Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

leunen - (steunen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

leunen ww. ‘steunen’
Mnl. lenen [1240; Bern.], an enen boem lenende ‘tegen een boom leunend’ [1287; CG II], luenende aen enen boom ‘leunend tegen een boom’ [1439; MNW].
Leunen is oorspr. een gewestelijke vorm (Holland, Utrecht, Noord-Brabant), naast ouder en wijder verbreid lenen. Dat juist leunen standaardtalig is geworden, is wrsch. veroorzaakt om verwarring te vermijden met het homoniem lenen ‘tijdelijk in gebruik nemen of geven’, zie → leen, en door analogie van het synoniem → steunen 1.
Os. hlinōn; ohd. (h)linēn (nhd. lehnen, hieraan ontleend nde. læne); nfri. lynje; oe. hleonian (ne. lean); < pgm. *hlinōn-, *hlinēn-.
Verwant met: Latijn -clīnāre ‘hellen’, zie → declinatie; Grieks klī́nein ‘hellen, steunen; neigen’, zie → climax, → enclise; Sanskrit śráyati ‘leunt’; Litouws šliẽti ‘steunen’; Russisch sloj ‘laag, niveau’; Oudiers clōin ‘scheef’; Armeens learn ‘berghelling’; < pie. *ḱlei- ‘steunen’ (IEW 601-602, LIV 332). Ablautend hierbij ook → ladder.
leuning zn. ‘arm- of rugsteun aan een zitmeubel; balustrade’. Mnl. leninge ‘balustrade’ [1493; MNW]; vnnl. leuning “steunsel” [1654; Meijer appuy], de leuningen op palen van een beestemerckt ‘de afzettingen (dwarsbalken op palen) van een beestenmarkt’ [1659; WNT], ‘armsteun aan een zitmeubel’ in een Leuningh-stoel met leuninghen [1660; WNT]. Afleiding van leunen met → -ing.
Lit.: Schönfeld, par. 44a

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lenen2* [steunen op, tegen] {1201-1250} nevenvorm van leunen.

leunen* [steunen op, tegen] {luenen 1439, naast lenen 1201-1250} met ontwikkeling van e > eu als in rese > reus, oudsaksisch hlinon, oudhoogduits (h)linēn (hoogduits lehnen), oudengels hleonian; buiten het germ. latijn -clinare [neigen], grieks klinein [(doen) leunen], oudiers clóen [scheef], litouws šlieti [leunen], oudindisch śrayati [hij doet leunen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

leunen naast verouderd en dial. lenen, mnl. lenen, loenen, leunen ‘steunen, leunen tegen; doen leunen’, os. hlinon, ohd. hlinen, linen (nhd. lehnen), oe. hlinian, hleonian ‘leunen’. Daarnaast het causatief mnl. leinen, ohd. hleinen, leinen, oe. hlænan (ne. lean). Vgl. ook nijsl. hleinn ‘vooruitspringende rots’, nnoorw. dial. lein ‘helling’ en got. 2de nv. mv. hlaine ‘der heuvels’. — Idg. wt. *ḱlei ‘zich neigen, leunen’, vgl. lat. clīnō ‘buigen, neigen’, gr. klínō ‘neigen, aanleunen’, oiers clōin, clōen ‘scheef, met kromme rug’, lit. šliejù, šliẽti, lett. sleju, slìet ‘aanleunen’, oi. šráyati ‘leunt’ (IEW 600-2). — Zie: ladder en lid 2.

De vorm leunen, vroeger meestal als o-umlaut verklaard, vertoont dezelfde overgang van e > eu als reus en de dial. vormen geune, veul, speulen, zeuven, die men aan de invloed van omringende medeklinkers toeschrijven wil. Wat leunen aangaat, is deze ronding vrijwel algemeen, alleen in het Zuidnl. taalgebied bevinden zich enkele gebieden met de vorm lenen (zie kaart bij van Ginneken, Taaltuin 1, 1932-3, 287). De vorm leunen schijnt zich van het Oosten en Noorden te hebben verspreid; het grote succes kan te danken zijn enerzijds door invloed van steunen, anderzijds door de wens dehomonymie met lenen 1 te vermijden (v. Ginneken, Taaltuin 2, 1933, 125).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

leunen ww., archaïstisch en dial. lenen, mnl. lēnen, lȫnen (met o-umlaut, evenals ghȫne naast gene, reus e.dgl.). = ohd. (h)linên (nhd. lehnen), os. hlinon, ags. hlinian, hleonian “leunen”. Hiernaast het causativum mnl. leinen (niet meer bepaaldelijk transitief; evenzoo is lēnen, lȫnen niet meer alleen intrans.) = ohd. (h)leinen, ags. hlœ̂nan (eng. to lean) “doen leunen”. Van de idg. basis ḱli- “leunen, vlijen” met een oorspr. alleen praesentische n; vgl. vooral lat. clîno “ik buig” (op de quantiteit van de i na = leunen), gr. klínō (*klinjō) “ik buig, leg tegen”, lett. slënu, slët “leunen, vlijen”, maar lit. szlëjù, szlë̃ti “id.”; verder oi. çráyati “hij legt tegen”. Van deze basis in al de genoemde taalgroepen menigvuldige afll., bovendien nog in ’t Kelt.: o.a. ier. cloen “scheef, slecht”. Zie ladder, lid II. Met n-formans nog in ’t Germ. got. hlains m. of hlain o. “heuvel” (formeel = ier. cloen), on. hlein v. “rust”, hleina “zich rust verwerven”, mnl. lēne, lȫne v. “stut, leuning” (nog dial.), ohd. lina (nhd. lehne) v. “id.”. De basis ḱli- is een verlenging van ḱel-. Zie hellen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

leunen. Over de z.g. ‘o-umlaut’ zie bij gene Suppl. Bij leunen komt deze ronding over vrijwel het gehele ndl. taalgebied voor; ongeronde vormen in het uiterste Zuiden (kaart bij v.Ginneken Taaltuin I, 287). Wellicht is het rijmende steunen hierbij van invloed geweest; in de beschaafde taal en in diall. waar ē en ê waren samengevallen, kan ook de lastige homonymie met le[e]nen de eu-vorm hebben bevorderd: vgl. v.Ginneken Taaltuin 2, 125.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

leunen ono.w., Mnl. lenen, Os. hlinon + Ohd. hlinên (Mhd. lenen, Nhd. lehnen), Ags. hlinian: van den zw. graad van Germ. wrt. hli, terwijl Ohd. hleinen (Mhd. leinen), Ags. hlǽnan. Go. hlains ( = heuvel) van den st. graad + Skr. wrt. çri, Arm. linim, Gr. klínein, Lat. clinare = neigen, Oier. cloen = scheef, Lit. szlënù = ik leun: Idg. wrt. klei̯.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

lenen, ww.: leunen. Mnl. lenen > Ndl. leunen. Os. hlinon, Ohd. (h)linên, Mhd. linen, lenen ‘leunen, steunen’, D. lehnen, Oe. hleonian, hlinian, E. to lean. Verwant met Lat. clinare, Gr. klinein ‘buigen, neigen’. Idg. *klei- ‘neigen, leunen’, uit wortel *kel- ‘neigen’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

leun: rus teen; steun op; Ndl. leunen/(veroud. en dial.) lenen (Mnl. lenen/loenen/leunen), Hd. lehnen, Eng. lean (eint. kous.), verb. m. Lat. clinare, “buig, neig”, Gr. klinein, “aanleun, neig” (v. verder dVri J NEW).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Ladder, leer, verwant met leunen, van den Germ. wt. hli, Voorgerm. kli = een schuinen stand hebben, hellen; vgl. ’t Gr. kli-max = ladder.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

leunen ‘steunen op of tegen’ -> Negerhollands lee ‘steunen op of tegen’; Papiaments lèn, len, lènt (ouder: leun, leen) ‘steunen op of tegen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

leunen* steunen op of tegen 1439 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1831. Op de pit leunen

beteekent klaploopen; in de tooneeltaal: voorschot op tractement vragen, nl. aan het donkere kantoortje in den voormaligen Stadsschouwburg te Amsterdam, waar altijd een lamp brandde; maar ook: over de lamp van den souffleur gebogen zijn, ieder woord afwachten, op den souffleur spelen, pittenWoordenschat, 927; De Telegraaf, 2 Juli 1914 (avondbl.), p. 7 k. 5. De laatste beteekenis zal wel de oorspronkelijke zijn.; vgl. M.z.A. 97: Kerel! je moet mij uit den brand helpen; ik moet op de pit leunen, - 'k heb geen cent meer in huis; doe jij me pleizier en maak, dat ik voorschot krijg; De Amsterdammer, 8 Nov. 1914, p. 7 k 1: Hoewel ze geen bliksem van hun rol kenden en bar op de pit leunden; Handelsblad, 5 Januari 1920 (A), p. 1 k. 4: We spelen vanavond ‘Rooie Sien’ deelde men ons mede en al zullen de invallers ook op de pit moeten leunen, we spelen; 26 Mei 1918, p. 6 k. 5: ‘Pitten’ jongmensch, legt de eerste acteur uit ten behoeve van zijn minder goed ingelichten collega, ‘pitten’, jongmensch, is het vermoeden hoe je rol wel zou kunnen wezen en voor de rest drijven op den souffleurEr is ook een ww. pitten, slapen, in soldatentaal; zie D.v.S. 55; 114; 144.; Onze Volkstaal III, 254: Op de pit leunen, ieder woord van den souffleur afwachten. Zie no. 1322. (Aanv.) Handelsblad 1 Juni 1924 (O) p. 9 k. 1: Vooral acteurs, die op de pit spelen, hebben er een handje van woorden te zeggen, die niet in hun rol staan.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

k̑lei- ‘neigen, lehnen’; vielfach von angelehnten Stangen (daher Zelte mit Stangengerippe; Sattelstangen), Leitern, leiter- oder gitterartigen Holzkonstruktionen, andrerseits von Berglehnen, Hügeln u. dgl., k̑lei-tu-s f. ‘Abhang’, k̑lei-trā ‘Stangengerippe’, k̑lei̯o-s, k̑li-tó-s ,angelehnt’, k̑li-ti-s ‘Neigung’, k̑lei-u̯o-s, k̑loi-u̯o-s ‘Hügel’, k̑loi-no-s ‘schräg’.

Ai. śráyati ‘lehnt, legt an’, śráyatē ‘lehnt sich an, befindet sich’, śritá- = av. srita- (: sray-) ‘gelehnt’;
av. sray-, srinav-, srinu- ‘lehnen’ (vgl. gr. κλινι̯ω);
arm. leaṙn, Gen. leṙin ‘Berg’ (*k̑leitr̥no-??);
unsicher arm. linim ‘werde, entstehe, geschehe, bin’ (vgl. ai. śráyate ‘befindet sich’);
gr. κλί̄νω, lesb. κλίννω (*κλῐνι̯ω) ‘neige, lehne an’ (Fut. κλῐνῶ, Perf. κέκλιμαι), κλιτός ‘gelegen’, κλίσις ‘Neigung’, κλισία f. ‘Hütte, Zelt’, δικλίδες ‘zweiflügelige Tür’, κλί̄νη ‘Bett’, κλιντήρ, κλισμός ‘Ruhebett’, κλῑτύ̄ς (lies κλειτύ̄ς, Herodian.) f. ‘Abhang, Hügel’ (hellen. κλῖτος, κλίτος ‘Hügel’), κλίμα n. ‘Neigung, Gegend, Weltgegend’, κλῖμαξ f. ‘Leiter’;
lat. clīnō, -āre ‘biegen, beugen, neigen’ (erst zu den Kompositis neugebildet und thematische Umbildung eines *klī̆-nā-mi), acclīnis ‘angelehnt’, triclīnium ‘Speisesofa’, cliēns, -tis ‘der sich Schutzes halber an jemanden Anlehnende, Höriger, Klient’, clēmens ‘milde, sanft’ (*k̑léi̯omenos?); clītellae ‘Saumsattel, Packsattel für Esel und Maultiere’ (von den gegeneinander gelehnten Sattelstangen), Deminutiv eines *k̑leitrā = umbr. kletram ‘feretrum, lecticam’ (und got. hleiþra f. ‘Zelt’); clīvus ‘Hügel’ (= got. hlaiw n. ‘Grab’), clīvius ‘schief = unglücklich, von Vorzeichen’;
mir. clē, cymr. cledd, bret. kleiz, corn. cledh ‘link, unglücklich’ = ‘schief’ (*k̑lei̯os), mir. fo-chla, cymr. go-gledd ‘Nord’; mir. clen ‘Neigung’, Wunsch’ (: cymr. dichlyn ‘wachsam’ aus *dī-eks-klin-, Loth RC 42, 87 f.);
air. clōin, clōen ‘schief, krummrückig’; gallorom. *clēta ‘Hürde’, mir. clīath ‘crates’, cymr. clwyd ‘Hürde, Barriere’, acorn. cluit gl. ‘clita’, bret. kloued-enn ‘Hag’ (k̑leito-, -tā); dazu acymr. clutam ‘haufe auf’, clut, ncymr. clud ‘Haufe’ (*k̑loi-tā); mir. clēthe n. ‘Dachbalken, Dach’, schwundstuf. cymr. cledr-en ‘Sparren, Latte, Zaun’ (*k̑li-trā = mir. clethar ‘Stütze’), mbret. clezr-en, nbret. klerenn ‘pièce principale de la claie’ (ablaut. mit umbr. kletram, lat. clītellae, got. hleiþra und ahd. leitara);
ahd. (h)linēn ‘lehnen (intr.)’, asächs. hlinōn, ags. hlinian, hleonian (*hlinēn) ds.; ahd. hlina ‘reclinatorium’, ags. hlinbedd, hlinung ‘Lager’, ahd. hlinā ‘cancelli’; Kaus. ahd. (h)leinen, ags. hlǣnan ‘lehnen (tr.)’; got. hlainē Gen. Pl. ‘der Hügel’, nisl. hleinn ‘Felsvorsprung’, norw. dial. lein f. ‘Halde, Abhang’ (: lett. slains); got. hlaiw ‘Grab’, urnord. hlaiwa ds., ahd. as. hlēo ‘Grabhügel, Grab’, ags. hlāw ‘Grabhügel, Grabstein’(= lat. clīvus); got. hlija m. ‘Zelt, Hütte’; ahd. (h)līta, nhd. Leite ‘Bergabhang’, aisl. hlið f. ‘Abhang, Berghalde’ (vgl. gr. κλειτύς, lit. šlaĩtas); aisl. hlið f. ‘Seite’, ags. hlīð n. ‘Halde, Hügel’ (: κλίτος, lit. šlìtė); got. hleiþra ‘Hütte, Zelt’ (s. oben zu lat. clītellae usw.); ahd. (h)leitara ‘Leiter’, ags. hlæd(d)er ds.; ags. -hlīdan ‘bedecken’, hlid n. ‘Deckel, Tür’, ahd. lit ‘Deckel’ (nhd. Augenlid), aisl. hlið ‘Tür, Gattertür’, got. hleiduma ‘linker’; d-Präsens vielleicht in aisl. *hlīta (*k̑lei-d-) ‘vertrauen auf, sichzufriedengeben mit’;
lit. šliejù, šliẽti (älter žem. šlejù = ai. śráyati =) lett. sleju, slìet ‘anlehnen’, dazu lit. šlýti ‘zur Seite sinken’, su-šlìjęs ‘sich neigend’, Kausat. nu-šlajìnti ‘umkippen’; Nomina: lett. slejs m., sleja f. ‘Strich’; apr. slayan n. ‘Schlittenkufe’, Nom. Pl. slayo ‘Schlitten’, lit. šlãjos f. Pl. ds.; at-šlainis m. ‘Erker’, lett. slains ‘wo man einsinkt’, lit. šlaĩtas m. ‘Abhang’, šlýna f. ‘Lehm’, at-šlaĩmas m. ‘Vorhof’; lett. slita f. ‘Zaun’, lit. žem. pã-šlitas ‘schief’ (= ai. śritá-, gr. κλιτός); lit. šlìtė, šlitìs f. ‘Garbenhocke’ (: gr. κλίσις), alit.šlitė ‘Leiter’; lit. šleivas ‘krummbeinig’ (vgl. lat. clīvus ‘Abhang’), ablaut. šlivìs m. ‘krummbeinige Person’; zu den Reimwörtern lit. kleĩvas, klývas ‘krummbeinig’ s. unter (s)kel- ‘biegen’; anders Specht Idg. Dekl. 130, 3171;
slav. *slojь ‘Schicht’ (*k̑loi̯o-s) in sloven. slòj ‘Schicht, Lager’, russ. čech. sloj ds.; vgl. formell oben apr. slayan n. ‘Schlittenkufe’.
Über die höchst zweifelhafte Zugehörigkeit von abg. usw. klětь ‘Gemach, Zelle’ (lit. klė́tis ‘Vorratshäuschen, Schlafgemach für Mädchen’ ist slav. Lw.) unter Annahme von westidg. Gutt. s. Berneker 517 f.

WP. I 490 ff., WH. I 231 f., 233, 234 f., 236, Wissmann Nom. postverb. 144 f., Trautmann 308 f., Loth RC 42, 87 f., Vendryes RC 46, 261 ff.Erweiterung von k̑el-2 ‘neigen’; s. auch unter (s)kel- ‘biegen’.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal