Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lei - (gesteente)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lei zn. ‘blauwgrijs gesteente; plaat van dat gesteente’
Mnl. leye ‘leisteen, stuk leisteen’ in de samenstelling leydecker ‘leidekker’ [1343-45; MNW leyendecker], leyendecker ‘id.’ [1361-66; MNW], dan een rijst leyen ‘een bepaalde hoeveelheid leiplaten’ [1377-78; MNW], ook algemener ‘steen, rots’, in een steen der stotinghe ende een leye der scandalisieringhe ‘een steen des aanstoots en een rotssteen der ergernis’ [begin 15e eeuw; MNW], leye ‘schrijflei’ [1477; Teuth.].
Het woord is beperkt tot het Nederlands en het Duits en is wrsch. afkomstig uit het belangrijkste wingebied van het gesteente in deze regio, het Rijnlandse Leisteengebergte, waar zich ook de bekende rots Loreley bevindt. Vermoedelijk is het een oud leenwoord uit Gallisch *lēi.
Os. leia; mhd. leie, lei ‘rots, lei’ (nhd. vero. Lei(e)); ofri. laie ‘lei’ (nfri. laai ‘lei’).
Ontlening uit het Gallisch wordt ondersteund door: Oudiers līe, līa ‘steen’. Verdere verwanten zijn niet bekend. Misschien is het een woord uit een voor-Indo-Europese substraattaal.
Lit.: Frings 1966, 198

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lei1 [gesteente] {leye, lei 1377-1378} oudsaksisch leia [rots, steen], middelhoogduits leie (vanwaar de Lorelei), waarschijnlijk kelt., vgl. oudiers lía(c), gaelisch leac, welsh lech, grieks laas [steen, kei].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lei 1 znw. o. v., mnl. leye v. ‘rots, lei’ (sedert de 16de eeuw ook ‘schrijflei’), os. leia v., mhd. leie, lei ‘rots, lei’, vgl. owfri. laeyde ‘van lei’. — Daar het woord uitgegaan is van het Rijnse leisteengebied, zal het wel ontleend zijn aan een woord van de gallische voorbevolking, vgl. oiers lie ‘steen’, verwant met gr. lãas ‘steen’ vgl. Th. Frings Germ. Rom. 1932, 216 (maar IEW 683 noemt hierbij niet het germ. lei). Het is niet onmogelijk, dat dit woord van vóór-idg. herkomst is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lei II znw., mnl. leye v. “rots, lei”, sedert de 16. eeuw ook “schrijflei”. = mhd. (nhd.) leie, lei v. “rots, lei”, os. leia v. “rots, steen”, (owfri. laeyde bnw. “leien”). Oorsprong onzeker. Wij zouden van de bet. “het gladde” kunnen uitgaan en ’t woord van de bij leem besproken basis afleiden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lei II. Mogelijk is gr. líthos ‘steen’ verwant (Petersson Idg. Heterokl. 176 vlgg.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lei 1 v. en o. (steen), Mnl. leie, Os. leia = rots + Mhd. leie (Nhd. lei. als in Lorelei); wellicht verwant met Oier. lia, Gaël. leac, We.. lech (crom-lech) = steen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

lei (zn.) dakpan; Middelnederlands leye <1343-1345>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

lei I: gesteente (bv. in leiklip; skryflei); Ndl. lei (Mnl. leye), verb. is gesoek m. Oie. lie en Gr. lãas, albei “steen”, maar geen sekerheid nie.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

lei(steen) (Keltisch)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Lei (leisteen, schoollei) bet. oorspr. rots (Os. leia = rots).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lei ‘gesteente; plaat daarvan om op te schrijven’ -> Ambons-Maleis lèi, batu lèi ‘schrijfblok’; Javaans lèi ‘schrijflei’; Keiëes le ‘schoollei’; Kupang-Maleis lèi, batu lèi ‘schrijfblok’; Madoerees lei, ēlle ‘schrijfblok’; Menadonees lèi, batu lèi ‘schrijfblok’; Ternataans-Maleis lèi, batu lèi ‘schrijfblok’; Creools-Portugees (Batavia) ley ‘gesteente; plaat daarvan om op te schrijven’; Creools-Portugees (Ceylon) lye ‘gesteente; plaat daarvan om op te schrijven’; Papiaments † lei ‘schrijfbordje’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lei gesteente 1377-1378 [MNW] <Keltisch

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

399. Dat gaat van een leien dakje,

d.w.z. dat gaat gemakkelijk, vlug, als gesmeerd, evenals bijv. een bal vlug en gemakkelijk van een leien dak afrolt. Hooft gebruikt de uitdr. o.a. in zijne Brieven, bl. 352 en 355: Waar uit te scheppen staat, dat de zaak noch veele voeten in d'aarde zouw hebben, ende alzoo alles van geen leyen dak afloopen. Vergelijk verder Verl. Soon, bl. 37; Moortje, vs. 2397: Het sulde duer myn gorregel, al haddet van een laydack geloopen; Sewel, 166: Het gaat of het van een lye dakje rolde, it goes very smooth, it runs well; Tuinman II, 163; Falkl. VI, 175; VII, 45; Sjof. 166: Dat ging dus in den beginne allemaal van een leien dakkie; en Joos, 16: gaan gelijk een steen van een leien dak; fri. it giet fen in leien dakje. In de Zaanstreek zegt men hiervoor ook glooi loopen (Boekenoogen, 249).

1356. Een schoone lei,

voorkomend in de uitdr. een schoone lei hebben, d.i. geen schulden (ook fig.) hebben; niets op zijn kerfstok hebben; op een lei werd (of wordt) iemands debet aangeteekend; Harrebomée II, 15: De lei is schoon; Haagsche Post, 3 Juni 1922, p. 850: Deze Duitsche voormannen zouden bereid zijn het risico te loopen, dat Duitschland bankroet slaat en zijn schulden aan zijn eigen onderdanen verloochent, teneinde althans de schoone lei te krijgen, waarmee men uit zijn faillissement te voorschijn treedt; p. 849: Zoodoende kon het zijn verplichtingen nakomen en de lei schoonvegen. Ook in den zin van ‘een geheele nieuwe toestand’; zie Opr. Haarl. Cour. 15 Juli 1921, p. 6 k. 4: Wij hebben gemeend goed werk te doen door aan alle leerkrachten ontslag te verleenen, opdat uwe commissie zou komen te staan voor een schoone lei.(Aanv.) Vgl. eng. to start with a clean slate, met een schoone lei beginnen, een beter leven aanvangen; to clean the slate, met een schoone lei beginnen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut