Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

leraar - (onderwijzer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

leren 1 ww. ‘onderwijzen, doen weten; kennis of kundigheid verwerven’
Onl. lēron ‘onderwijzen’ in thu lerdos mi ‘jij onderwees mij’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. leren ‘onderwijzen; onderwezen worden, kennis verwerven’ [1240; Bern.], also alsic geleert v hebbe ‘zoals ik u geleerd heb’, dat walsch te leerne ‘Frans te leren’ [beide 1265-70; CG II], ook ‘mededelen, vertellen’, in en ander dat ic v sal leeren ‘een tweede (verhaal) dat ik u zal vertellen’ [1265-70; CG II].
Os. lērian (mnd. leren); ohd. lēren (nhd. lehren); ofri. lēra (nfri. leare); oe. lǣran (ne. vero. lere); on. læra (ontleend aan oe. of mnd.); got. laisjan; alle ‘doen weten’, < pgm. *laiz-jan-, dat de vorm heeft van een causatief (voltrap met -o- + *-jan-; in het West- en Noord-Germaans met grammatische wisseling). Een onderliggende werkwoordelijke wortel pgm. *leis-/*lais- komt echter alleen in het Gotisch voor, in het preterito-presens en hapax lais ‘ik weet’, en als tweede lid leis ‘kundig’ van het bn. lubjaleis ‘gifkundig’.
In de niet-causatieve betekenis ‘kennis verwerven’ is in het West-Germaans een nieuwe presensstam *liz-nō-/liz-nē- ontstaan, waarbij: mnd. lernen; ohd. lernōn, lernēn, lirnēn (nhd. lernen); ofri. lirnia; oe. leornian (ne. learn).
Buiten het Germaans zijn er geen verwante werkwoorden. Men leidt pgm. *lais-jan- dan ook gewoonlijk af van pgm. *lais- ‘spoor, vore’, zie → leest, en veronderstelt dan een betekenisontwikkeling van ‘doen nasporen’ via ‘doen navolgen’ naar ‘doen weten’. Benveniste (1947) benadrukt dat er voor zo'n ontwikkeling in de Oudgermaanse talen geen enkele aanwijzing is gevonden en ontkent een verband tussen beide woordgroepen. Indien er inderdaad geen verband is met leest, is pgm. *laiz-jan- wrsch. afgeleid van het zn. *laizō- ‘leer, les’, zie → leer 2, dat gewoonlijk juist als afleiding van het werkwoord wordt beschouwd. Er is geen verband met → lezen.
leraar zn. ‘iemand die onderwijs geeft’. Mnl. lerre ‘hij die onderwijst’ [1240; Bern.], Sinte augustijn di grote lerere ‘Sint-Augustinus, de grote leraar’ [1276-1300; CG II], lere [14e eeuw; MNW], leerre [1330; MNW], leraer [1340-60; MNW-P]; vnnl. leerder [1528; WNT], vanaf de 17e eeuw uitsluitend nog leraer, leraar. Afleiding met het achtervoegsel → -aar van het werkwoord leren in de betekenis ‘onderwijzen’. In het Middelnederlands kwam dit achtervoegsel nog voor als -ere, -er, -re en als -are, -aer. In het Vroegnieuwnederlands ontwikkelde zich de huidige distributie van de varianten -aar (-aer), -er en -der van dit achtervoegsel, afhankelijk van de klank van de werkwoordstam. Leraar is een uitzondering, omdat bij leren het zn. leerder zou moeten verschijnen, zoals ook beheerder, stoffeerder, scheerder. In de 20e eeuw ontstond opnieuw een vorm leerder, als afleiding van leren in de betekenis ‘kennis tot zich nemen’ en dus met de betekenis ‘leerling’, bijv. in passieve, gehoorzame leerders [1990; NRC].
De Middelnederlandse vorm lere is een variante schrijfwijze van leer- + -re.
Lit.: E. Benveniste (1947), ‘La famille etymologique de learn’, in: English and Germanic Studies 1, 1-5

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

leraar [onderwijzer] {lerre 1201-1250, lerer [onderwijzer, godsdienstleraar] 1440} oudsaksisch -lerari, oudhoogduits lerari, gotisch laisareis, met het achtervoegsel latijn -arius gevormd van leren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

leraar znw. m., mnl. leeraer, leerrer, lêrer ‘onderwijzer, godsdienstleraar’, os. ēwin-lērari ‘onderwijzer in de wet’, ohd. lērāri ‘onderwijzer’, got. laisareis ‘leraar’, gevormd met het leensuffix -ārja (< lat. -ārius) van *laisō ‘leer, onderricht’, waarvoor zie: leren.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

leer I, le[e]ren (lering) resp. ww. De afl. † le[e]raar znw. komt sedert het Mnl. Ohd. Mnd. voor, en is ook got. (laisareis m.). Het hiervan weer afgeleide ww. † leraren (le[e]raren), sedert 1584, is door Spieghel gevormd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

leeraar: ss. v. leer II + s.nw. aar (geol. term v. leervormige aar), te ondersk. v. afl. leer I + agterv. -aar as leraar, “predikant”.

leraar: – (soms in sprt.) leraard – , dominee, predikant; Ndl. leraar, afl. uit leer I + agterv. -aar, te ondersk. v. ss. leeraar (q.v.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

leraar ‘onderwijzer’ -> Fries learaar ‘onderwijzer’; Zuid-Afrikaans-Engels † leeraar ‘predikant’; Negerhollands leeraar ‘onderwijzer’; Papiaments † leraar (ouder: leeraar) ‘onderwijzer’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

hbs [hogereburgerschool] (1863). In 1863 wordt in de nieuwe Wet op het middelbaar onderwijs de hbs in het leven geroepen, waarbij voor het eerst Nederlands als schoolvak zijn intrede doet. Diezelfde wet regelde de instelling van m.o.-examens (‘Middelbaar onderwijs’-examens), waarmee akten voor Nederlandse, Franse, Duitse en Engelse taal- en letterkunde behaald kunnen worden. Neerlandicus Jan te Winkel zegt hierover in het gedenkboek Eene halve eeuw 1848-1898: “Eene wet van 1863 voerde middelbaar onderwijs in en bracht daarmede deze reeds in het begin onzer eeuw gemaakte vertaling van “instruction moyenne” op ieders lippen, evenals de vroeger alleen nu en dan gebezigde woorden landbouwschool en hoogere burgerschool (als vertaling van “école civile supérieure”). Sinds dien tijd kent men ook het woord akte-examen, en wie dat heeft afgelegd, heet nu leeraar: een titel, die zelf niet nieuw is, maar vroeger in de spreektaal weinig werd gebruikt, en dan nog liefst voor “predikant”, waarvoor het nu wegens de dubbelzinnigheid in onbruik begint te geraken.”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

leraar onderwijzer 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut