Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lepelblad - (Cochlearia officinalis)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

le’pelblad (het), sierstruik met kleine bloemen aan sterk vertakte schermen en schotelvormige bladeren, uit Indonesië (Polyscias scutellata, Cassavehoutfamilie*). - Etym.: De naam is ontleend aan de vorm van de bladeren. AN l. = Cochlearia officinalis (Koolfamilie*), een wilde plant o.m. in Nederland.

Thematische woordenboeken

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Cochleária | Cochleária officinális: Lepelblad
De naam Cochleária is afgeleid van het Latijnse cochlear: lepel. De bladeren vertonen namelijk gelijkenis met een lepel. Deze langs brakwatergebieden en moerassen voorkomende plant heeft grote bekendheid gekregen als antischeur-buikmiddel. In 1621 schreef, of beter leerdichtte, P. Hondius:
Alsme vande scheurbuyck claecht,
En van binnen is geplaecht;
Salmen nergens in versporen,
Gheen van been [beide] de lepel blaren:
Noch de ronde, noch de lange,
Die gesneden aen de cant,
Bij de zee ick van de stange [strand]
Heb genomen en geplant.
Dat ook de officiële geneeskunde het Lepelblad waardeerde, blijkt uit het feit dat Cochlearia in onze Farmacopee is opgenomen en wel als Vers Lepelblad-kruid (Herba Cochlearia recens). Tot tinctuur verwerkt, wordt de plant eveneens aangewend en komt dan onder Spiritus Cochleariae (Lepelbladspiritus) in hetzelfde handboek voor. Ten overvloede wijzen we nog op de Latijnse soortnaam officinalis, die uitdrukt dat de plant in de apotheek verwerkt wordt.
Door het grote gehalte aan vitamine C dat de plant bevat, is het een geschikt kruid ter bestrijding van avitaminoseziekten. Vroeger gebruikte het volk de verse plant als boterhambeleg, als toekruid in de soep, maar ook alleen als een soort salade. In de volksgeneeskunst wordt het Lepelblad gebruikt bij lever-, nier- en blaaskwalen, verder bij spijsverteringsmoeilijkheden, en als urineafdrijvend middel. Ontstoken tandvlees werd met een soort mondspoelsel genezen. Men trok dan een thee van de bladeren (op alkohol). Zo deelt dr. C. Bakker mede dat in de dertiger jaren men in Waterland op de bladeren kauwde om kiespijn te verdrijven. In de Codex Medicamentorum Neerlandicus treft men een spoelsel aan onder: Collutio Myrrhae et Cochliariae, dat voorgeschreven werd bij ontstekingen in de mond; ook de homeopathie gebruikt de plant bij diverse kwalen. De geneeskrachtige eigenschappen schijnen pas laat ontdekt te zijn, want het Lepelblad werd voor het eerst door H. Gesner (1541) vermeld.
Behalve de reeds genoemde naam Lepelblad (bij Hondius Lepelblaren), komen nog voor Lepelkruid, Lepelwortel (!), Kikkerbloem, Zeeradijs en Blauwschuit-blad. De laatste drie behoeven een nadere toelichting: Kikkerbloem, omdat de plant langs de waterkant groeit, waar ook de kikkers vertoeven. De naam Zeeradijs omdat zij bij de zeekust groeit - zij kan in een zilte omgeving uitstekend gedijen - en de naar radijs smakende bladeren. Dit laatste als gevolg van een in de plant voorkomende mosterdolieachtige stof. De naam Blauwschuitblad kreeg zij omdat het Lepelblad werd aangewend bij blauwschuit. Blauwschuit is een andere naam voor scheurbuik en spataderen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lepelblad ‘kruisbloemsoort’ -> Engels † spoonwort ‘kruisbloemsoort’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut