Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lesbisch - (homoseksueel (van vrouwen))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lesbisch bn. ‘homoseksueel (van vrouwen)’
Nnl. het Lesbisch meiske ‘de jonge vrouw uit Lesbos’ [1755; WNT], lesbische liefde “onnatuurlijke ontucht van vrouwen onder elkaar” [1847; Kramers], de losse lesbische zeden [1876; WNT].
Internationaal neologisme, ontstaan als bn. bij de naam Lesbos (Grieks Lésbos) van een eiland in de Egeïsche zee, thuisplaats van de Griekse dichteres Sappho (6e eeuw v. Chr.). In haar lyrische gedichten bezong zij haar liefde voor meisjes.
Het woord was tot in de 19e eeuw zeldzaam en werd alleen gebruikt als geografisch bn., meestal in een klassieke context. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw, na een hernieuwde wetenschappelijke interesse in het werk van Sappho, verscheen het woord in de moderne talen ook als opzichzelfstaand bn.
lesbienne zn. ‘lesbische vrouw’. Nnl. lesbienne [1968; WNT]. Ontleend aan Frans lesbienne ‘id.’ [1867; Rey], eerder al als bn. ‘lesbisch’ [1784; Rey], afleiding van Lesbos. ♦ lesbo zn. ‘lesbische vrouw’. Nnl. lesbo [1986; Koenen]; daarnaast ook wel lesbie ‘id.’ [1987; De Coster 1999]. Spreektalige verkorting van lesbienne naar analogie van homo bij → homoseksueel. ♦ holebi zn. ‘verzamelnaam voor homo- en biseksuelen’. Nnl. holebi ‘id.’ [2005; Van Dale]. Gevormd uit de beginletters van homoseksueel, lesbisch en biseksueel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lesbisch [homoseksueel (van vrouwen)] {1847} afgeleid van Lesbos, het Griekse eiland waar de dichteres Sappho ca. 630 v. Chr. haar liefde voor meisjes bezong.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

lesbies b.nw.
Vroulike homoseksueel.
Uit Ndl. lesbisch (1847), 'n afleiding van Lesbos, die naam van die Griekse eiland waar die digteres Sappho teen ongeveer 630 v.C. haar liefde vir jong meisies besing het.

Thematische woordenboeken

T. Beijer en C.G.L. Apeldoorn (1996), Woordenboek van medische eponiemen, Houten

Lesbisch: zie saffisme.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lesbisch ‘homoseksueel (gezegd van vrouwen)’ -> Indonesisch lésbis, lésbi; (Bahasa Prokem) lines, linesbini ‘homoseksueel (gezegd van vrouwen)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lesbisch homoseksueel (gezegd van vrouwen) 1847 [KKU]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut