Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

leven - (bestaan, niet dood zijn); (het bestaan, de levenswandel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

leven ww. ‘bestaan, niet dood zijn’; zn. ‘het bestaan, de levenswandel’
Onl. wrsch. al in ueelentemo, lees *leuanthemo (teg.deelw.) ‘levend’ [8e eeuw; LS], dan libbon ‘leven’ [10e eeuw; W.Ps.], leven [ca. 1100; Will.]; mnl. di wile dater mugte leuen ‘zo lang als hij zou leven’ [1200; CG II].
Daarnaast als zn.: mnl. leven in erlenget wart min leuen ‘mijn leven werd verlengd’ [1200; CG II].
Os. leƀon (mnd. leven); ohd. lebēn (nhd. leben); oe. lifian (ne. live); on. lifa (nzw. leva); got. liban; < pgm. *libēn-. Daarnaast staat pgm. *-liƀjan-, waaruit: os. libbian; ofri. livia, libba (nfri. libje); oe. libb(i)an. Als gesubstantiveerde infinitief ‘het leven’ verder alleen: mnd. leven; ohd. lebēn (nhd. Leben); en als jongere afleiding nog nfri. libben.
De wortel pgm. *lib- is de nultrap van *līb- < *leib-, zie → lijf. De pgm. *-b- (een bilabiale fricatief) is geen oorspr. Germaanse *-b- < pie. *-bh-, maar door grammatische wisseling ontstaan uit *-f- < pie. *-p-; op deze onderliggende *-f- wijst de presensstam pgm. *lif-nō-, waarbij on. lifna en got. af-lifnan ‘overblijven’.
Pgm. *leib-/lib- is dezelfde wortel als die in het sterke werkwoord *līban- ‘(over)blijven’ en het causatief *laibjan-, zoals in Engels leave ‘overlaten’; zie → blijven voor de Indo-Europese verwanten, waarbij bovendien nog Litouws lìpti ‘kleven’. De betekenis ‘leven’ is uitsluitend Germaans, maar kan semantisch goed met ‘blijven’ en ‘duren’ worden verbonden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

leven* [niet dood zijn] {oudnederlands libbon 901-1000, middelnederlands leven} oudsaksisch leƀon, oudengels libban, oudhoogduits leben, oudnoors lifa, gotisch liban (vgl. blijven). Voor de uitdrukking in het leven zijn [prostituee zijn] vgl. middelnederlands deerne van den levene [lichtekooi], dat lichte leven [het leven van een lichtekooi]. De uitdrukking een leven als een oordeel [een hels kabaal] betekent vermoedelijk een kabaal zoals dat heerst op de dag des oordeels.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

Leven

De vraag of het woord leven in de betekenis: geraas, lawaai hetzelfde is als leven in tegenstelling tot de dood, moet bevestigend worden beantwoord. Men moet denken aan bijbelse zegswijzen als: een hels leven, een leven als een oordeel, die eigenlijk betekenen: een leven zoals men in de hel leidt, een leven zoals er zal zijn, wanneer bij het laatste oordeel alle doden levend worden.

Sprekend over het laatste oordeel zegt Jezus (Mattheus 24:31): Hij (de Mensenzoon) zal zijn engelen met luid bazuingeschal uitzenden. Dan zal er dus veel leven zijn, in twee betekenissen. De zegswijze: er is geen leven in de brouwerij voor: er worden weinig zaken gedaan, heet te zijn ontstaan doordat Jan Steen op het verwijt van zijn vrouw dat hij de nering verzuimde, eenden in zijn zaak liet rondvliegen, zeggend: Zie je wel dat er ‘leven’ in de brouwerij is?

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

leven 1 ww. mnl. lēven, onfrank, libbon, os. leƀon, ohd. lebēn, ofri. libba, oe. libban, lifgan (ne. live), on. lifa, got. liban ‘leven’. — Alleen verwant lat. caelebs ‘ongehuwd’ (< *caivi-lib, vgl. kai- ‘alleen’), zo H. Collitz, Schwaches Prät. 81 en IEW 670. — De idg. wt. *leibh is een variant van *leip, waarvoor zie: blijven.

leven 2 znw. o. is de gesubstantiveerde infin. van leven 1, vgl. mnl. lēven, mnd. lēven, mhd. leben. Daarentegen kent het got. de afl. libains v. ‘leven’. — Zie ook: lijf.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

leven I ww., mnl. lēven. = onfr. libbon, ohd. lëbên (nhd. leben), os. lëƀon, libbian, ofri. libba, ags. libban, lifgan (eng. to live), on. lifa, got. liban “leven”. On. lifa beteekent ook “overblijven, achterblijven”. Dit ww. verdrong het idg. ww. voor “leven” (zie kwik II); door welke oorzaken, dat is onzeker; we zullen wel niet moeten aannemen, dat het ’t eerst in verbindingen als os. quik libbian “leven” gebruikt werd. Verwant met blijven.

leven II znw. o. De gesubstantiveerde infin. van leven I, die reeds mnl., ohd., mnd. als o. znw. voorkomt. Het Got. bezit een abstractum libains v. “leven”. Vgl. ook lijf.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

leven I ww. Semantisch zal men het verband met blijven moeten verklaren uit een opvatting ‘overblijven, overleven’ (in tegenstelling met de — op andere wijze voortlevende — afgestorvenen?). Deze verklaring is niet zo gezocht, dat men met Meringer WuS. 5, 149 vlg. uit behoeft te gaan een grondbet. ‘vet zijn’ (zie de bett. van de bij blijven genoemde woorden buiten het Germ.), waaruit ‘gezond zijn’ > ‘leven’. Het is dus ook niet nodig, met Collitz Schw. Prät. 81 vlgg. de verwantschap met blijven te verwerpen en aan te sluiten bij lat. cae-lebs ‘ongehuwd’ (< ‘alleen levend’). Intussen is C.’s etymologie ook mogelijk. Combinatie van de twee etymologieën, door idg. *leip- en *leibh- als wortelvarianten op te vatten, is ongewenst.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

leven 1 ono.w., Mnl. id., Onfra. libbon, Os. leƀon + Ohd. lebên (Mhd. en Nhd. id.), Ags. libban (Eng. to live), Ofri. libba, On. lifa (Zw. lefva, De. leve), Go. liban = overblijven, duren, bestaan, van denz. wortel als lijf en blijven. – Levensdraad zinspeelt op de Parken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

leve (ww.) leven, bestaan; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) laive, Aajdnederlands libbon <901-1100>.

leve (zn.) leven; Vreugmiddelnederlands leuen <1200>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

I. leven (met) (leefde, heeft geleefd), (ook:) 1. samenwonen (met). Ze leefde met haar moeder aan het Pad van Wanica (Verlooghen 23). - 2. sexuele omgang hebben (met). Ze leefde met een andere man als ik in het bos* was om te werken (Ferrier 1968: 164). - 3. in concubinaat leven (met). Het is een jongen van zeventien jaar, God mag het weten. En die gaat daar leven met zijn tante (Helman 1954a: 24). Bent U getrouwd? - Nee, ik leef (mond.) - Etym.: In veroud. (A)N ook bet. 2 en 3.

II. leven zn.: in het leven zijn (was, is geweest), niet meer bij haar moeder wonen, meestal met een man (gezegd van een vrouw). Ze was al jong in het leven, want bij haar thuis was altijd ruzie. - Etym.: In AN bet. deze uitdr. ’werken als prostituee’.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

leven (hij leve hoog) (Duits er lebe hoch); (het -- is een droom) (vert. van Spaans la vida es sueño); (het -- is kort, de kunst is lang) (vert. van Latijn vita brevis est, longa ars)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Het eeuwige leven (niet) hebben, (niet) onverwoestbaar zijn.

Het eeuwige leven zoals dat in de bijbel omschreven wordt, is dat wat een gelovig en goed mens na zijn dood in de hemel ontvangt. Vergelijk Matteüs 19:16, 'Nu kwam er iemand naar Jezus toe met de vraag: "Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?"' (NBV). Het is niet zeker of de bijbel het gebruik van de uitdrukking heeft beïnvloed. Wanneer van mensen wordt gezegd dat ze het eeuwige leven lijken te hebben of het eeuwige leven niet hebben, dan gaat het uitsluitend om het lichamelijke, aardse leven. Hetzelfde geldt voor voorwerpen, waarbij op hun duurzaamheid gedoeld wordt

Liesveldtbijbel (1526), Matteüs 19:16. Goede meester hoe moet ic wel doen, dat ic dat eewige leuen mocht hebben.
Het zijn ambities die onder Mandela weinig ruimte zullen krijgen, maar ook Nelson Mandela heeft het eeuwige leven niet. (NRC, mei 1994)
Ook voorwerpen van kunststof hebben niet het eeuwige leven. Afhankelijk van de samenstelling kunnen ze barsten, verkleuren, zweten of verpulveren. (NRC, mei 1994)

Het eeuwige leven beërven, de hemel verdienen.

Eens kwam er een rijke jongeling naar Jezus toe en vroeg hem: 'Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?' (Marcus 10:17, NBG-vertaling). Het eeuwige leven is hier: het koninkrijk Gods, het eeuwige verblijf in de hemel. De woorden worden ook wel overgedragen op niet-christelijke idealen. De NBV heeft de uitdrukking omgezet naar hedendaags Nederlands in de vorm 'om deel te krijgen aan het eeuwige leven'.

Statenvertaling (1637), Marcus 10:17. Goede meester wat sal ick doen, op dat ick het eeuwige leven be-erve? (Liesveldtbijbel (1526): dat ic dat leuen beerue.)
Heel goed denk ik te begrijpen dat juist degenen die het eeuwige leven wensen te beërven -- kloosterlingen en kluizenaars, en wie weet ook clochards en stadsnomaden -- zich terugtrekken uit de wereld, en zelfs uit hun lichamen, ter voorkoming van inbreuk van buitenaf op hun routines en riten die aan elke dag en aan ieder seizoen zoveel mogelijk een eigen onveranderlijk karakter dienen te verlenen. (N. Matsier, Gesloten huis, 1995 (1994), p. 262)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

leven. In het Middelnederlands werd ook een eed gedaan op het leven en lichaam van de mens. Het ijdel gebruik ervan maakt de formule tot vloek of uitroep. Overgeleverd zijn de formules sem min (mijn) leven; bi minen live; sem mijn lijf. Lijf, live kan hier zowel ‘leven’ als ‘lichaam’ betekenen. Daarnaast komen voor bi den levene; by leven; by lyven, waarmee myn lyfs gena ‘in de hoop op genade voor mijn leven’ en myns lyffs genade verwant zijn. Zie De Baere (1940: 166-167). In het hedendaags Nederlands komen nog voor heb je van mijn leven! ‘wel verdomme’ en al zijn leven! ‘verdomd’. → kiespijn, personeel.

E. Sanders (2000), Jemig de pemig!: de invloed van Van Kooten en De Bie op het Nederlands, Amsterdam

Leef met vlag en wimpel, maar hou het simpel

Een van de grootste Nederlandse leveranciers van vlaggen en vlaggenmasten is Limeta B.V. in Bodegraven. Dit bedrijf heeft het gezegde voor elk wat wils hoog in het vaandel staan, want je kunt er terecht voor banieren, bedrijfsvlaggen, gelegenheidsvlaggen, landenvlaggen, provincievlaggen, spandoeken, stadsvlaggen, verenigingsvlaggen en welkomstwimpels. Maar om de welkomstpagina op Internet een beetje overzichtelijk te houden, staat daar alleen, naast een hoge, sierlijk wapperende vlag:

Leef met vlag en wimpel,
maar hou het simpel:
Kies voor Limeta.

Leef met vlag en wimpel, maar hou het simpel — niet alle klanten van Limeta zullen hier een citaat uit het werk van Van Kooten en De Bie in herkennen. Uit het vroege werk, want de uitdrukking dateert al van 1974. Op 6 november 1974 was de eerste uitzending van het Simplisties Verbond op televisie te zien, maar de dag daarvoor stond de uitdrukking al in de Volkskrant, in een voorbeschouwing van Peter van Bueren. Van Bueren probeerde uit te leggen wat Van Kooten en De Bie met het Simplisties Verbond en het simplisme beoogden, maar echt duidelijk werd het niet. ‘Het simplisme is ingewikkelder dan het lijkt’, schreef hij, ‘het is niet zoiets als de simpelheid van het Ei van Columbus.’

Ook Van Kooten en De Bie mochten uitleggen wat ze bedoelden, maar dat schoot niet echt op:

Heer Kooten: ‘In vergelijking met de effecten van de klassieke sketch zoals wij die de laatste tijd toepasten is de vertekening in het Simplisties Verbond minimaal, met daardoor een maximaal bereik. Wij willen bestaande gekken tonen, het accent verleggen van dóén naar zijn. Een politiecommissaris die het woord alert uitspreekt als alurt is veel interessanter dan de domheid van de man die zegt dat 2 x 2 = 5. Begrijp je?’
Heer Bie: ‘En daarom: leef met vlag en wimpel, maar hou het simpel.’

De uitdrukking maakte deel uit van een reeks op rijm gezette mededelingen en leuzen, zoals ‘Niet content, Postbus 225, Purmerend’ en ‘Nederland gezond, het Simplisties Verbond’. Van leef met vlag en wimpel, maar hou het simpel werd echter ook een liedje gemaakt, dat als De verbondshymne op single werd uitgebracht. Het refrein luidt:

Mensen hou het simpel
Leef met vlag en wimpel
’t Scheelt per jaar een rimpel
Hou het leven simpel
Er blinkt nog zoveel voor de boeg
Sla beide handen aan de ploeg
En hou je wensen simpel
De helft is dik genoeg.

Wat Van Kooten en De Bie nu precies met het simplisme bedoelden werd ondertussen niet echt helder. Het Simplisties Verbond had weliswaar een beginselverklaring uitgegeven waarin in zes punten werd uitgelegd wat het simplisme beoogde (punt 4: ‘Het simplisme signaleert en bestrijdt zoveel mogelijk lulkoek’), maar tegelijkertijd hielden Van Kooten en De Bie het opzettelijk vaag. In vrijwel iedere uitzending vroegen zij in dat eerste seizoen: ‘Ja dat simplisme, wát is dat nu eigenlijk?’ En dan volgde een uitleg die de verwarring alleen maar groter maakte.

Ook journalisten bleven maar vragen wat het simplisme nu precies behelsde. Aan De Gooi- en Eemlander antwoordde Van Kooten in 1975:

Da’s niet zo simpel. Het afgelopen seizoen hebben Wim en ik getracht de goede en foute kanten van het simplisme zo volledig mogelijk te belichten. De mattenklopper over de negatieve kant, en welwillend begrip voor de positieve zijde. Simplisme is een nieuw woord, of een nieuw begrip, wat je wilt, en de mensen willen dat. In feite is iedereen op zoek naar iets, en men hunkert naar een nieuwe heilsleer.

Voor de goede orde: simplisme was geen nieuw woord, het bestond al zeker sinds 1931 in de betekenis ‘gemaakte eenvoud, te sterk vereenvoudigde voorstellingswijze’. Simplistisch is al in 1918 opgetekend, met als betekenis ‘eenzijdig, niet breder beschouwend, maar alles of te veel uit één beginsel verklarend’. Van Kooten en De Bie gaven vooral simplisme een eigen lading, maar die was zo vaag gehouden, dat dit uiteindelijk niets aan de oorspronkelijke betekenis heeft toegevoegd. Dat was trouwens al snel duidelijk. Al in 1979 zei Van Kooten tegen Panorama: ‘Eigenlijk is het toch hartstikke leuk, dat iedereen het woord simplisme gebruikt en niemand precies weet wat het is.’ Om vergelijkbare redenen hebben Van Kooten en De Bie-creaties als negaplisties, posiplisties, poenistisch en valsisme het nooit gehaald.

De uitdrukking leef met vlag en wimpel, maar hou het simpel leeft echter nog wél voort, in verschillende variaties. Zo presenteerden Ronald Giphart en Rob van Erkelens in 1994 een nieuw literair tijdschrift, Zoetermeer, met als motto: wij schrijven met vlag en wimpel, maar houden het simpel.

Ook onder voetballers schijnt de uitdrukking enige bekendheid te genieten. Zo schreef Het Parool in 1997:

Na de fenomenale traptechniek en het superieure inzicht was de derde constante in Ronald Koemans rijke carrière zijn herhaalde klacht dat hij in Nederland zo weinig respect kreeg. Hij was een voetballer van de ‘functionele techniek’ en de ‘blikseminslagen’ van de brille, die hem in staat stelden eenvoudig en doeltreffend te spelen. ‘Met vlag en wimpel, maar houd het simpel’, zoals hij Van Kooten en De Bie onlangs nog quootte.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Leven, van den Germ. wt. lib, Idg. lip = duren, voortbestaan, overblijven; verwant met blijven = be-lijven en lijf = oorspr. leven; vgl.: lijfrente en ’t Mnl.: „Si waren tsamen al haer lijf’ (= hun leven); later bet. lijf: het levende lichaam.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

leven ‘niet dood zijn’ -> Menadonees léwen ‘niet dood zijn’; Negerhollands leev, lēf, lif, leven ‘leven; levend; levensonderhoud’; Berbice-Nederlands lefu ‘niet dood zijn’.

leven ‘lawaai’ -> Fries leven ‘lawaai’; Ambons-Maleis leven ‘leven of rumoer maken’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

verwikkeling [het verwikkelen of verwikkeld-worden, moeilijkheid, geschil] (1831). Het woord verwikkeling wordt voor het eerst genoemd in de Handelingen van de Staten-Generaal uit 1831, waarin sprake is van “staatkundige verwikkelingen”. In 1898 schreef neerlandicus Jan te Winkel in het gedenkboek Eene halve eeuw 1848-1898 over nieuwe uitdrukkingen en woorden in het Nederlands: “Uitdrukkingen, die [Nicolaas] Beets op het Taal- en Letterkundig Congres te Rotterdam in 1865 nog als neologismen belachelijk kon maken, schijnen ons overoud, zooals zelfzucht (voor eigenliefde), het welslagen (voor “de goede uitslag”), verwikkeling (dat omstreeks 1830, maar toen nog slechts in de schrijftaal, is ingevoerd), persoonlijkheid (voor persoon), richting (voor partij), halfheid, enz. Ook adjectieven, als passend (voor gepast), onhoudbaar (voor onverdedigbaar), ongenietbaar (voor “geen genot opleverend”, terwijl het vroeger synoniem was van oneetbaar) en onbewust (voor onmerkbaar of ook voor onopzettelijk). Ook werkwoorden, als vergemakkelijken (voor “gemakkelijker maken”), beheerschen, gelden voor (voor “doorgaan voor”), in ’t leven roepen (voor “maken”), ergens in opgaan, enz. Onder de nieuwe modetermen rangschikte hij toen ook: geen idee van, geen sympathie voor iets hebben.”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

leven* niet dood zijn 0901-1000 [WPs]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

leven: bij het — (eig. ‘alsof zijn leven ervan afhangt’), in hoge mate; heel erg; zeer intensief, enthousiast. Voorbeeld: er werd gemusiceerd bij het leven. Informeel.

Want Duitsland vertrouw ik op het punt van degelijkheid volledig, maar Frankrijk absoluut niet — daar wordt gesjoemeld bij het leven. (Elsevier, 30/08/97)
Er wordt bij het leven selectief gelekt door het OM en advocaten. (Elsevier, 13/12/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2689. (Aanv.) Die het altaar bedient, moet van het altaar leven,

‘het is billijk dat de geestelijke een behoorlijk inkomen heeft - ieder moet leven van zijn beroep. Ontleend aan I Cor. 9, 13; Die den altaer steeds by zijn, deelen met den altaer; Scaecspel, 60: Mer wanttet wael redelic is, dattie ghene die den outaer dient, dat hi mede van den outaer leve, so mochten die Apostelen ende so mogen nu die Mendicanten wel hoor noottorfte eyschen ende nemen; Ndl. Wdb. II, 283; Harreb. I, 13; hd. Wer dem Altar dient, soll auch vom dem Altar leben; fr. le prêtre vit de l'autel.

481. Zijn leven hangt aan een zijden draadje,

d.w.z. zijn leven verkeert in groot gevaar; hij kan elk oogenblik het leven verliezen, hij is als het ware nog door een zijden, een dun draadje aan zijn leven verbonden. Reeds de Romeinen kenden de uitdr. tenui filo pendet (Otto, 136; Journal, 131); in het Grieksch zeide men εκ τριχος κρεμαται of ηρτηται, het hangt aan een haar. In de middeleeuwen vindt men bij ons in den Spieghel Hist. I6, 56, 51: Gheluc hanct bi enen drade cleene; Boëth, 54 a: Gheluc des meinschen an einen cleinen brooschen zijdraet ghehanghen es; in de 16de eeuw bij Symon Andriessoon (anno 1540), 50: Aen een zijden draet hanghen, dat is dat in perycul hangt oft dat nau oft periculoos staat. Zie verder Mnl. Wdb. VI, 1052; Suringar, Erasmus, no. LVI; V. Moerk. 379; Huygens VII, 55; Sewel, 190; Vierlingh, 92; 214; 299: Daer hanght soo ons welvaren ende lant aen een sijden draijken; vgl. het oostfri.: 't hangd an 'n siden drâd; het Friesch: syn libben hinget oan in siden tried; Wander I, 913: es hängt an einem Faden; 914: es hängt an eim seidin faden; eng. to hang by a (thin) thread; fr. ne tenir qu'à un fil(et); voor Zuid-Nederland zie Joos, 85; De Bo, 261; Teirl. 360.

1369. Men moet leven en laten leven,

volgens sommigen eene navolging van het hd. leben und leben lassen, dat het eerst door Wieland (1733-1813) gebruikt is, en daarna door Lessing, Möser en Goethe.Zeitschrift für D. Wortforschung, IX, 310. Bij ons komt de zegswijze evenwel reeds in de 17de eeuw voor (anno 1604Zie Ndl. Wdb. VIII, 1721 of Volkskunde XXIII, 87.); ook bij Tuinman II, 108 (anno 1727): ‘Men moet leven en laten leven, dit is een zeer regtmaatige stokregel in de menschelyke t'zamenleving en onderhandelingen; en in 't byzonder behoort dit tusschen verkoopers en koopers te zyn. Dan zal 'er geen bytende woeker, maar eene betaamelyke winst tot beider voordeel plaats hebben’; Sewel, 432: Men moet leeven en laaten leeven, all the world must live; Harreb. III, 43; Villiers, 72; Antw. Idiot. 1870: 'Ne mensch moet leven en laten leven; Teirl. II, 210: Ge moet leven en laten leven, men moet ook goed jegens een ander zijn, doogen dat hij ook leeft; Jong. 173: Ik zeg maar leve en late leve; O.K. 53: En daarom zeg ik nou: leven en laten leven; M. de Br. 211: Leven en laten leven, zegt Harpagon; A. Jodenh, 29: Leve en lááte leve; Handelsblad, 21 Sept. 1914 (avondbl.) p. 1 k. 2: Maar indien Duitschland werkelijk bereid is te ‘leven en te laten leven’, zullen wij zeker de smeulende vonk niet uitblusschen; fri. men moat libje en libje litte; oostfri. man mut läfen un läfen laten; fr. vivre et laisser vivre; eng. live and let live; Wander II, 1852: ‘Man muss leben und leben lassen, wo man dieses Wort mit der Moral übereinstimmend anwendet, enthält es das Gesetz der Bereitwilligkeit gegen andre. Sonst wird es wohl auch gebraucht, um zu sagen, man müsse zuweilen bei der ungesetzlichen Handlungsweise anderer ein Auge zudrücken, damit sie ein Aenliches in Beziehung auf uns thun möchten.’

1370. In het leven zijn,

d.w.z. een ontuchtig, licht leven leiden (van eene vrouw gezegd), op de baan loopen, banen, tippelen (Köster Henke, 69Vgl. Het Volk, 29 Mei 1915, p. 6 k. 4: Bij de buren werd geinformeerd of de juffrouw beneden ook tippelde. Zie Voorzanger en Polak, 307.). Vgl. Nachtkr. 99: Een vrouw die al jaren in 't leven was; Jord. II, 65; 66; 74; 184; enz. In de middeleeuwen kent men vrouwe van den levene, lichtekooi; in den leven sitten, een ontuchtig leven leiden; vgl. Leid. Keurb. 265, 104: Van den deernen, sittende in den leven; 253, 81: Man of wijf, die deernen in den leven houden; 100, 120: So wat vrouwe die van den leven sijn (Mnl. Wdb. IV, 437; VII, 1174). Hiernaast in het Mnl. in 't openbaar leven sitten, publieke vrouw zijn; vrouwen van lichten levene; Kiliaen: In tleven sitten, in prostibulo agere. Ook in 't plezierleven zijn (in Jord. II, 362). Vgl. fr. faire la vie, een slecht leven leiden; une femme de mauvaise vie, une fille de joie, een meisje van pleizier.

1371. Leven in de brouwerij,

d.i. ‘drukte, beweging, levendigheid, vroolijkheid (b.v. in een gezelschap), zelden in toepassing op vooruitgang in handelszaken. Volgens de legende afkomstig van den schilder Jan Steen, die in zijne verloopen brouwerij drukte aanbracht door er eendvogels te doen rondvliegen (zie Houbraken, Gr. Schoub. 3, 15)’; Ndl. Wdb. III, 1599; Lvl. 145: Zoo? gaat u uit eten? Komaan, d'r komt leven in de brouwerij; Lev. B. 165: Een krant voor onze buurt, om wat leven in de brouwerij te brengen; zoo ook bl. 167 en 171; Villiers, 73; fri. der komt wer libben yn 'e brouwerij; hd. Leben in die Bude bringen.

1372. Een leven (drukte of lawaai) als een oordeel,

d.w.z. een verschrikkelijk leven, een helsch lawaai; ook genoemd een leven van de andere wereld (o.a. Nest, 105); een heidensch, een Spaansch leven, een leven van den drommel, den duivel (Tuinman I, 289; II, 168; Halma, 184). Waarschijnlijk moet men er onder verstaan een leven zooals het op den jongsten dag, op den dag des oordeels, zal zijn; Ndl. Wdb. XI, 88-89; VIII, 1744; V. Schothorst, 166; De Amsterdammer, 20 Juli 1913, p. 1 k. 2: Een lawaai als op een oordeelsdag. De uitdr. komt in de 18de eeuw voor bij Van Effen, Spect. V, 206; VII, 24 en Halma, 312. Vgl. ook Tuerlinckx, 358: lawait lak in hel, in oordiel; De Bo, 241: doemdag houden, groot laweit maken, groot gedruisch maken; Schuerm. Bijv. 218 a: wat is dat hier toch een oordeel, wat is dat hier toch een lawaai! In Antw. een leven gelijk een oordeel of in 't laatste oordeel; Land v. Waas: een laweit van de duvels, van den anderen wereld; Teirl. II, 210: een leven van al de duvels. In de Zandstreek zegt men hij maakt een leven als een naslag (= het tweede of laatste slaan van het zaad; Boekenoogen, 658). In B.B. 80: Een leven als de Joden bij 't verwoesten van Jerusalem. Vgl. fr. un tapage d'enfer.

1373. Zoolang er leven is, is er hoop,

d.w.z. zoolang als een zieke nog leeft, is er hoop op beterschap; eene gedachte die de Romeinen uitdrukten door spes est dum anima est (Cicero) naast dum spiro spero, dat onze voorouders in de 16de eeuw weergaven door: Soo langhe alsser asem inden mensche is, isser hope aen, l'homme qui vit, n'est pas mort (Goedthals, 24). Zie verder Sartorius II, 4, 86: Soo langhe als men leeft, so langhe heeft men hoop; De Brune, 150:

Men hoopt zoo langh, hoe 't met ons staet,
Zoo langh in ons den azem gaet.

Tuinman II, 235: Zo lang' er noch leven is, is'er hope; Harreb. I, 332.

1869. Eten uit den pot van Egypte,

d.i. nog in het ouderlijk huis gevoed worden; voor zijn bestaan onbezorgd zijn, leven uit den korf zonder zorg (Waasch Idiot. 366 a), of zooals men in 't Friesch zegt fen de onbisoarge byt libje, eene herinnering aan den tijd, toen de Israëlieten bij de vleeschpotten van Egypte zaten, zich konden verzadigen met brood (Exod. XVI, 3) en te goed doen aan visch, die zij aldaar om niet aten, aan komkommers, meloenen, uien en knoflook (Num. XI, 5). Vgl. Zeeman, 187; Harreb. I, 175 b; Twee W.B. 121: Zoo stumper, zit nou maar is neer bij de potten van Egypte. Mot je een droppie?; De Arbeid, 15 Oct. 1913, p. 4 k. 1: En dan het pensioen niet te vergeten, waardoor de gemeente-arbeider, die gedurende zijn diensttijd al uit den pot van Egypte heeft gegeten, op zijn levensavond een onbezorgd bestaan kan leiden; Het Volk, 26 Febr. 1914, p. 1 k. 2: Klerikale baantjesjagers, die zeuren, omdat ze niet meer zitten aan de vetpotten van Egypte; Het Volk, 2 Febr. 1914, p. 5 k. 2: Mr. Tymen de Vries, die over de centen beschikte, terwijl Staalman het lef had, trok er gauw tusschen uit, toen hij zag dat het misliep en keerde tot de vleeschpotten terug, terwijl Staalman de affaire voortzette; fri. dat gjit út 'e pot fen Egypte; nd. nog ût de pot fan Aegypten eten, nicht für sich selbst sorgen brauchen.

2456. Op grooten voet leven,

d.i. op rijkelijke, ruime wijze leven; ook wel in scherts gebezigd voor: groote voeten hebben. Het is onnoodig voor de verklaring van deze spreekwijze te denken aan de in de 14de eeuw in Frankrijk voorkomende gewoonte der adellijke heeren om schoenen te dragen met lange spitsenZie Borchardt, no. 399; Wander I, 1301. In de 17de eeuw droeg men ook bij ons nog dergelijke tootschoenen (De Brune, Bank. II, 102).; zij laat zich veel eenvoudiger verklaren, wanneer men ‘voet’ opvat in den zin van wijze, die zich geleidelijk ontwikkelt uit dien van steunpunt, basis, grondslagVgl. Grimm IV1, 1006: Fusz: der stand den eine sache hat, die art und weise des seins, die als grundlage geltende bestimmung und einrichtung.; vgl. mnl. uptien voet, aldus; Kiliaen: Voet, modus, lex, conditio; op dien voet, eo modo, ea lege, ea conditione; Vondel, Jeptha, 922: op dien voet, op die wijze; Salomon, 797; afrik. hulle lewe op groot voet; het hd. auf groszem Fusze leben; fr. être sur un grand pied; être sur un bon pied, dans une bonne situation; ook être sur un bon pied avec quelqu'un, met iemand op goeden voet staanVgl. op een goed voetje staan met iem. in D.H.L. 39: 'k Sta nogal op 'n goed voetje met Willemien.; sur le pied de guerre, op voet van oorlog; au petit pied, in het klein, enz.; hd. auf gutem, vertrautem Fusze; etwas auf den alten Fusz bringen; ook in het eng. on the old, same footing; on a friendly, a good footing, en verder bij ons op goeden voet (Pers, 703 a; Janus, 199); op vertrouwden voet; op den ouden voet (Pers, 474 a; Hooft, Brieven, 167); op gelijken voet (Van Effen, Spect. V, 229); op (een) nieuwen voet (Com. Vet. 35); op (een) lossen voet (Van Effen, Spect. XII, 135; V. Janus, 3, 206); op denzelfden voet (C. Wildsch. I, 133); enz. enz. Vgl. fri. hy libbit op in greate foet, hij leeft op grooten voet; ironisch van iemand die buitengewoon groote voeten heeft en bovendien lompe schoenen draagt (W. Dijkstra II, 316 b); Huygens, Hofwijck, 2408: Dat's nu de kleine voet, het gebruik, de manier bij den geringen man; De Cock1, 139, alwaar vermeld zijn de syn. op een hoogen, een breeden voet leven; Schuerm. 825 a: iets op breeden voet aanleggen, op een breede schaal, in het groot; Antw. Idiot. 1392; De Bo, 1340 b; Tuerlinckx, 700: op goeie (of goen) voet zijn of staan, op den goeden weg zijn, veel kans hebben. Vgl. no. 1971; West-Friesl.: Hij kakt op 't groote huisie, leeft op grooten voet.

2654. Een mensch zijn zin, is een mensch zijn leven,

d.w.z. als men datgene doet, wat men aangenaam vindt, heeft men genoegen in het leven; wanneer men het ambt zijner keuze waarneemt, doet men dat met genoegen; vandaar: ieder moet weten waar hij trek in heeft; Ndl. Wdb. VI, 550. Vgl. Gruterus I, 115; De Brune, 340:

 Des mensches wil, 't zy arm of rijck,
 Dat is geheel zijn hemel-rijck.

Snorp. I, 27: Een mensch sen sinlickheyt is sen hemelrijck; Coster, 15, vs. 189; W.D. Hooft, Stijve Piet 2 r: Ien mensch syn sinlyckheit, seghme, is ien mensch syn hemelrijck; Tuinman, I, 231; 304: Ymands zinnelykheid is zyn hemelryk, dat wil zeggen, t' is ymands lust, vermaak en genoegen, wanneer hy 't naar zynen zin heeft; W. Leevend, I, 273: Een menschen zin is een menschen leven; C. Wildsch. IV, 303; Harreb. I, 302 b; Taalgids, V, 168; Ndl. Wdb. VI, 560; Waasch Idiot. 764: 's menschen zin is 's menschen leven; Wander, V, 241; hd. die Lust des Menschen oder des Menschen Wille ist sein Himmelreich (Wander III, 288); eng. a man's will is a man's heaven; my mind to me a kingdom is (Byrd); fri. in minske sin is in minske libben.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut