Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

leger - (ligplaats van wilde dieren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

leger 1 zn. ‘ligplaats van wilde dieren’
Onl. legur ‘ligplaats van een dier’ misschien in de plaatsnaam legurlo (plaats op de Veluwe), met als tweede lid lo ‘bos’ [855, kopie eind 9e eeuw; Künzel], leuwon legor (mv.) ‘leeuwenlegers’ [ca. 1100; Will.]; mnl. legher ‘het liggen, ligging’ in te lands leghere ‘zolang het land er ligt’ [1263; CG I], ‘plaats waar men ligt’ in legher dayr men op leget ‘dat waar men op ligt, bed, matras’ [1477; Teuth.]; vnnl. leger der beesten ‘schuilplaats van het dier (een haas)’, leger, heyrleger ‘kamp voor een krijgsmacht’ [1573; Thes.], een langh suer legher ‘een lang zwaar ziekbed’ [1598; WNT].
Os. legar (mnd. leger, legger); ohd. legar (mhd. leger, nhd. Lager o.i.v. Lage ‘ligging’, zie → lager(bier)); ofri. legor, leger (maar nfri. leger ontleend aan het nnl.); oe. leger (ne. lair); on. legr (nzw. läger); got. ligrs; alle ‘ligplaats’ of daarvan afgeleide betekenissen als ‘ligging, positie, legerkamp, graf, bijslaap, bed, ziekbed’; < pgm. *legra-, afleiding van de stam *leg-, zie → liggen.
De huidige betekenis bestond al in het Oudnederlands. De algemenere betekenis ‘ligplaats’ heeft zich in het Nederlands ook vernauwd tot ‘ligplaats van een krijgsmacht’ en nog later tot ‘krijgsmacht’, zie → leger 2.

leger 2 zn. ‘krijgsmacht’
Mnl. legher ‘beleg, belegering’ in doen hon des leghers verdroet ‘toen de belegering hun teveel werd’ [1450-1500; MNW-R]; vnnl. leger ‘kamp van een strijdmacht’ in maecten eenen leger voor Asperen ‘sloegen een legerkamp op voor Asperen’ [1530; MNW], ‘strijdmacht’ in schuerende haerliedene leghere ‘hun strijdmacht vernietigend’ [1562-92; MNW], een heyrtocht ofte legher ‘een krijgsmacht of leger’ [1596; WNT]; nnl. ook ‘krijgsmacht van een gehele staat’ in het Leeger van den Staat [1707; WNT].
Ontwikkeld uit → leger 1 ‘ligplaats’ door de betekenisontwikkeling van ‘plaats waar een strijdmacht bivakkeert’ via ‘kamp van een strijdmacht’ tot ‘strijdmacht’ en ‘krijgsmacht van een staat’.
Oudere woorden voor ‘krijgsmacht’ zijn → heer 2 en mnl. armeye (vnnl. armee) uit Frans armee. Beide zijn geheel verouderd en vervangen door leger.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

leger* [ligplaats, krijgsmacht te land] {1263 in de betekenis ‘ligging, beleg, plaats waar men gelegerd is’; legher [legerplaats van gewapenden] 1599; de betekenis ‘krijgsmacht’ 1596} afgeleid van liggen.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

Leger

Het woord leger is verwant met het werkwoord liggen en de eigenlijke betekenis is dan ook: vaste ligplaats, verblijfplaats van dieren, in het bijzonder van wild als hazen, konijnen en herten. Het Duits heeft Lager met een a die onder invloed van Lage is ontstaan, het Engels heeft lair. Bij uitbreiding wordt leger dan ook gebruikt voor ligplaats voor mensen. Bekend is nog legerstede voor: bed, waarin het tweede woorddeel stede hetzelfde is als stee en stad, namelijk: plaats. Dan gaat leger betekenen: verblijfplaats in de open lucht, inzonderheid van een strijdmacht te velde. Vandaar dat men zegt: het leger opbreken en het leger opslaan. Tenslotte gaat leger dan betekenen: de krijgsmacht zelf.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

leger znw. o., mnl. lēgher m. (o.?), lēghere m. v., ‘ligging, belegering, ligplaats, kamp, beschrijving van vaste goederen’, onfrank. leger (in samenst. legerstede), os. legar o. ‘het liggen, ziekbed’, ohd. legar m. ‘ligplaats, het liggen’, ofri. legor, leger o.?, oe. leger o. ‘het liggen, ziekte, ligplaats’, got. ligrs m. ‘bed, ligplaats’. — Gevormd met het suffix -ra van de stam van liggen.

Het duitse lager is sedert Luther de gangbare vorm geworden; waarsch. omdat in zijn dialect mhd. e tot a geworden was; de doorvoering van deze vorm kan gesteund zijn door het daarnaast staande woord lage. — De bet. ‘legertroep’ is sedert 1551 bekend en werd overgenomen > ne. leaguer (1577, vgl. Bense 180).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

leger znw. o., mnl. lēgher m. (o.?), ook lēghere m.v. “ligging, belegering, ligplaats, kamp, beschrijving van vaste goederen” (zeldzaam, vooral laat-mnl. woord). = onfr. lëger (in lëgerstede “cubilibus”, een ook mnl., maar daar zeldzaam woord), ohd. lëgar m. “ligplaats, het liggen” (nhd. lager o. met a onder invloed van lage v.), os. lëgar o. “het liggen, ziekbed”, ofri. lëgor, lëger (o.?) “het liggen”, ags. lëger o. “het liggen, ziekte, ligplaats”, got. ligrs m. “bed, ligplaats”. Met formans -ra-, idg. -ro- van den stam van liggen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

leger v., Mnl. id., Onfra. leger, Os. legar + Ohd. id. (Mhd. leger, Nhd. lager) Ags. leger, Ofri. legore. Go. ligrs = ligplaats + Gr. lékhos = bed: van den praesensstam van liggen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

leër s.nw.
1. Troepemag op land. 2. Groot menigte.
Uit Ndl. leger (al Mnl.).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

leër: 1. lêplek; 2. menigte; 3. oorlogsmag; Ndl. leger (Mnl. lēgher lēghere, “lêplek; ligging; belegering”), Hd. lager, Eng. lair, v. laer.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

Leger des Heils (vert. van Engels Salvation Army)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

leger ‘krijgsmacht te land’ -> Engels leaguer ‘belegeringskamp; beleg’; Schots † ligger, liggar ‘militair kamp (van een belegerende macht); beleg’; Zweeds läger ‘kamp’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins leiri ‘plaats waar een leger zich genesteld heeft; kamp’ ; Sranantongo legre ‘krijgsmacht te land’.

leger ‘ligplaats van dieren’ -> Fries leger ‘ligplaats van dieren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

leger* ligplaats (van dier) 1100 [Willeram]

leger* krijgsmacht te land 1596 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut