Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

leuteren - (treuzelen; kletsen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

leuteren ww. ‘treuzelen; kletsen’
Mnl. loteren ‘schudden, heen en weer bewegen’ in diene lotert uor sine oren ‘als men die (een steen in een andre steen) heen en weer schudt voor zijn oor’ [1287; CG II]; vnnl. loteren, leuteren ‘treuzelen, weifelen’ [1599; Kil.], dat haer harssenen aen 't leutren raeken moghten ‘dat haar verstand verward zou kunnen raken’ [1623; WNT], een man ... beginnende te leuteren ‘een man die in de war begint te raken’ [1642; WNT]; nnl. leuteren ‘kletsen, zeuren’ in leuter dan niet, mijn Heer! ‘praat dan geen onzin, meneer!’ [1809; WNT].
Herkomst onbekend. Het woord is in een van de jongere betekenissen ontleend door het Engels als loiter ‘treuzelen, talmen’ [ca. 1440; OED], maar staat verder binnen de Germaanse talen geïsoleerd. De -eu- in open lettergreep, in het Middelnederlands meestal als -o- geschreven, moet ontstaan zijn door i-umlaut van korte u.
Leuteren zou dus gereconstrueerd moeten worden als pgm. *lutiran-, misschien verwant met het sterke werkwoord pgm. *lūtan- ‘zich buigen’, waaruit: oe. lūtan (ne. lout); on. lúta (nzw. luta); daarbij ook pgm. *lūtēn-, *lūtōn-, *lutōn- ‘zich verschuilen’, waaruit: ohd. lūzēn (mhd. lūzen); oe. lūtian, lotian (me. loten). Zie → leut 1 ‘pret’.
De oorspronkelijke, in het Middelnederlands nog gewone betekenis van dit woord was ‘loszitten, heen en weer bewegen’, met name van iets binnenin een hol voorwerp. Overdrachtelijk kon het ook leuteren in het hoofd van iemand die treuzelde, talmde, kletspraat uitte e.d., en ten slotte kon ook zo'n persoon zelf leuteren. De eerdere betekenissen zijn daarna verouderd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

leuteren* [los zitten, waggelen, kletsen] {loteren, leuteren [schudden (overgankelijk), los zitten, waggelen] 1287, leuteren [kletsen] 1809-1810} wel verwant met lodderenlammelot.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

leuteren ww. (verouderd, Z.-Nl.) ‘los zitten, waggelen talmen, treuzelen; kletsen, zaniken’, mnl. lōteren ‘los zitten, waggelen; (trans.) schudden, wiegelen’, Kiliaen loteren, leuteren ‘talmen, uitstellen; bedriegen’. — Indien men uitgaat van een betekenis ‘los zitten, heen en weer waggelen’, dan kan men verband leggen met de groep van liederlijk en lodder. — Vgl. ook on. slota ‘omlaag hangen, werkeloos zijn’, nhd. dial. schlossen ‘slap worden, dooien’ en on. slūta ‘omlaag hangen, lui zijn’ (IEW 963). — Mogelijk ontleend in het ne. als loiter (sedert de 14de eeuw, vgl. Bense 191).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

leuteren ww. Kil. loteren, leuteren “morari, differre, negligenter agere, cunctari”. Kil. identificeert hiermee terecht loteren, leuteren “fallere, decipere”. Mnl. (ook Kil.) lōteren beteekent “schudden” (trans.), later komt ook de intr. bet. “los zitten, heen en weer gaan” voor. Zoo’n grondbet. is voor ’t eerstgenoemde ww. niet wsch. met het oog op ags. lot o. “bedrog”, lytig “listig, handig, bedriegelijk”, got. luton “bedriegen”, die men weer combineert met got. liuts “huichelachtig”, on. ljôtr “wreed, boosaardig”, (ofri. *liât “leugenachtig” is ten onrechte aangenomen), on. lûta, ags. lûtan “zich buigen, vallen”, lûtian “zich verschuilen, loeren”, mhd. lûӡen “id.”. Mnl. lōteren “schudden” enz. kan wel hiermee verwant zijn, als wij van de ruime wortelbet. “in onvaste beweging zijn of brengen” uitgaan. Men combineert wel ksl. luditi “bedriegen”, ludŭ “dwaas”, lit. liûdżù, liûdéti “treurig zijn”, sommigen ook ier. lott “verwoesting”, kymr. lludded “moeheid”. Met het oog op de ruime bet.-sfeer van de woordfamilies van ar II, dwaas, bijster e.dgl. zijn al deze combinaties niet onmogelijk. Eng. to loiter “talmen” wordt wel uit ndl. leuteren afgeleid.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

leuteren. Alle jongere bett. laten zich gevoeglijk uit die van mnl. lōteren ‘schudden, heen en weer gaan, wankelen’ afleiden, ook wel de door Kil. vermelde bet. ‘fallere, decipere’. Deze laatste bet., die nergens anders voorkomt, zal eerder secundair dan oud zijn: de combinatie met ags. lot o. ‘bedrog’, got. luton ‘bedriegen’ overtuigt daardoor niet zo onmiddellijk, al blijft ze mogelijk door van een ruime grondbet. uit te gaan als de in het art. veronderstelde: ‘in onvaste beweging zijn of brengen’. — Gemakkelijker laat zich met ags. lot enz. verenigen zuidndl. holl. leut(e) ‘grap, pret’.
Ofri. liât ‘leugenachtig’ behoeft niet te worden betwijfeld: vgl. ook leinliâtig ‘id.’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

leuteren ono.w., Mnl. loteren + Oostfri. leuteren, Meng. loitren (Eng. to loiter), van wrt. leut = waggelen als een kunstenmaker.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

leuteren ‘kletsen, treuzelen, talmen’ -> Engels loiter ‘lanterfanten, beuzelen; treuzelen; rondhangen’; Schots lowder; louther ‘lanterfanten; zich moeizaam voortslepen, onhandig of lui bewegen’; Frans litorne ‘kramsvogel, dubbele lijster (die bekend stond om zijn gelanterfanter)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

leuteren* kletsen 1809 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut