Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

leggen - (doen liggen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

leggen ww. ‘doen liggen’
Onl. *leggon ‘leggen’ in thiu lana ... wirtheth ... geleget in thie canales ‘de lana (wol) wordt in de canales (goten) gelegd’ [ca. 1100; Will.]; mnl. leggen ‘doen liggen, zetten’ [1240; Bern.], int graf telegne ‘in het graf te leggen’ [1270; CG I], eie gelegt ‘eieren gelegd’ [1270-90; CG II], die ... mure omme rome leide ‘die muren om Rome aanlegde’ [1285; CG II], ghelde dat wi inden dike hebben gheleghet ‘geld dat we in de dijk hebben gestoken’ [1291; CG I], legghen in ... vancnesse ‘gevangen zetten’ [1291; CG I].
Os. leggian (mnd. leggen); ohd. leggen (nhd. legen); ofri. ledza, lidza (nfri. lizze); oe. lecgan (ne. lay); on. leggja (nzw. lägga); got. lagjan; < pgm. *lagjan-, causatief van *legjan, zie → liggen.
In de loop der eeuwen zijn vele ruimtelijke en overdrachtelijke toepassingen van leggen ontstaan en verdwenen, maar de basisbetekenis is daarbij niet veranderd. Zie → liggen voor een discussie over de relatie tussen liggen en leggen.
leg zn. ‘het leggen (van eieren)’. Vnnl. in 't laetst van Meij hebben haer legh meest uijtgeleijt ‘eind mei hebben (ze) de leg meestal voltooid’ [1636; WNT uitleggen]; nnl. van den leg der vogelen ‘over de leg van de vogels’ [1700; WNT]. Afleiding van leggen in de betekenis ‘eieren leggen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

leggen* [doen liggen] {1201-1250} oudsaksisch leggian, oudhoogduits legen, oudengels lecgan, oudnoors leggja; causatief van liggen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

leggen ww., mnl. legghen, lēghen, os. leggian, ohd. lecken, legen (nhd. legen), ofri. ledza, lidza, lidzia, leia, oe. lecgan (ne. lay), on. leggja. — Germ. grondvorm is *lagjan, causatief bij liggen, vgl. osl. ložiti ‘leggen’, oiers *luigim (< *loghei̭ō) bijv. in fu-llugaimm ‘verberg’ (IEW 659).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

leggen ww., mnl. legghen (lēghen). = ohd. lecken, legen (nhd. legen), os. leggian, ofri. ledza, lidz(i)a, leia, ags. lecgan (eng. to lay), on. leggja “leggen”. Causatiefformatie bij liggen, overeenstemmend met obg. ložą, ložiti “leggen”, ier. fu-lug(a)i “hij verbergt”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

leggen o., Mnl. id., Os. leggian + Ohd. legen (Mhd. en Nhd. id.), Ags. lecgan (Eng. to lay), Ofri. ledza, Go. lagjan: als factit. van denz. stam als ’t enk. imp. van liggen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

lègke (ww.) leggen; Aajdnederlands leggon <1100>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

: in Afr. het die Ndl. ww. liggen en sy kous. leggen (vgl. Hd. liegen/legen, Eng. lie/lay) saamgeval; hou verb. m. laag II, III en IV, laer en leër, en verderop m. Lat. lectus, “lêplek, bed” en Gr. léχos, “bed”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

leggen ‘doen liggen; eieren leggen’ -> Negerhollands lee, leggen ‘doen liggen’; Berbice-Nederlands lek ‘doen liggen’; Skepi-Nederlands lek ‘doen liggen’; Sranantongo lege ‘eieren leggen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

leggen* doen liggen 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1204. Er een knoop op leggen,

d.w.z. met een vloek hetgeen men gezegd heeft als 't ware bekrachtigen, vastmaken; zie o.a. Harreb. I, 421; Zondagsbl. van Het Volk, 7 Maart 1914, p. 1 k. 3: Vooral één der agenten muntte uit in het vloeken en legde op bijna ieder woord den stevigen knoop: g.v.d. In de 18de eeuw: er een band op leggen of er stijve hoepels om leggen (Br. v. Abr. Bl. I, 79 en 278), waarvoor men in Braband nog gebruikt: er eenen band om leggen; in Aardenburg: er een kegg' (wig) op zetten (Noord en Zuid II, 317); in Zuid-Nederland: er eenen doorleggen of er eenen kraker bijzetten (Schuerm. Bijv. 20 a; 175 a; Teirl. II, 180); een knoop er rond leggen (Tuerlinckx, 331). In Willem Leevend VIII, 167: Knoopen van zyn rok laaten vallen; Harreb. I, 421: Hij laat eenige knoopen van zyn' rok vallen; Afrik. hy knoop baie. Hiermede is te vergelijken het fri.: der falt him wol ris in knoop fen 'e jas, holl. hij laat een knoop van zijn broek springen, waarnaast evenwel ook gezegd wordt: hy leit er in skippersknoop op; vgl. ook het fri. knopen draeije, vloeken; hd. einen Trumpf drauf setzen.(Aanv.) Er een keg op zetten komt in de 18de eeuw voor bij Tuinman I, 295; zie Ndl. Wdb. VII, 2027.

1310. Iemand lagen leggen,

d.w.z. iemand op eene bedekte wijze in het verderf zoeken te storten; door kwade praktijken zoeken te benadeelen. De uitdr. wil eig. zeggen iemand strikken spannen, welke bet. blijkt uit het mnl. lage, dat beteekent ‘eene plaats, waar eene valstrik voor iemand gelegd is’, en vervolgens die valstrik zelf. Zie Vondel, War. d. Dieren XCL, vs. 14:

Die andren lagen leyd, oft onderstaet te do'on,
Werd zelfs in 't net gejaeght, en krijght verraders loon.

In de middeleeuwen kende men: enen lagen leggen naast het wkw. lagen of leggen, waarnaast het znw. lageleggere; zie ook Kiliaen: Laeghe, laqueus et insidiae; laeghen legghen, insidiari, tendere laqueos, dat herinuert aan het lat. laqueos disponere, spargere en laqueos alicui obtendere; retia alicui tendere (Journal, 145); Cats I, 469; De Brune, 21; Sewel, 431: Iemand laagen leggen, to ly in wait, to insnare; Halma, 297; Ndl. Wdb. VIII, 830; Mnl. Wdb. IV, 54; De Bo, 600; hd. jemand Fallstricke oder eine Schlinge legen (er laten inloopen); ins Garn (net) gehen, laufen (er inloopen); eng. to lay (a snare) for a p.

1427. Hij moest het loodje leggen,

d.w.z. hij moest het gelag, de gebroken schervenHet Volk, 5 Mei 1914, p. 1 k. 2; fr. payer les pots cassés. betalen; hij kreeg de schuld; hij moest er voor boeten; hij trok aan 't kortste eind. Onder het loodje is oorspr. te verstaan een looden plaatje, ten bewijze dat men bijv. bij een postwagen de vracht heeft betaald; ook een bewijs van betaling in den schouwburg, ofschoon de bewijzen later van papier zijn gemaakt. Vgl. no. 639 en Winschooten, 143: Hij moet het loodje schietenVgl. ons geldschieter en iets ver- of (voor-)schieten., hij moet in het verschot sijn: hij moet voor een ander betaalen; bl. 208: Het komt op zijn kap aan, hij moet het loodje leggen; Haagsche Reize, 74; Sewel, 459: Hy moet het loodtje schieten (voor de andere betaalen), he must pay for the whole company; Halma, 323: Hij moet het loodje schieten, hij moet in 't verschot zijn, il faut qu'il débourse ou avance l'argent; Harrebomée II, 35; Ndl. Wdb. VIII, 2711; Sjof. 80; 97; Jord. 422; Slop. 181: Daar naast (in de gevangenis) lag er een, die voor een heele ploeg het loodje legde, een rechte stommerik; Nkr. II, 13 Sept. p. 6; VII, 18 Oct. p. 4; Dievenp. 112; Speenhoff VII, 77: De polder en 't heele zoodje, die leit 't loodje in Rotterdam; Het Volk, 5 Januari 1914, p. 7 k. 4; 14 Febr. 1914, p. 1 k. 1; 26 Febr. p. 7 k. 1; De Arbeid, 21 Jan. 1914, p. 3 k. 4; enz.

2493. Iemand het vuur na de schenen leggen,

d.i. het iemand zeer moeilijk maken, zoodat hij er zich niet meer uit zal weten te redden; het hem benauwd maken, hem in 't nauw brengen; mnl. het enen na(er) leggen of enen sijn vel verwarmen. ‘Het spreekwoord wordt niet alleen op den geldschuldige, maar ook op den leugenaar en den drogredenaar toegepast. Het zal wel oorspronkelijk zijn van de helsche pijnigingen, die men gebruikte, om iemand te doen bekennen, wat hem te laste werd gelegd, onverschillig of hij 't kwaad al of niet bedreven had, en dus tot de tijden der inquisitie behooren’; Harreb. II, 244 b. Zie verder V. Moerk. 255: Mijn man die leyt mijn het vuur soo na aende scheenen, dat ick altemet krancksinnich ben; Gew. Weeuw. II, 29: Ik zal hem het vuur nader aan zijn scheenen leggen, en die sprong zuur doen opbreeken; Rotgans, Boerenkermis (ed. 1851), bl. 21: Ik zal dat vuurtje jou meer aan de scheenen leggen; Van Effen, Spect. IV, 198: Mars, die de Koningin van Paphos 't vuur zo na aan de scheenen legt, dat die goedaardige sloof 't verzoek van haar Minnaar niet kan afslaan. Hiernaast kwam in de 17de eeuw voor iemand het vuur (of vier) na (of naar) leggen, o.a. in Vondel, Jos. in Egypte, vs. 935; Hooft, Brieven, 253; 473; Ged. I, 189; Brederoo III, 428, vs. 65; Pers, 667 b; bij Tuinman I, 56: Het vuur is hem aan de voeten gelegt, dit is, hy heeft het hard, hy moet veel uitstaan; Sewel, 698: Iemand het vuur heel na aan de scheenen leggen, to put one to his plugers (?) in arguing, to drive him to a non plus. Vgl. ook Zandstr. 62: Hoewel we hun den laatsten tijd 't vuur wat erg warm aangelegd hebben; Nw. Amsterdammer, 23 Januari 1915, p. 11 k. 1: Ze legden hem het vuur nog al na aan z'n schenen; Handelsblad, 23 Mei 1915 (ochtendbl.), p. 2 k. 4: Zelfs toen geruchten de ronde deden dat de Italiaansche regeering zijn bondgenooten het vuur aan de schenen begon te leggen, wisten de Duitsche kranten van den prins geen kwaad; Ndl. Wdb. XIV, 336. Vor Zuid-Nederland vgl. Joos, 112: iemand bij het vuur zetten, iemand zoodanig uitvragen, dat hij spreken moet; Waasch Idiot. 711: iemand bij 't vier zetten, in 't nauw brengen, foppen; Antw. Idiot. 1371: het vier op de teenen hebben, in 't nauw gebracht zijn; het vuur vóór de teenen leggen (vgl. Ndl. Wdb. VIII, 1431); fri. immen it fjûr oan 'e skinen (teannen) lizze, in 't nauw brengen, op de proef stellen; fr. mettre le feu sous le ventre à qqn, le presser vivement, l'exciter (Hatzf. 1050 a); hd. einem Feuer unter den Schwanz, auf (oder unter) den Frack machen, ihn zur Eile oder zum ernsten Angriff einer Sache antreiben (Wander I, 1006).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal