Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

leng - (strop)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

leng2 [strop] {1662} vgl. middelnederlands longe [riem, halsterriem] < frans longe [leidsel, riem], middeleeuws latijn longia [longe, lijn waaraan men een paard in een cirkel laat lopen], van longus [lang], vermoedelijk af te leiden van middelnederlands lange, lenge [lengte].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

leng 2 znw. o. ‘strop dienende om vaten en dgl. op te hijsen’ eerst na Kiliaen, mnd. lenge (> nde. længe, nzw. länga). Ofschoon men dit woord van lang kan afleiden en dus van een bet. ‘lang touw’ zou kunnen uitgaan, is het eerder te verbinden met on. lengja ‘riem, streep’, een ja-afl. van een germ. *langa, gramm. wiss. bij *lanha, vgl. oe. lōh ‘riem’, en die verder te verbinden zijn met osl. ląka ‘kromming, bocht’, lęčĭ ‘strik’, lit. lenkiù, leñkti ‘buigen’, lanka ‘dal’ (IEW 676).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

leng II (dubbelgeslagen touw om iets op te hijschen) znw. o., nog niet bij Kil. = mnd. lenge “leng” (> de. længe, zw. länga). Wsch. een afl. van lang: “lang touw” (voor de bet. vgl. fr. longe “lei-reep”, mlat. longia, wsch. van longus). Volgens anderen = on. lengja v. “streep, riem” en verwant met obg. lęšti, lit. leñkti “buigen”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

leng 2 v. (strop), + Ndd. lenge: een afleid. van lang 1; cf. Fr. longe.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

linge zn. v.: brede zeildoeken band om paard op te tillen bij behandeling. Ndl. leng ‘strop, touw om zware voorwerpen op te hijsen’. Mnd. lenge, On. lengia ‘streep, riem’. Vgl. Lit. leñkti ‘buigen’. Verband met Mnl. longe ‘riem’ < Fr. longe (Van Dale) is onwaarschijnlijk. Zie loenie.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

ling touw om ander touw op te wrijven, verbindingstouw (Vlaanderen). = nl. leng. Wschl. = ono. lengja ‘streep, riem’, ~ obg. lešti ‘buigen’, lit. leñkti ‘buigen’.
WVD II afl. III, 22. 34. FWH 378.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

leng ‘strop die dient om vaten en andere zware voorwerpen op te hijsen’ -> Deens længe ‘strop die dient om vaten en andere zware voorwerpen op te hijsen’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments lèngu ‘strop’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut