Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

leuterkous - (kletskous)

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

leuterkous: iemand die zonder ophouden praat; babbelaar; kletskous*. In de dichtwerken van De Génestet (19de eeuw) lezen we al: ‘Och nare leuterkousen. Je malen maakt me ziek.’ Samenstellingen met -kous zijn erg populair. Denken we ook aan: zemelkous, teutkous, slaapkous, sufkous, talmkous enz. Het werkwoord leuteren betekent ‘kletsen, zeuren, zaniken’. Synoniemen zijn o.a.: kletsmajoor*; kletsmeier*; lulhannes*.

Dat de bedoelde recensent een kruk was, een bevooroordeelde stumper, en in één woord datgene wat de jongelui van den tegenwoordigen tijd een leuterkous noemen. (De Nederlandsche Spectator, 1857)
Leuterkousen, klapeksters, kakelaars en kletsmajoors promoveren bij de omroepen het snelst. (Gerrit Komrij, Horen, zien en zwijgen, 1977)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut