Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lekkage - (lek; weglopen van vocht als gevolg van een lek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lekken ww. ‘wegdruppelen; vocht of gas doorlaten’
Mnl. misschien al in de samenstelling lecmoes [1252], zie → lakmoes, dan lecken ‘wegdruppelen, lekken’ in dair doir lecket dat soute water in den putte ‘daardoor druppelt het zoute water in de put’ [1440; MNW]; vnnl. ‘vocht doorlaten’ in die scouwen lecten ‘de turfschuiten lekten’ [begin 16e eeuw; MNW]; nnl. overdrachtelijk ‘doelbewust vertrouwelijke informatie doorspelen’ [1984; Van Dale], naar de pers gelekt [1991; NRC].
Causatief van het werkwoord leken ‘lekken, druppelen, doorsijpelen’, zoals bijv. ook → trekken bij oorspr. treken. Mnl. leken was oorspr. een sterk werkwoord van de vijfde klasse (stamtijden lack, laken, geleken), zoals in vanden enen laghelen dat lack xxv halftaken ‘wegens dat ene vat waaruit 25 halftaken (inhoudsmaat) weglekte’ [1286; CG I], maar werd later zwak vervoegd, zoals in dat vierendeel ... utelekede van den wine ‘dat een kwart van de wijn weglekte’ [1360; MNW uteleken]. Mnl. lecken nam algauw de onovergankelijke betekenis van leken over, waarna leken in de standaardtaal verouderde.
Bij het sterke werkwoord leken horen: ohd. lechan ‘lek zijn’ (mhd. lechen); me. leken (ontleend aan mnl. of on.; ne. leak); on. leka ‘lek zijn, druppelen’ (nno. leka); < pgm. *lekan-.
Bij lekken horen: mnd. lecken ‘laten druppelen’; ohd. lecken ‘bevochtigen’ (nhd. lecken ontleend aan het nnd.); oe. leccan ‘bevochtigen’; on. leka ‘lek maken’; < pgm. *lakjan-.
Daarnaast staat de afleiding pgm. *leka- (bn.) ‘lek, lekkend’, waaruit: mnl. lec (zie onder); mnd. leck; vnhd. lech (maar nhd. leck ontleend aan het mnd.); oe. *lec (geschreven als hlec); on. lekr (nijsl. lekur); nzw. läck is ontleend aan mnd. of mnl. Zelfstandig gebruik hiervan leidde tot: mnl. lec (zie onder); mnd. lek; vnhd. leck (ontleend aan het mnd.); on. leki; alle ‘lek, plaats waar het lekt’.
De verdere herkomst van de wortel pgm. *lek- is onzeker. Misschien verwant met Oudiers -lega ‘smelt, lost op’, Welsh llaith ‘damp, vocht’, Bretons leiz ‘id.’; < pie. *leg- (IEW 657).
De jonge, overdrachtelijke betekenis lekken ‘doorspelen van vertrouwelijke informatie’ is ontleend aan het Engelse werkwoord leak.
lek bn. ‘doorlatend, niet dicht’. Mnl. mijn scip is lec ‘mijn schip is lek’ [1450-1500; MNW]. Voor de etymologie zie boven. ♦ lek zn. ‘plaats waar vocht of gas doorsijpelt’. Mnl. de lecken ..., daer tlandt mede beschadicht mach wesen ‘de lekken waardoor het land kan zijn vernield’ [1384; MNW]; vnnl. lecke, leke ‘lek in een schip’ [1599; Kil.]. Voor de etymologie zie boven. ♦ lekkage zn. ‘een lek, het lekken’. Vnnl. leckagie van Schepen [1580; WNT], door 't lekken aan 't dak, ... eenige lekkagie [1678; WNT]. Afleiding van lekken met het achtervoegsel → -age. Het woord is oorspr. NN, maar is tegenwoordig ook in het BN bekend. Op dezelfde wijze gevormd is Engels leakage ‘het lekken’; Zweeds läckage is ontleend aan het Nederlands.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lekkage znw. v., mnl. leccage, leckaetse, mnd. leckasie (> nde. lækage, nzw. läckage), is met het fra. suffix -age van lekken 1 gevormd (zie voor een derg. afl. nog tuigage).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lekkage znw. Afl. van lekken I met fr. suffix; vgl. tuigage. ’t Woord is ook ndd. Daaruit zijn ontleend de. lækage, zw. läckage.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lekkage ‘lek; weglopen van vocht als gevolg van een lek’ ->? Duits Leckage ‘lek in een schip; verlies als gevolg van lekkage’; Deens lækage ‘lek; weglopen van vocht als gevolg van een lek’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors lekkasje ‘lek; weglopen van vocht als gevolg van een lek’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds läckage ‘de omstandigheid dat iets lekt; dat wat weglekt; verlies’ (uit Nederlands of Nederduits); Tsjechisch lekáž ‘lek in een schip; het weglopen van vocht als gevolg van een lek’ (uit Nederlands of Nederduits); Russisch lekáž, likáž ‘weglopen van vocht als gevolg van een lek’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut