver Tacitus vertelt over Germanen die houten staafjes rapen als vorm van wichelarij. Het gaat daarbij niet om runenstaafjes en de verklaring dat hierop de overgang van ‘verzamelen’ naar ‘lezen’ is gebaseerd (NEW), is dan ook onjuist. Bovendien is het werkwoord dat in Oudgermaanse teksten wordt gebruikt voor dat rapen van staafjes niet lezen maar → raden, dat pas later, en alleen in het Oudengels, de betekenis ‘lezen’ heeft ontwikkeld, in þas boc rædan ‘het boek lezen’ [888; OED] (Nieuwengels read).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lezen* [verzamelen (bv. van aren), lezen van schrift] {lesen 1236} oudsaksisch, oudhoogduits, oudengels lesan, oudfries, oudnoors lesa, gotisch lisan; verzamelen is de oorspr. betekenis, de tweede ontstond o.i.v. het niet-verwante latijn legere, dat zowel ‘verzamelen’ als ‘lezen van schrift’ betekende.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

Lezen

De oorspronkelijke en in enkele gevallen nog bestaande betekenisvan lezen is: verzamelen, bijeengaren. Nog spreekt men van: aren lezen en van: uitgelezen in de betekenis: uitgezocht, voortreffelijk.

De overgang van: verzamelen tot: letters ontcijferen is groot. Vroeger dacht men dat een tussenstadium was de betekenis: runenstaafjes oprapen. Maar ook in landen die sterk onder zuidelijke invloed hebben gestaan, komt lezen voor in de betekenis: letters overzien en in woorden omzetten. Daarom meent men thans dat de betekenisverandering zich heeft voltrokken onder invloed van het Latijnse werkwoord legere, dat ook betekende: verzamelen, daarna: kiezen en tenslotte: lezen, waarbij bedacht moet worden dat onder lezen aanvankelijk: voorlezen, voordragen werd verstaan. De leeskunst was in vroeger eeuwen natuurlijk nog zeer weinig verbreid.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lezen ww., mnl. lēsen ‘zamelen, uitkiezen, samenvouwen, lezen, opzeggen, onderwijzen, verhalen, studeren’, os. lesan ‘zamelen, oprapen, lezen, voorlezen’, ohd. lesan ‘zamelen, oprapen, lezen, vertellen, berichten’, ofri. lesa ‘lezen, voorlezen’, oe. lesan ‘zamelen, oprapen’ (ne. lease), on. lesa ‘zamelen’ (de bet. ‘lezen’ uit het mnd.), got. lisan ‘zamelen’. — lit. lesù, lesti ‘met de snavel oppikken’, aplasyti ‘opzoeken, uitkiezen’ (IEW 680).

De overgang van bet. ‘zamelen, oprapen’ > ‘lezen’ vinden wij eveneens bij gr. légein, lat. legere; het is dus denkbaar, dat in het Westgerm. het ww. lisan onder invloed van legere dezelfde bet. ontw. zou hebben doorgemaakt. — Er is echter aan te herinneren, dat ook bij de Germanen het lezen oudtijds een ‘oprapen’ was en wel in de tijd van het runenschrift. Tacitus Germ. 10 spreekt van het wichelen met runenstaafjes en zegt daarbij surculos ter singulos tollit. De runentekens op de aldus uitgekozen staafjes worden daarop gelezen en verklaard. — De andere germ. talen hebben op eigen manier het begrip ‘lezen’ uitgedrukt: het got. door siggwan, d.i. het op half gezongen toon voorlezen van evangelie-pericopen en oe. rædan (ne. read), on. rāða eig. het ‘raden’ nl. van de runentekens.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lezen ww., mnl. lēsen “zamelen, uitkiezen, samenvouwen, lezen, voorlezen, reciteeren, opzeggen (gebeden e.dgl.), onderwijzen, verhalen, studeeren”. = ohd. lësan “zamelen, oprapen, lezen, vertellen, berichten” (nhd. lesen), os. lësan “zamelen, oprapen, lezen, voorlezen”, ofri. lësa “lezen, voorlezen”, ags. lësan “zamelen, oprapen” (eng. to lease), on. lësa “id.”, later ook “lezen”, got. lisan “zamelen”. Gew. verklaart men de bet. “lezen” uit “runestaafjes oprapen”. Aangezien echter de bet. “lezen” in landen voorkomt, die sterk onder zuidelijken invloed hebben gestaan, en blijkbaar vóór de afscheiding van de Angelsaksen nog niet bestond, hebben wij veeleer aan directen invloed van lat. legere “verzamelen” en “lezen” te denken. De na “lezen” genoemde bett. zijn jonger, ’t Got. gebruikt siggwan “zingen” voor “(hardop) lezen”, het oude n.- en wgerm. woord voor “runen lezen” was oergerm. *rêðanan (zie raden): on. râða, ags. ræ̂dan (eng. to read) hebben deze bet. bewaard. Lezen = lit. lesù, lèsti “oppikken”. Verder worden nog hierbij gebracht russ. lásyj “snoepachtig” en ier. lestar, umbr. veskla, -u “vat”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lezen o.w., Mnl. lesen, Os. lesan + Ohd. id. (Mhd. lesen, Nhd. id.), Ags. lesan (Eng. to lease), Ofri. lesa, On. id. (Zw. läsa, De. lœse), Go. lisan. De algemeene bet. is verzamelen; daar de bet. lezen eerst in 't contin. Germ. voorkomt, is die waarschijnlijk te wijten aan invloed van het niet verwante Lat. legere, dat evenals Gr. légein, zoowel lezen als verzamelen bet.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

leze (ww.) lezen; Vreugmiddelnederlands lesen <1151-1200>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1lees ww.
1. Letter- of syfertekens of ander simbole waarneem, interpreteer en soms hardop uitspreek. 2. Braille met die vingers voel, interpreteer en soms hardop uitspreek. 3. Musieknote waarneem en interpreteer. 4. (elektronika) Data verkry vanaf of onttrek uit 'n datamedium d.m.v. aftasting en interpretasie. 5. Op grond van die waarneming van feite, toestande, leidrade, eienskappe of tekens aflei, interpreteer of begryp. 6. Bewoord of gestel wees.
In bet. 1 - 5 uit Ndl. lezen (Mnl. lesen). Bet. 6 is 'n leenbetekenis van Eng. read (1866). Eerste optekening in Afr. in bet. 1 in Patriotwoordeboek (1902).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

lees I: ’n vorm v. taal op skrif stil vertolk of hardop verklank; berispe (bv. iemand ’n les lees); versamel (vgl. bloemlesing); Ndl. lezen (Mnl. lesen, “uitkies; vertel; opsê, (voor)lees”), Hd. lesen, Eng. lease, Got. lisan, hou ondanks besware tog wsk. verb. m. Lat. legere, Gr. legein, albei “opraap, versamel”.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Lees ww. word dikwels in Afrikaans gebruik vir bybel lees, huisgodsdiens hou. – Boekenoogen 1336: “Lezen, bijbel lezen. Er wordt bij ons na ’et eten altijd ’elezen.”

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

lezen ‘schrift lezen’ (bet. van Latijn legere)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Lezen, oorspr. verzamelen, bijeenrapen (vgl.: aren lezen, bloemlezing). De Germanen sneden om de godspraak te vernemen letterteekens (runen) in beuken staafjes (boekstaven); de priester wierp ze op een wit kleed en ging ze dan „lezen”, d. i. verzamelen, bijeenrapen, om er de bet., n.1. de godspraak, uit te verstaan. Zoo verkreeg „lezen” (oorspr. dus: de runen lezen) later de bet. van letters lezen, en daardoor het geschrevene verstaan. Het Angelsaksisch had raedan (Eng.: to read), letterlijk: de teekens raden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lezen ‘opnemen van schrift’ -> Xhosa ukulesa ‘opnemen van schrift’ ; Ambons-Maleis lés ‘lezen; ook wel: bidden voor het eten’; Javaans lis ‘opnemen van schrift’; Kupang-Maleis lès ‘opnemen van schrift’; Menadonees lès ‘opnemen van schrift’; Rotinees les ‘opnemen van schrift’; Ternataans-Maleis lès ‘opnemen van schrift’; Javindo lesen ‘opnemen van schrift’; Creools-Portugees (Batavia) lees ‘opnemen van schrift’; Creools-Portugees (Ceylon) leis, lês, lez ‘opnemen van schrift’; Creools-Portugees (Malakka) les, leis ‘opnemen van schrift’; Mahican lesówu ‘hij/zij leest’ (uit Nederlands of Duits); Negerhollands lees, lēs ‘opnemen van schrift’; Berbice-Nederlands lesi ‘opnemen van schrift’; Papiaments lesa (ouder:leza) ‘opnemen van schrift, oplezen, voorlezen’; Sranantongo leisi (ouder: le(e)si) ‘lezen; voorlezen’; Saramakkaans lési ‘opnemen van schrift’; Arowaks alesedin ‘opnemen van schrift’; Karaïbisch resimary ‘opnemen van schrift’ ; Surinaams-Javaans lési ‘opnemen van schrift’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lezen* verzamelen (bv. van aren) 1100 [Willeram]

lezen* opnemen van schrift 1250 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1362. Iemand de les lezen,

d.w.z. iemand eene flinke berisping toedienen; mnl. enen onderwisen of enen ene lesse lesen, iemand eene vermaning of een voorschrift geven, hem iets voorschrijven; ook: iemand onder handen nemen, hem berispen. Onder les moet eig. verstaan worden de voorlezing van de wettelijke bepalingen in de kloosters of eene andere geestelijke vereeniging. Vgl. het ndl. en hd. einem den Tekst lesen, die Leviten lesen; verder einem eine Lection lesen, einem das Kapitel lesen en ndl. iemand kapittelen; mnl. enen die prime (eig. de eerste der getijden) lesen; Servilius, 209: Ick sal u uwen text lesen; De Brune, 129: Hy heeft zyn les hem wel ghezonghen. In de 17de eeuw: iemand de grammatica lezen (V. Moerk. 549 en Tuinman I, 80). In Limburg zegt men iemand de les oplezen (Welters, 101); in Friesland: immen it leksum lêze of immen it mannewaer (manuaal) opsizze (W. Dijkstra, 424 a); in Groningen: iemand de leks oplezen; in Zuid-Nederland: iemand zijnen struik (stamboom) uitleggen (Waasch Idiot. 638 a); iemand zijn eieren, zijn zaad, zijn zaligheidZie Brieven van Abr. Bl. I, 121., zijn acht zaligheden geven of zeggen (Waasch Idiot. 204 a; Schuerm. 877 a; De Bo, 1418; 't Daghet XII, 127); iemand zijn kapittel (of evangelie) voorlezen ('t Daghet XII, 187); iemand zijne zeven hoofdzonden opzeggen (Schuerm. Bijv. 126 a; Breuls, 92); iemand de les opzeggen, opspellen (Schuerm. Bijv. 223 b; Antw. Idiot. 756) of opleggen; iemand de les spellen (Joos, 73; Teirl. II, 208; Antw. Idiot. 756); iemand den boel opschuppen (Schuerm. 64 a). In Twente: eenen de getiden opzeggen of veurlèzen. Zie no. 1081; Ndl. Wdb. VIII, 1614; Villiers, 72; fr. faire la leçon à qqn; eng. to lecture a p.; to read some one a lecture.

1380. Kunnen lezen en schrijven,

van personen, doch meestal van zaken, uitnemend zijn, tegen alles bestand zijn, er alles mede kunnen doen. In de 18de eeuw komt de zegswijze voor bij Tuinman I, 340: Het kan lezen en schrijven. Dit zegt men van iets, om het te prijzen. 't Was in de oude tijden iets zeldzaams, dat men onder 't gemeene volk ymand vond, die lezen en schrijven konde; Harreb. III, 43; Molema, 242: Lezen en schrieven kennen, bekwaam zijn, geschikt zijn tot iets, b.v. van dieren, die loos zijn, ook van levenlooze dingen; Boekenoogen, 376: Dat jassie ken lezen en schrijven gezegd van een jas, die men lang heeft gedragen bij zijn (kantoor)werk: die jas kan meepraten, heeft heel wat beleefd; Waasch Idiot. 396: Met dien knecht kan ik lezen en schrijven, alle werk verrichten; fri. dy man dêr kin men mei lêze en skriuwe, hij is bruikbaar in vele dingen, inschikkelijk en hulpvaardig; myn nije spinwiele.... dêr kin 'k mei lêze en skriuwe, is gemakkelijk in 't gebruik (Fri. Wdb. II, 117); Prikk. II, 55: Mijn hoed die mag je raken, hoor, die kan lezen en schrijven.

2341. Pronken met een ander(mans) (of geleende) veeren,

d.w.z. mooi zijn met de kleedingstukken of sieraden van een ander; met het werk van een ander eer of roem verwerven; lat. alienis se coloribus adornare (Otto, 15). De zegswijze is ontleend aan de Aesopische fabel van de kraai (Phaedrus, 1, 3), die zich sierde met de veeren van den pauw (Vondel, War. d. Dieren, 48). Zie Hooft, Brieven, 509: Op de rest verstaa ik my eeven weinig met d'onervaarendsten in de titsigheeden van 't Hof; ende is derhalven benoodigt, met oneige pluimen te pronken; Sewel, 654: Met een anders veeren pronken, to strut with anothers feathers. Vgl. ook Tuinman I, 4; II, 8; Handelsblad, 15 Maart 1914 (ochtendbl.) p. 6 k. 3: Haast alle vogels prijken met geleende veeren op muzikaal gebied en de spreeuw is de knapste notendief van allen; afrik. hy pronk met anderman se vere; Wander I, 954: sich mit fremden Federn schmücken; fr. c'est le geai paré des plumes du paon, il se fait honneur de ce qui n'est pas à lui (Hatzfeld, 1759 b); eng. to adorn oneself with borrowed plumes; fri. mei in oarmâns fearren pronkje.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut