Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

letten - (verhinderen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

letten ww. ‘belemmeren, tegenhouden’
Mnl. letten ‘beletten, vertragen, belemmeren, (ver)hinderen’ [1240; Bern.], dat bloet te lettene ‘het bloed te stelpen’ [1265-70; CG II], ‘talmen, dralen’ in no meer no min gelettet ‘op geen enkele wijze gedraald’ [1265-70; CG II], ‘tegenhouden’ in net dar soe die vlieghen mede let ‘(een) web waar ze vliegen mee vangt’ [1287; CG II], ‘zich ophouden, vertoeven, blijven’ in doene woude hi daer niet langer letten ‘toen wilde hij daar niet langer blijven’ [1328-50; Rijmkroniek], ‘in de gaten houden’ in die ridders letten na hem ‘de ridders hielden hem in de gaten’ [1300-50; MNW-R], ghetrauwelic letten up u sake ‘nauwgezet letten op uw zaak’ [1350-1420; MNW].
Os. lettian ‘hinderen’ (mnd. letten); ohd. lezzen ‘belemmeren, kwetsen’ (nhd. verletzen ‘kwetsen’); ofri. letta ‘hinderen’ (nfri. lette); oe. lettan ‘hinderen’ (ne. vero. let, nog wel als zn. ‘hinder; gehinderde bal bij tennis e.d.’); on. letja ‘weerhouden’; got. latjan ‘tegenhouden’; < pgm. *latjan-, afleiding van *lata- ‘traag’, zie → laat; de oorspr. betekenis was dus wrsch. ‘vertragen’.
De oorspr. en in het Middelnederlands nog belangrijkste betekenis was ‘belemmeren’, net als in de andere Oudgermaanse talen. Deze betekenis bestaat nog in de vaste verbinding wat let je? ‘wat houdt je nog tegen?’, maar is verder overgegaan op de afleiding → beletten. Het belemmeren kon plaatsvinden doordat iets of iemand een bepaalde positie innam; zo kon letten ook ‘vertoeven, blijven’ gaan betekenen. Daaruit ontstond ook de huidige, in het Middelnederlands nog weinig voorkomende betekenis ‘aandacht schenken aan, in de gaten houden, bijv. door op een vaste plaats te vertoeven’, tegenwoordig altijd met het voorzetsel op.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

letten1* [verhinderen] {1236 in de betekenis ‘vertragen, ophouden, hinderen, deren’} oudsaksisch lettian, oudhoogduits lezzan, oudfries letta, oudengels lettan, oudnoors letja, gotisch latjan; verwant met laat1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

letten ww., mnl. letten ‘vertragen, beletten, terughouden, opsluiten, hinderen, deren, talmen, toeven, wachten, te kort schieten’, os. lettian ‘tegenhouden, lastig vallen, aflaten’, ohd. lezzen ‘tegenhouden, beletten, hinderen, deren, nadeel toebrengen’ (nhd. letzen), ofri. letta ‘lastig vallen’, oe. lettan ‘vertragen, terughouden, lastig vallen’ (ne. let), on. letja ‘zoeken af te houden, ontraden’, got. latjan ‘terughouden, doen toeven’. — Een afl. van de germ. stam *lăta, waarvoor zie: laat 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

letten ww., mnl. letten “vertragen, beletten, terughouden, opsluiten, confiskeeren, benadeelen, hinderen, deren, talmen, toeven, wachten, halt houden, te kort schieten”. De bet. “letten op” is ook reeds mnl. (ook mnd.) en sluit zich aan bij “toeven, halt houden”, vgl. nnl. stilstaan bij. = ohd. lezzen “tegenhouden, beletten, hinderen, deren, nadeel toebrengen” (nhd. letzen), os. lettian “tegenhouden, lastig vallen, aflaten”, ofri. letta “lastig vallen”, ags. lettan “vertragen, terughouden, lastig vallen” (eng. to let), on. letja “zoeken af te houden, afraden”, got. latjan “doen toeven, terughouden”. Factitivum van *lata-: zie laat.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

letten 2 o.w. (opletten), is hetz. w. als letten 1.= tegenhouden, bij iets stilstaan.

letten 1 o.w. (hinderen), Mnl. id., Os. lettian + Ohd. lezzian (Mhd. letzen, Nhd. verletzen), Ags. lettan (Eng. to let, homon. van to let = laten), On. letja, Go. latjan: met e = ä, denomin. van laat 2.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Letten, oorspr. hinderen, beletten : „wat zou mij letten?” Zie Laat. – Ook in letten op iets bet. het: stilstaan bij iets, n.1. om het goed te bekijken.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

letten* verhinderen 1236 [CG I1, 27]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut