Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

leuk - (amusant; knap; aangenaam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

leuk bn. ‘amusant; knap; aangenaam’
Nnl. leuk ‘kalm, bedaard’ in gelijk een muis ... zoo leuk ‘zo stil als een muis’ [1709; WNT], geen rusie ... houje altoos leuk [1734; WNT verkreuken], ‘lauw’ in leuk water en zout [1810; WNT], ‘vrolijk, amusant’ in leuk en vermakelijk [1886; WNT Aanv. raisonneur], een leuke vent “een schalk” [1897; Koenen], leuk ‘aantrekkelijk, knap, charmant’ [1984; Van Dale HN].
Herkomst onduidelijk. Algemeen wordt aangenomen dat dit woord samenhangt met → lauw, maar de fonologische en morfologische relatie is onduidelijk. Gewestelijke varianten zijn o.a.: Gronings lūk ‘bedaard, slim’, Veluws luekes ‘onnozel, dom’, Achterhoeks lükes (FvW); de klinker of onderliggende klinker ū in deze varianten correspondeert niet met die in leuk.
Bij de stamklinker -ū- wrsch.: nnd. lūk ‘lauw, flauw, kalm’; nfri. (vero.) lûk ‘sluw, slim’; me. luke warm ‘lauw’ (ne. lukewarm).
Op grond van de verwante Germaanse woorden is de oorspr. betekenis wrsch. ‘lauw, halfwarm’. Deze is in het Nederlands echter slechts zeer sporadisch geattesteerd. Wel algemeen gangbaar, vooral in de 19e eeuw, was de betekenis ‘kalm, bedaard’, die nog herkenbaar is in de samenstellingen doodleuk en leukweg ‘kalm, nuchter, onverschillig’. Deze en de huidige betekenissen zijn wellicht op onvoorspelbare wijze ontstaan in studenten- of jongerentaal, zoals in de 20e eeuw bijv.gaaf en → onwijs.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

leuk* [aardig] {1709 in de betekenis ‘doodkalm’; de huidige betekenis 1898} de oorspr. betekenis, die nog in dialecten voorkomt, was ‘lauw’; de betekenis ontwikkelde zich van ‘lauw’ via ‘traag, flegmatiek’ tot aardig, vgl. oostfries luk [lauw, rustig, onverschillig], engels luke, (= lukewarm), van dezelfde stam als lauw1, lui3, lij. In de uitdrukking zich leuk houden [zich stil houden] {1709} betekent leuk nog ‘lauw’.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

Leuk

De oorspronkelijke betekenis van leuk is: halfwarm, lauw. Het Engels kent: lukewarm, waarin het woord leuk duidelijk te herkennen is. Men sprak vroeger van ‘leuk water met zout’ als geneesmiddel. Op personen toegepast kreeg het de betekenis: de zaken kalm beschouwend, rustig-ironisch. Die zin heeft het woord nog in de zegswijze: zich leuk houden, waaronder verstaan wordt: zich van de domme houden, doen alsof men van niets weet. In deze uitdrukking zit al iets van de betekenis die het woord daarna krijgt: grappig. Ook in de samenstelling: leukweg die betekent: op doodkalme wijze en ook: bij de neus langs, schuilt het element van grappenmakerij dat langzamerhand de andere betekenissen is gaan overheersen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

leuk 3 bnw. ‘lauw; doodkalm; aardig, grappig’, vgl. nnd. lȫks ‘luilak’, oostfri. löks ‘luie vlegel, lange slungel’. Daarnaast staan woorden met ū zoals gron. lūk ‘bedaard, slim’, veluws luekəs ‘onnozel, dom’, achterh. lǖkəs ‘leuk’, oostfri. lūk, luke ‘lauw, warm, flauw, rustig, onverschillig’, fri. lūk ‘leuk, slim’, me. leuke en ouder hleuk ‘lauw’ (ne. lukewarm). — De grondvorm is *hlū̆k(i)a, een afl. van de idg. stam *ḱleu waarvoor zie: lauw en lui 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

leuk bnw., nog niet bij Kil. De bet. “typisch, aardig” gaat terug op “de zaken kalm opnemend, flegmatisch, traag” en de bet. “traag” weer op “lauw”. Deze bet. en de bet. “warm” komen dial. (Sliedrecht, N. Holl.) nog voor. Een dgl. bet.-ontwikkeling heeft misschien lui II gehad. Vgl. vooral ndd. lö̂ks “luilak, dagdief”, oostfri. löks “luie vlegel, lange slungel”. Naast dit woord een vorm met û: vgl. o.a. gron. lûk “bedaard, slim”, lûk an “zachtjes aan”, vel. luekǝs “onnoozel, dom”, achterh. lü̂kǝs “leuk”, oostfri. lûk, luke “lauw, warm, flauw, rustig, onverschillig”, fri. lûk “leuk, sluw, slim”; vgl. ook meng. leuke (lüke), ouder hleuk (eng. luke-warm) “lauw”. Deze woorden komen van de bij lauw en lui II besproken germ. basis χlū̆-. Vgl. nog de. lunken “lauw”: ouder en dial. lum “drukkend”, ook van χlū̆-.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

leuk bijv., + Ndd. leuk, Mhd. lücke (dial. Nhd. id.), Meng. leuke (Eng. luke); daarnevens Meng. lewe, Ags. hléowe: met -k- suffix van denz. wortel als lauw.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Leuk, eig. half warm, waarschijnl. stamverwant met lauw; overdr. van personen, zich niet warm makend, of zich aldus aanstellend, dan droogkomiek, grappig, vroolijk; de laatste bet. ook voor zaken. Hij bleef onder alles even leuk; ’t is zoo’n leuke baas; een leuk boek, verhaal.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Leuker kunnen we het niet maken [reclameslogan] (1993). De Belastingdienst begint in 1993 met campagnes om de toegankelijkheid van de instelling te vergroten. In de campagnes komt steeds een vaste slogan terug: ‘Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker’. Het wordt een gevleugelde uitdrukking, waarop veelvuldig gevarieerd wordt.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

leuk* grappig 1898 [Toll.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1366. Zich leuk houden,

d.w.z. zich onverschillig houden; doen alsof men zich iets niet aantrekt; ook: zich luikes houden (no. 1009). Leuk beteekent in deze uitdr. eig. lauw (vgl. eng. luke; lukewarm en Brederoo, Groote Bron d.M. 63: mijn leuckerlaauwe siel). In Noord-Holland heeft het nog de bet. van warm, luw (zie Bouman, 63; De Vries, 82), terwijl in sommige streken (Sliedrecht) nog gehoord wordt leuk water, d.i. lauw water (Taal- en Lettb. V, 196). Ook in het Oostfri. beteekent lûk, luke, lauw, en spreekt men van lûk wer, zwoel weder (Ten Doornk. Koolm. II, 540). Zie Gew. Weeuw. II, 24: Wy houden ons gelijk een muis tot nog toe zo leuk; Ndl. Wdb. VIII, 1687, waar een ww. leuken, leukeren, verwarmen, vermeld wordt; De Jager, Frequ. II, 341; Weiland: zich leuk houden, zich noch koud noch warm, maar leuk, d.i. laauw, of onverschillig toonen, zich stil houden, zich van iets onkundig houden; Franck-v. Wijk, 380; vgl. Afrik. hy hou hom dood luiters.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal