Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lenen - (te leen geven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

leen zn. ‘tijdelijk gebruikt goed’
Mnl. leen ‘dat wat geleend wordt’ in te lene ‘in tijdelijk gebruik’ [1215; Slicher van Bath], man ... uan lene ‘leenman’ [1237; CG I], ontfinct vanden herthoghe te leene ‘ontving het van de hertog in leen’ [1271-72; CG I], dat leen te verwandelne in Eruen ‘het leengoed om te zetten in eigendom’ [1281; CG I].
Os. lēhan (mnd. lēn); ohd. lehan (nhd. Lehen); ofri. lēn (nfri. lien); oe. lǣn (maar me. lan > ne. loan ontleend aan on.); on. lán (nzw. lån); alle ‘leen’, < pgm. *laih(w)na-, *laih(w)ni-. Daarnaast met grammatische wisseling pgm. *laig(w)ō-, waaruit on. leiga ‘huur, leen’. Hiervan afgeleid is het werkwoord *laih(w)n-jan- ‘te leen geven’, waaruit: mnl. lenen (zie onder); os. lēhnon (mnd. lenen); ohd. lēhanōn (nhd. vero. lehnen); ofri. lēna; oe. lænan (me. lenen, lenden met -d- o.i.v. het preteritum, ne. lend); on. lána (nzw. låna). Daarnaast bestond een ablautend sterk werkwoord pgm. *līh(w)an- ‘uitlenen’, met grammatische wisseling *li(g)wan, waaruit: onl. līan in liuue thu ‘jij leende uit’ en līet ‘hij leent uit’ [beide 10e eeuw; W.Ps.] (mnl. (oostelijk) lien, verlien); os. līhan (mnd. li(g)en); ohd. līhan (nhd. leihen), giliwan; oe. lēon; on. ljá (ozw. lœa); got. leihwan.
Verwant met: Grieks leípein ‘verlaten, achterlaten’ (zie → ellips 2); Latijn linquere ‘verlaten’ (zie → relict); Sanskrit riṇákti ‘overlaten’, rékṇas- ‘landbezit’; Avestisch raēx-nah- ‘erfgoed’; Litouws laikýti ‘houden’; Oudkerkslavisch otŭ-lěkŭ ‘overblijfsel’; Oudiers -léici ‘laten gaan’, airlicud ‘lenen’; < pie. *leikw- ‘overlaten’ (IEW 669).
Het begrip leen had in het Middelnederlands vooral betrekking op onroerend goed dat door de leenheer voor gebruik werd uitgeleend aan de leenman, ook wel man of vazal genoemd. In die context is het woord nu een historisch begrip; daarbuiten komt het alleen voor in de vaste verbinding te leen ‘uitleenbaar’, vergelijkbaar met te huur en te koop, en in de samenstellingen bruikleen ‘leenovereenkomst’ en leenrecht.
lenen zn. ‘tijdelijk ter beschikking stellen of ten gebruike krijgen’. Mnl. lenen ‘te leen geven, uitlenen’ [1240; Bern.], hebben si ons haren segel gelenet ‘hebben ze ons hun zegel ter beschikking gesteld’ [1249; CG I], ‘te leen krijgen’ in dat man leent dat is man sculdig wieder te geuene ‘wat men leent dat moet men teruggeven’ [1270-90; CG II], van yleenden ghelde ‘van geleend geld’ [1302; MNW]. Voor de etymologie, zie boven. Al in het Middelnederlands had het werkwoord dezelfde dubbelzinnige betekenis als nu, ‘te leen krijgen’ of ‘te leen geven’; de juiste betekenis blijkt echter altijd uit de context. In de betekenis ‘te leen geven’ is de afleiding uitlenen wel gebruikelijker. In tegenstelling tot het zn. leen kon het werkwoord al vroeg ook betrekking hebben op andere zaken dan land.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lenen1* [te leen geven] {le(e)nen 1254} afgeleid van leen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lenen 1 znw. ‘te leen geven’, mnl. lênen ‘lenen aan, lenen van, aanbieden, verlenen’, os lēhnon, ohd. lēhanōn, ofri. lēna, oe. lænan (ne. lend) ‘te leen geven’ soms ook ‘te leen ontvangen’ (on. lēna < mnd. lēnen). — Afl. van leen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

leenen ww. Een afl. van leen; mnl. lênen “leenen aan, leenen van, aanbieden, verleenen” = ohd. lêhanôn “als leen geven, leenen” (nhd. lehnen), os. lêhnon (: ofri. lêna, ags. læ̂nan, eng. to lend) “te leen geven”, in sommige talen ook “te leen ontvangen”. On. lêna “leenen” is uit het Ndd. ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lenen ono.w., : z. leunen.

leenen o.w., denom. van leen, Mnl. id., Os. lêhen + Ohd. lêhan (Mhd. lehen, Nhd. id.), Ags. lán (Eng. loan), Ofri. lén, On. lán (Zw lån. De. laan): een afleid. met den sterken stamgraad van 't st. werkw. *lijen (z. verleien), Mnl. liën, Onfra. lîan, Os. lȋhan + Ohd. id. (Mhd. lȋhen, Nhd. leihen, Ags. léon, Go. leihwan: Germ. wrt lihw + Skr. wrt. ric = afstaan. Arm.elik, Gr. leípein =overlaten (hier Gr. p = Idg. q), Lat. linquere = laten, Oier. léicim = ik laat, Osl. -lĕkŭ = overblijfsel. Lit. lìkti = achterlaten: Idg. wrt. leq.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

liene (ww.) lenen; Vreugmiddelnederlands lenen <1240>.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

lenen (zich -- voor) (vert. van Frans se prêter à)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Leenen (Hgd. leihen, vandaar ons verlijen = met een leen beleenen), van den Idg. wt. lik = verlaten, afstaan.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lenen ‘te leen geven of krijgen’ -> Negerhollands leen, lēn, lin ‘te leen geven of krijgen’; Berbice-Nederlands leni ‘te leen geven of krijgen’; Sranantongo leni ‘te leen geven of krijgen’; Saramakkaans lE'ni ‘te leen geven of krijgen’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lenen* te leen geven of krijgen 1240 [VMNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut