Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

leiden - (brengen, voeren; aanvoeren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

leiden ww. ‘brengen, voeren; aanvoeren’
Onl. leidon ‘brengen, voeren’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. leiden ‘brengen, voeren’ in her nam dat kínt bi der hant. ende leite it in den hof ‘hij nam het kind bij de hand en voerde het door de tuin’ [1201-25; CG II], ‘aanvoeren’ in so leeden de cranen de scaren ‘zo voerden de kraanvogels de zwermen aan’ [1287; CG II].
Os. lēdian (mnd. leiden, leden); ohd. leiten (nhd. leiten); ofri. lēda (nfri. liede); oe. lǣdan (ne. lead); on. leiða (nzw. leda); < pgm. *laid-jan-, causatief van → lijden in de betekenis ‘gaan’, zoals die nog voorkomt in → overlijden en → geleden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

leiden* [doen gaan, aanvoeren] {oudnederlands leiden 901-1000, middelnederlands le(i)den} oudsaksisch ledian, oudhoogduits leiten, oudfries leda, oudengels lædan (engels to lead), oudnoors leiða; causatief van lijden [gaan].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

leiden ww., mnl. leiden, lêden, onfrank. leiden, os. lēdian, ohd. leiten, ofri. lēda, oe. lædan (ne. lead), on. leiða ‘doen gaan, voeren, leiden’. — Germ. *laiðjan is een causatief van lijden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

leiden ww., mnl. leiden, lêden. = onfr. leiden, ohd. (nhd.) leiten, os. lêdian, ofri. lêda, ags. læ̂dan (eng. to lead), on. leiða “doen gaan, voeren, leiden”, germ. *laiðianan, causativum van *lîþanan “gaan”; zie lijden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

leiden o.w., Mhl. id., Onfra. leiden, Os. lêdian + Ohd. leiten (Mhd. id., Nhd. id.), Ags. læ’dan (Eng. to lead), Ofri, léda, On. leiđa (Zw. leda, De. lede): als factit. van denz. stamgraad als 't enk. imp. van lijden 1 (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

leie (ww.) leiden; Aajdnederlands leidon <901-1000>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

lei II: bestuur, gids wees, rigting gee, voer (’n lewe – ), Ndl. leiden (Mnl. leiden/lēden), Hd. leiten, Eng. lead, ’n kous. v. Ndl. lijden (v. ly I).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Leiden = doen gaan, zie Lijden. Hiervan leidsel d.i. leedzeel, en zeel = touw (Hgd. Seil).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

leiden ‘doen gaan, aanvoeren’ -> Negerhollands lei ‘doen gaan, aanvoeren’; Papiaments † lei ‘doen gaan, aanvoeren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

leiden* doen gaan, aanvoeren 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1358. Nu was Leiden ontzet,

d.w.z. nu was de nood geleden, nu was men uit den nood, de verlegenheid; eene herinnering aan het ontzet van Leiden (3 Oct. 1574). Zie het Ndl. Wdb. X, 2063; Witsen, 98; Van Effen, Spect. XI, 35 en XII, 142; Br. v. Abr. Bl. I, 336 en vgl. het fri. Leijen (of de boarch) is ontset.

916. Holland is in last,

d.w.z. er is groote nood; meestal toegepast op hen, die van een beuzeling een groote zaak, veel drukte maken; zie ook Molema, 163 b. Dat deze zegswijze niet, zooals Borchardt bij de verklaring van Holland in Nöten meent, uit den tijd van onze oorlogen met Lodewijk XIV dagteekent, bewijst het voorkomen bij Sartorius III, 4, 82: Bijt hem een vloo, soo is Holland in last: in eos, qui quamtumlibet levi de re graviter perturbantur, perinde ut in maxima. Zie ook Winschooten, 134; Smetius, 72; Brederoo, Sym. s. Soet. 448; Ndl. Wdb. VI, 881; De Amsterdammer, 4 Jan. 1914, p. 2 k. 2: En als er dan, na maanden, nog een kindje komen moet, is Holland natuurlijk in last; O.K. 8: Ja, lach jij maar, later is Holland in last, als je maag geen enkele fatsoenlijke neiging meer heeft; Het Volk, 1 Nov. 1913, p. 6 k. 2: Hadden zij niet zooveel huizen onbewoonbaar verklaard, dan was Holland nu niet in last geweest; enz. Volgens Tuinman I, 300 ziet deze zegswijze op den toestand van ons land in 1562, toen we geteisterd werden door een watersnood, en er ‘een penning geslagen wierd, vertoonende een schip, dat van hevige stormwinden en watergolven geslingert, en op 't zinken was. Hierop stonden mannen, die met de handen op hunne hoofden, volgens 't omschrift, baden: Domine, salvo nos, perimus’. Ook dit kan niet juist zijn, daar, zooals gebleken is, de uitdr. reeds in 1561 bij Sartorius voorkomt. Tot nu toe is de oorsprong dus niet bekend.Dr. A. J Botermans meent, dat men niet aan een bepaald feit behoeft te denken, daar men eigenlijk wilde zeggen: ‘of de andere provinciën al in moeilijkheden geraken of verkeeren, of zij zich al opofferingen moeten getroosten ten gerieve van Holland en Zeeland - dat komt er natuurlijk niet erg op aan, als 't Holland (en Zeeland) maar wèl gaat. Maar o jé - als men 't daar te kwaad krijgt: dan is Holland in last; en dat is heel wat erger!’ (Taal en Letteren XI, 442). Vgl. Leiden is ontzet! Leiden in nood (Harreb. II, 15 a) en Fokke, B.R. 2, 197: Dan was Holland in last en Zeeland in arbeid (dan was alles angst en vrees).

Naast dez uitdr. vindt men ook Leiden is in last; zie o.a. Het Volk, 13 Sept. 1913, p. 2 k. 4: Toen was Leiden natuurlijk in last (toen had je de poppen aan 't dansen); 30 Oct. 1913, p. 2 k. 4: Dan zou Leiden in last geweest zijn; Nkr. I, 1 Dec. p. 6: Na het vreeselijk gebeuren was Leiden in last; Handelsbl. 8 Oct. 1913 (ochtendbl.) p. 3 k. 2: Toen had hij ternauwernood genoeg om een bordje rijst te koopen. Leiden in last.

1023. Jan(tje) van Leiden,

voorkomende in de uitdr. zich met een Jantje van Leiden van iets afmaken, d.i. zich met een ‘mooi praatje’ van iets afmaken. Jan van Leiden of Jan Beukelszoon, het hoofd der Wederdoopers, stond in de 17de eeuw bekend als een man ‘die door syne bedriechlicke scherpsinnicheydt ende cloeckheydt’Orlers, Beschreyving der stad Leiden, bl. 318. de menschen wist te bedriegen. Een geschiedschrijver uit dien tijd, Lamb. Hortensius, noemt hem ‘ingenium subdolum, ad simulandum et dissimulandum quodlibet promptum’ en spreekt van zijn ‘loos verciersel’ (verdichtselen), zijn ‘schalck en gheveynst’ gemoed en zijn ‘vleyende redenen’.Hortensius, Boek v.d. Oproeren der Wederdooperen, anno 1660, bl. 46, 50, 100. Deze bronnen heb ik te danken aan een vriendelijke mededeeling van Prof. P.J. Blok. Hij stond dus bekend als een mooiprater. Vooral de ‘looze vercierselen’ zullen aanleiding gegeven hebben tot de in de I7de eeuw gebruikelijke zegswijze het afleggen met Jan van Leyen, d.i. iemand met een mooi praatje afschepen, zich met een mooi praatje van iets afmaken, dat we lezen bij Coster 510, vs. 428; Lichte Wigger 19 v; Pamfl. Muller 662 (anno 1608), 3 r; V. Janus, 330: Als het daarop aankomt, dan legt hij het met Jan van Leyen af. Hieruit heeft zich de tegenwoordige beteekenis van ‘ontwijkende praatjes’ ontwikkeld, die reeds in de 18de eeuw bij Tuinman I, 232 op den voorgrond treedt: zo maakt men een aflegger met Jan van Leiden, dat zegt men boertende wanneer men iets niet uitleggen wil.Voor afleggen in dezen zin zie Ndl. Wdb. I, 1137 en Sewel, 32: Hy meende het met gekscheeren af te leggen: he intended to come it off with a droll; Halma, 252: Iets met een kakkerlakje afleggen, se tirer doucement d'affaire par une échappatoire, par une excuse frivole; vgl. Ndl. Wdb. VII, 908.

Naast deze zegswijze is ook bekend afloopen met een Jantje van Leiden, d.i. met iets onbeteekenends afloopen, op niets uitloopen, bij Harreb. I, 356 nog: Hij laat het met Jantje van Leiden afloopen; daarna kreeg ‘een Jantje van Leiden’ de beteekenis van een ontwijkend antwoord, een onbeduidend praatje, o.a. Het Volk, 4 Nov. 1913, p. 6 k. 4: De burgemeester maakte er zich in zijn antwoord vrijwel met een Jantje van Leiden af; De Arbeid, 15 Nov. 1913, p. 1 k. 1: Hij maakte zich er af met een Jantje van Leiden.

1111. (Van) katoen geven,

buitengewoon zijn best doen; iemand duchtig afranselen, dial. iemand katoenen, iemand afranselen; de les lezen. In tooneeltaal verstaat men er onder zinnen met overdreven stemuitzetting en kracht zeggen; hol pathos; syn. van van draad geven of (hem) van hakkiedou geven (Onze Volkstaal III, 254; Handelsblad, 7 Maart 1917 (O), p. 3 k. 2Een werkelijke actrice, die zooals 't heet ‘'m van hakkidouw gaf’., naast een ww. hakkidouwen in Handelsblad, 17 Juni 1919 (A): Soberheid in elke uiting, ‘hakkidouwen’ is gedaan; het tooneel moet ons ontroeren, zonder lach en zonder traan). De uitdr. is algemeen bekend ook in den vorm katoen geven in Zuid-Nederland; zie Molema, 197: Van ketoen geven, er dapper op inslaan, uit alle macht werken, kloppen, enz.; Gunnink, 146; Nkr. IV, 15 Mei p. 2; 8 Mei p. 4; VI, 1 Juni p. 3; 14 Sept. p. 2; 9 Nov. p. 4; Zondagsblad v. Het Volk. 2 Mei 1914, p. 1 k. 2: Hij sprak als deelde hij meppen uit; hier een en daar een, en geef-'m-van-katoen; Handelsblad, 18 Sept. 1913 (ochtendblad), p. 1 k. 6: Zelf speelde de heer Schwab den aanvoerder der familie, graaf Ladislaus. Het deed deugd hem zoo ‘van katoen’ te zien geven; 27 April 1913, p. 1: In Paljas gaf hij 'm te veel van katoen, wellicht aangemoedigd door het applaus, dat des te sterker weerklinkt, naarmate het spel pathetischer is; Zondagsblad van Het Volk, 25 Oct. 1913, p. 1 k. 2: Ha, dat pakt! Nou zal ik 'em van katoen geven; Nw. School, VIII, 184: En dan besluit-ie, 'em even modern van katoen te geven; Handelsblad, 5 Sept. 1915 (ochtendbl.) p. 6 k. 4: Mevrouw de Vries geeft 'm van schietkatoen. We sidderen bij 't schermvallen; Schuermans, Bijv. 150; Joos, 79; 't Daghet XII, 187; Rutten, 108: katoengeven, hardloopen, alle pogingen aanwenden om iets te bekomen; Teirl. II, 115: katoen geven, met kracht, drift, geweld te werk gaan; zijn uiterste best doen; fr. donner du coton, donner de la peineLorédan Larchey, I, suppl. 36; nouveau suppl. 68.. Van katoen krijgen, er vanlangs krijgen, vgl. C. Scharten, de Roeping der Kunst, bl. 228: In het derde gedeelte van het tweede hoofdstuk krijgt zóó eerst Neels schoonzuster, de goedhartige en heerschzuchtige Nel, van katoen. In de plaats hiervan zegt men ook lamet -, peper -, scheut -, sneê -, draad -, lonte - (Schuermans), snaar geven (Schuerm. Bijv. 308); klouw geven (Joos, 79); fut -, (van) de kodde -, lament -, van de latte -, van (n)ijken -, van de neute -, krepee -, snoer -, poer of poeier, zwee geven, enz. (zie De Bo), gers of beurze geven (Kl. Brab.), gas, jas, kemp, van den moor, borze geven (Waasch Idiot.); feter geven of krijgen, een pak slaag (Antw. Idiot. 417); gort, gras, wind geven, hardloopen (Kinderspel en Kinderlust I, 67). Blijkens de Zuidnederlandsche uitdrukkingen van de lamet of lament geven, d.i. (van) de lampepit geven, moeten wij onder katoen lampekatoen, katoengaren verstaan, dat in groote rollen kluwens wordt opgewonden en een lange lijn vormt, zoodat we de uitdr. kunnen vergelijken met feter -, bucht -, (van) draad -, snoer -, snaar -, klouw (kluwen) geven en onze uitdr. bocht geven en botgeven. (Van) katoen (geven) beteekent derhalve ruimschoots (eig. waarbij de schoot gevierd is), in volle mate, niet gering, flink geven (zie no. 973) en in toepassing op eenigen arbeid: flink werken, zich krachtig inspannen; of bij een strafoefening: duchtig afranselen, van Delft tot Leiden geven, zooals men in de 17de eeuw zeide, waarvoor men in Groningen, volgens Molema, 538 a, nog zegt: hij krigt van Laiden noa Delft (zie Ndl. Wdb. VIII, 231). Misschien mag ook vergeleken worden iemand trens, laken (zie Schoolm. 254) geven, iemand afrossen; hij geeft 'm van Jetje (eig. sajet? Köster Henke, 28Door Voorzanger en Polak, bl. 165 wordt gedacht aan een verkleinw. van jad, hand.); Haagsche Post, 20 Juli 1918, p. 857, k. 3: Die lui van 't Rembrandtplein geven hem, wat je noemt, geweldig van Jetje; A.v.A.: 'k Ga na 't Zeemanshuis, dan lichten ze je daarover eventjes bij..... van geef 'm jetje; V. Hulzen, Machteloozen, bl. 117; Kunstl. I, 1: Stil toch lieve mins, schreeuw soo niet.... de bure salle denke dat 'k m'n wijfje van jetje geef; Handelsblad 4 Sept. 1915 (avondbl.), p. 6 k. 4: Armzwaaiend vloog ze over de heele breedte van de Bühne, al maar roepend: ‘'t Is vreesselk, 't is vreesselk’. Het was duidelijk: Do wou 'm van Jetje geven; Do wou, bij wijze van verrassing, es laten zien wat ze kon.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut