Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

leeuw - (roofdier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

leeuw zn. ‘katachtig roofdier (Panthera leo)’
Onl. lewo ‘leeuw’ in fan mitton uuelpo leono ‘uit het midden van de leeuwenwelpen’ [10e eeuw; W.Ps.], thie pardi ande thie lewon ‘de panters en de leeuwen’ [ca. 1100; Will.]; mnl. leu ‘leeuw’ [1240; Bern.], ook in de verkleinvorm lewekin ‘leeuwtje’ [1240; Bern.], in des leuwen mond ‘in de bek van de leeuw’ [1285; VMNW]; een frequente vorm is daarnaast ook het aan het Picardisch ontleende mnl. lioen, zoals in lyoene, tygren, ... linx ende beren ‘leeuwen, tijgers, lynxen en beren’ [1300-25; MNW-R].
Via Latijn leō (genitief leōnis) ‘leeuw’ ontleend aan Grieks léōn ‘id.’. De -w- in het Oudnederlands is een intervocalische overgangsklank. Het Griekse woord is ontleend, maar onbekend is uit welke taal. De Semitische woorden voor ‘leeuw’ (Hebreeuws lāvīʾ, Assyrisch labbu, Akkadisch lābu) wijken te veel af.
leeuwin zn. ‘vrouwelijke leeuw’. Mnl. lewinne [1240; Bern.]. Afleiding van leeuw met het achtervoegsel → -in dat vrouwelijke persoons- en diernamen vormt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

leeuw [katachtig roofdier] {leu, leeu(we) 901-1000} oudhoogduits lewo, oudengels leo < latijn leo < grieks leōn [leeuw], uit het semitisch, vgl. akkadisch labbu [leeuw].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

leeuw znw. m., mnl. lêwe, leeu m., onfrank. 2de nv. mv. leono, mnd. lēwe, ohd. lewo (nhd. löwe), leo, louwo (plaatsnaam Lauenburg), ofri. lauwe v. ‘leeuwin’, oe. on. leo. — Deze woorden gaan grotendeels terug op lat. leo < gr. léōn misschien uit het semietisch, vgl. hebr. labi, assyr. labbu. — Opmerkelijk is ohd. louwo < germ. *laujan, dat wel een vervorming zal zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

leeuw znw., mnl. lêwe, leeu m. = onfr. *lêwo (? Of *leo? Alleen de gen. mv. leono komt voor), ohd. lewo (nhd. löwe), leo, louwo, mnd. léwe, (ofri. lauwe v. “leeuwin”), ags. léo (eng. lion uit het Fr.), on. leô m. “leeuw”. Ontl. uit lat. leo (gr. léōn; misschien van egypt.-sem. oorsprong). De vormen met ê zullen wel klankwettig zijn (vgl. geeuwen), van ohd. louwo, mhd. löuwe is dat onzeker: zoo neen, dan moeten we vervorming aannemen, niet een geheel anderen oorsprong. Lit. lëvas “leeuw” komt uit ’t Germ., evenzoo obg. lĭvŭ “id.” Oerverwantschap van den lat. en den germ. leeuwnaam is geheel onaannemelijk. Voor een andere dgl. ontl. uit den lat. nomin. zie pauw.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

leeuw 1 m., Mnl. lewe, leu, Os. lêo, gelijk Ohd. lewo (Mhd. lewe, Nhd. löwe) Ags. leo, uit Lat. leo. Gr. léōn dat wellicht uit het Semit. komt: Hebr. lābī, Egypt. labu.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

liew (zn.) leeuw; Aajdnederlands lewo <901-1000> < Latien leo.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

leeu s.nw.
1. Groot katagtige roofdier. 2. Iemand wat dapper en onverskrokke is. 3. (sterrekunde) Vyfde teken van die diereriem. 4. (geselstaal) Soort bier.
In bet. 1, 2 en 3 uit Ndl. leeuw (Mnl. leeuwe in bet. 1, eerste optekening in Die Bybel, waarna ongeveer 1648 in bet. 2, 1740 in bet. 3). Bet. 4 is 'n leenbetekenis van Eng. Lion. Die persoon word so genoem omdat sy dapperheid en onverskrokkenheid aan dié van 'n leeu (leeu 1) her-inner. Die teken word so genoem omdat die vorm daarvan aan dié van 'n leeu (leeu 1) herinner. Eerste optekening in Afr. in bet. 1 in Patriotwoordeboek (1902).
Eng. Lion is 'n verkorting van die handelsnaam Lion lager.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

leeuw: de leeuwen, (de spelers van) de voetbalvereniging Leo Victor. Leo Victor, dat vanwege blessures een slechte competitie speelt, greep haar laatste strohalm, door nog met 1-1 gelijk te spelen tegen MVV. Purperhart scoorde met nog één minuut te gaan de gelijkmaker voor de leeuwen (WS 22-10-1983). - Etym.: Lat. ’leo victor’ bet. ’de leeuw die overwint’.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

leeuw ‘dier, sterrenbeeld’ (Latijn leo)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

leeuw ‘katachtige; naam voor een munt met een leeuw erop’ -> Schots † lew ‘Vlaamse of Nederlandse gouden munt, gangbaar in Schotland’; Noors løve ‘katachtige’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect † liewekin, lieuweken ‘muntnaam’; Indonesisch léo ‘katachtige’; Javaans léyo ‘(Nederlandse) leeuw’; Madoerees liyu ‘katachtige’; Negerhollands leeuw ‘katachtige’; Papiaments † leeuw ‘katachtige’; Sranantongo lew ‘katachtige’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

De Leeuw van Vlaanderen [gevleugeld woord] (1838). De bekende Vlaamse schrijver Hendrik Conscience (1812-1883) publiceert in 1838 zijn historische roman De Leeuw van Vlaanderen, over de strijd van Vlaanderen tegen Frankrijk in de periode van de Guldensporenslag uit 1302. Dit boek steekt de Vlaamse natie een hart onder de riem. Weinig historische romans hebben een zo grote invloed gehad als dit werk. Het is in vele Europese talen vertaald.
De Vlaamse Leeuw [volkslied van Vlaanderen] (1847). Toneelschrijver Hippoliet Jan van Peene (1811-1864) dichtte in 1847 De Vlaamsche Leeuw, sinds 1985 de tekst van het officiële volkslied van de Vlaamse Gemeenschap, waarvan vaak alleen de eerste strofe gezongen wordt. De eerste vier regels luiden: “Zij zullen hem niet temmen, de fiere Vlaamse Leeuw, / Al dreigen zij zijn vrijheid met kluisters en geschreeuw. / Zij zullen hem niet temmen, zolang een Vlaming leeft, / Zolang de Leeuw kan klauwen, zolang hij tanden heeft.”
Een leeuw is eigenlijk iemand, die bang is voor niemand [dichtregel] (1850). De Schoolmeester (Gerrit van de Linde, 1808-1858) publiceerde in 1850 zijn gedicht ‘De leeuw’, met de beginregels “Een leeuw is eigentlijk iemand, / Die bang is voor niemand”. Van de Linde en enkele tijdgenoten legden zich toe op het schrijven van humoristische gedichten waarin gespeeld wordt met de taal.
Een andere bekende regel van De Schoolmeester is: “Een hond is vermaard / Om zijn gezellige aard”. Er wordt wel gedacht dat hij ook de dichtregels “Hier ligt Poot. / Hij is dood” schreef, maar die zijn van de hand van zijn vriend Aart Veder.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

leeuw katachtige 0901-1000 [WPs] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut