Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

levendig - (energiek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

levendig bn. ‘energiek’
Mnl. levendich ‘levend’, in die die doden levendich maect ‘die de doden levend maakt’ [1399; MNW-P], levendich ‘levend; energiek’ [1477; Teuth.].
Afleiding met → -ig van het bn. levende ‘levend’ [1240; Bern.], teg.deelw. van → leven.
Ohd. lebēntīg (nhd. lebendig).
De oorspr. betekenis van levendig is ‘levend’. Deze betekenis bestaat in het Duits nog steeds, maar is in het Nederlands sinds de 19e eeuw alleen nog gewestelijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

levendig* [beweeglijk] {levendich [levend, krachtig] 1399} oudsaksisch leƀindig, oudhoogduits lebēntig, oudfries liventich; afgeleid van het deelw. levend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

levendig bnw., mnl. lēvendich ‘levend’ (soms) ‘krachtig’, os. leƀindīg, ohd. lebentīg (nhd. lebéndig), ofri. livendig. — Een afl. van het verl. dlw. levend, die vooral in het taalgebruik van predikers en geestelijke dichters opgenomen werd en daardoor het oudere woord kwik 2 verdrong.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

levendig bnw., mnl. lēvendich “levend, (zelden) krachtig”. = ohd. lëbentig (nhd. lebéndig), os. lëƀindig, ofri. livendig “levend”. Een afl. van het deelwoord levend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

leveteg (bn.) levendig, energiek; Middelnederlands levendich <1399>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

leeftig, levetig, bn.: levend. Geen levetige ziel ‘geen levende ziel’. Samengetrokken uit levendig. Mnl. levendich ‘levend’. Ook D. lebendig heeft nog die oorspr. bet. ‘levend’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

leefdig, leeftig, levetig, bn.: levend. Nen leefdigen doo(d) ‘een levende dode’. Samengetrokken uit levendig. Mnl. levendich ‘levend’. Ook D. lebendig heeft nog die oorspr. bet. ‘levend’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

levendig ‘beweeglijk’ -> Russisch léventich, léventik ‘(van zeil) niet bol staand, maar klapperend, doordat de wind er slechts langs strijkt’; Negerhollands levendig ‘beweeglijk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

levendig* beweeglijk 1399 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut