Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lekker - (aangenaam van smaak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lekker bn. ‘aangenaam van smaak’
Mnl. eerst in de afleidingen leckerheit ‘gulzigheid’ en leckere ‘gulzigaard, wellusteling’ [beide 1240; Bern.], dan lecker ‘gulzig, gesteld op lekker eten’ in geen man en is so lecker als die giene die quaden adem heuet ‘niemand is zo gulzig als degene die een slechte adem heeft’ [1270-90; CG II], ‘aangenaam van smaak’ in daer ic cnauwe iet leckers ‘waar ik van iets lekkers zou kunnen knabbelen’ [1350-1400; MNW cnauwen], als mi gedachte der lecker spise ‘toen ik dacht aan dat smakelijke voedsel’ [1393-1402; MNW-R].
Afleiding van het Middelnederlandse werkwoord lecken, variant van → likken 1 ‘met de tong langs iets gaan’.
Mnd. lecker ‘gesteld op lekker eten, zinnelijk; lekker’; mhd. lecker ‘lekker’ (nhd. lecker); nzw. läcker ontleend aan mnd.
De oorspronkelijke betekenis ‘gesteld op lekker eten’, bij uitbreiding ook ‘wellustig’, verouderde in het Vroegnieuwnederlands, maar is nog herkenbaar in de samenstelling lekkerbek ‘smulpaap’ (Ioffrou Leckerbeck [1659; WNT reef I]) en in de afleiding verlekkerd ‘begerig’.
lekkernij zn. ‘iets lekkers’. Mnl. leckernie ‘gulzigheid’ in werp van di die leckernie ‘werp de gulzigheid van je af’ [1300-25; MNW-R]; vnnl. ‘iets lekkers’ in soodanigen sausen ofte leckerniën ‘zulke sauzen of lekkernijen’ [1514; MNW]. Afleiding van lekker met het achtervoegsel → -erij, dat achter -er- ook in de nevenvorm -(er)nij voorkomt. De oorspr. abstracte betekenis verouderde in het Vroegnieuwnederlands.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lekker* [aangenaam van smaak, geur] {lecker 1350, maar ouder als zn. met de betekenis ‘smulpaap, gemene kerel’ 1220-1240} middelnederduits, middelhoogduits lecker; van lekken [likken] (vgl. likken1). De uitdrukking lekker is maar een vinger lang slaat op de lengte van de tong.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lekker bnw., mnl. lecker ‘gesteld op lekker eten; zinnelijk, lekker’, mnd. lecker ‘op lekker eten gesteld; zinnelijk, lekker’, mhd. lecker ‘lekker’. Daarnaast het znw. mnl. oudnnl. lecker, leckaert ‘gastronoom, gulzigaard, smeerlap’, mnd. lecker, ohd. lecchari, mhd. lecker ‘id.’ — Beide afl. van lekken 2. — De bet. ‘gastronomisch’ leeft nog voort in lekkerbek.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lekker bnw., mnl. lecker “gastronomisch, gulzig, zinnelijk, lekker”. = mhd. lëcker “lekker”, mnd. lëcker “gastronomisch, zinnelijk, lekker”. Afl. van lekken II. Het znw. mnl. oudnnl. lecker (leckaert) m. “gastronoom, gulzigaard, smeerlap”, ohd. lëcchâri, mhd. mnd. lëcker m. “id.” is een nomen agentis van lekken II. — De bet. “gastronomisch” is nog over in ’t znw. lekkerbek.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lekker bnw. Een gesubstantiveerde genitief hiervan is lekkers: vgl. † nieuws Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lekker 1 bijv., Mnl. lecker + Hgd. id.: een afleid. van lekken 2. Vergel. Gr. likhneúein en Lat. ligurio = ik snoep, afleid. van denz. wortel als Gr. leíkhein, Lat. lingo = ik lik (z.likken).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

lekka b.nw. (geselstaal; minder gebruiklik)
Lekker.
Vervorm uit lekker.

lekker b.nw.
1. Wat 'n gevoel van bevrediging meebring. 2. Wat sintuiglike genot meebring, veral t.o.v. smaak. 3. Rustig of gelukkig wat die gewete of gemoed betref. 4.Wat na wens is wat die gesondheidstoestand betref. 5. (slegs attr.) (veral t.o.v. vroulike persone) Wat maklik attensies beantwoord of los van sedes is. 6. (slegs in die negatief) Nie in 'n goeie bui nie. 7. (slegs in die negatief) Nie normaal van gedrag nie. 8. (slegs pred.) Effens dronk. 9. Wat negatiewe voldoening of vermaak verskaf.
In bet. 1 - 5 uit Ndl. lekker (Mnl. lecker). Bet. 6 - 9 het in Afr. self ontwikkel. Bet. 5 het in Afr. 'n uitbreiding ondergaan. Terwyl lekker in Ndl. vir vroulike persone waarvan die uiterlike prikkelend is, gebruik word, word dit in Afr. gebruik om vroulike persone van losse sedes te benoem. Eerste optekeninge in Afr. in bet. 1 by Pannevis (1880), in bet. 8 by Mansvelt (1884) en in bet. 9 by Kern (1890).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1847 in bet. 2, 1861 in bet. 1, 1913 in bet. 7).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

II. lekker bw.: niet lekker zijn (was, is geweest), geen vrede hebben; ’nog niet klaar’ zijn, ’nog niet jarig’ zijn. Ineens zo, ik bel voor een zakelijke tori*, een welzijnsstichting op in het belang van me eigen welzijn! Dan krijg ik een tirade te horen van een meid die nie lekker is met d’r liefdesverhouding? (Cairo in Volkskrant 5-1-1979). Durf je je mond open te maken*, dan ben je niet lekker (in krant, 1966).

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

lekkertje Lekkertje betekent iets dat klein en lekker is. Voor sommigen is dat een snoepje, voor anderen — aldus Van Dale — ‘een meisje of jonge vrouw’, maar in het oostelijke gedeelte van Noord-Brabant wordt er ook een borrel mee aangeduid. Het is daar onlangs nog gehoord, in de vorm lekkerke.
Een hoogbejaarde informant uit Goes schrijft:

Jenever werd vroeger ‘lekkertje’ genoemd omdat er een paar druppels angostura in ging. Het was iets wat in de Herensociëteit gedronken werd.

Een borrel wordt soms ook (een glaasje) lekker water genoemd. Van een dronkaard zei men halverwege de 19de eeuw hij is lekker. En in het Afrikaans kon lekker ook worden gebruikt voor ‘halfdronken, aangeschoten’.
Vergelijk angst, snoepje en zoet.

[Herroem 86; Mansvelt 95]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Lekker, afgeleid van lekken, likken; dus: wat men gaarne likt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lekker ‘aangenaam van smaak of geur’ -> Deens lækker ‘aangenaam van smaak of geur’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Noors lekker ‘aangenaam van smaak of geur; mooi’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds läcker ‘aangenaam van smaak of geur’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels lekker ‘aangenaam van smaak of geur’ ; Javaans lèker ‘aangenaam van smaak of geur’; Negerhollands lekker, lekǝ ‘aangenaam van smaak of geur’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lekker* aangenaam van smaak of geur 1350 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1152. Kiplekker.

Ook wel zoo lekker als kip, zeer gezond, met woordspeling tusschen de twee beteekenissen van lekkerVgl. voor dergelijke uitdrukkingen Borchardt no 88; Lyon's Zeitschrift V, 101; Weise, Aesthetik der Deutschen Sprache, 147; Müller, Aus der Welt der Wörter, 192.; zoo gezond als een visch of zooals Winschooten, 332 zegt soo fris, als een hoen, als een Karper (zie Ndl. Wdb. VI, 809; VII, 1657). Vgl. Ppl. 5: Ik voel me nou weer lekker as kip; Lvl. V, 219: Vandaag voel ik me zoo lekker als kip; bl. 241: Dalman voelde zich zoo lekker als kip; Nkr. VII, 22 Nov. p. 2: Ik althans voelde me op dit kongres voortdurend kip-lekker, zoo echt als een eendje in het water. In het fri. sa frisk als in nút, als een walnoot. Vergelijk voor dergelijke woordspelingen zoo mager als brood (zie aldaar); zoo klaar (of helder) als koffiedik (Nkr. IV, 17 Juli p. 2); zoo klaar als een klontje (Falkl. V, 229); zoo sterk als mosterd; fijn als gemalen poppestront (in Gew. Weeuw. II, 42: Je houd je zoo fijn als gemaale kippestront; zie Ndl. Wdb. III, 4464; vgl. fr. être fin comme de la moutarde); zoo vies als kattestront (Brederoo, II, 224). Zie ook Nieuwe Taalgids III, 7.

1359. Lekker is maar een vinger lang,

d.w.z. men proeft iets lekkers slechts zoolang het op de tong ligt, die ongeveer een vinger lang is; daarna: alle genot is kortstondig. Zie C. Wildsch. IV, 309: Lekker is een vinger lang, zegt het spreekwoord, en 't is de waarheid; Tuinman I, 99: Lekker is maar een vinger lang, als het lekkere door 't keelgat is, heeft het geene smaakkelykheid meer, omdat die maar is in den mond, op de tong en 't gehemelte; Harreb. I, 50: Zuinig, zei besje, lekker is maar een' vinger lang; Villiers, 72. Van gelijke beteekenis was een haalkan (fri. healkanne, twee mingelen) is ras uit (Tuinman II, 49). Vgl. voor deze bepaling van maat mnl. vingermael, duummael, de lengte van een duim, en ook in het Grieksch πινωμεν τι τα λυχν ομμepsilon;νομεν; δακτυλος αμερα, laten we drinken! wat wachten we op de lichten! de dag is nog maar een vinger lang (eig. breedZie Alcaei fr. 44 Anthologiae lyricae5 (= fr. 41. Poetarum lyricorum ed. Bergk. Hiller1); mededeeling van Dr. Alb. Poutsma, die er mij op wijst, dat ook elders, o.a. bij Aristophanes, Ranae, vs. 91 en Quintilianus 11, 3, 126, uitdrukkingen voorkomen, waarin een lengtemaat gebruikt wordt voor zaken, die men gewoonlijk anders meet.). In het oostfri. smâk is 'n finger lank; zie Dirksen I, 95, waar uit Freidank wordt aangehaald: diu beste spîse, der beste tranc, der suëze wert niht spannen lankZie H. Beckering Vinckers in Tijdschrift 39, 148, die ‘lekker’ als mannelijk lid verklaart..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut