Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

leer - (stof uit dierenhuiden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

leer 1 zn. ‘duurzame stof van dierenhuiden’
Mnl. leder [1240; Bern.], de vorm leer voor het eerst in de samenstelling leertouwer ‘leerbereider’ [1480; MNW ledertouwer(e)].
Leer is door syncope van intervocalische -d- ontstaan uit ouder leder.
Os. lethar (mnd. leder); ohd. ledar (nhd. Leder); ofri. lether (nfri. lear); oe. lether (ne. leather); on. leðr (nzw. läder), ode. (runen) leþro; < pgm. *leþra-.
Verwant met: Oudiers lethar, Welsh lledr, Middelbretons lezr ‘leer’; < pie. *letro- (IEW 681); het is mogelijk dat de Germaanse en Keltische vormen onderling ontleend zijn. De verdere etymologie is onbekend. Bij een ontleningsrichting van Keltisch naar Germaans is de onderliggende vorm wrsch. pie. *pletro- en kan het woord verbonden worden met het erfwoord Latijn pellis ‘huid’, verwant met → vel; een overeenkomstige ontlening uit het Keltisch is → lood, Oudiers *lúaíd uit *plu-, te verbinden met Latijn plumbum ‘lood’. Gezien de beperkte geografische verbreiding is ontlening aan een voor-Indo-Europese substraattaal echter ook niet uitgesloten.
leren bn. ‘van leer’. Mnl. lederijn, in lederne budel ‘lederen buidels’ [1367-72; MNW], leederine eemers ‘leren emmers’ [1378; MNW], leren wamboysen ‘leren wambuizen’ [1452-1501; MNW]. Afleiding van het bn. le(d)er met het nog steeds productieve achtervoegsel -en (mnl. -ijn (-īn) < pgm. *-īn-, dat gebruikt wordt voor stoffelijke bn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

leer1*, leder [stof uit dierenhuiden] {leder 1201-1250} oudsaksisch lethar, oudhoogduits ledar, oudfries lether, oudengels leðer, oudnoors leðr; in het kelt. oudiers lethar, welsh lledr, middelbretons lezr; buiten dit gebied zijn geen verwanten gevonden. Met de uitdrukking leer om leer [gelijk met gelijk (vergelden)] bedoelde men een schoenlap om een zool, vgl. lood om oud ijzer. De uitdrukking van leer trekken wil zeggen ‘het zwaard uit de schede trekken’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

leder, leer znw. o., mnl. leder o., os. lethar, mnd. leder, ledder, ladder, ohd. ledar, ofri. lether, oe. leðer (ne. leather), on. leðr ‘leer, huid’. — oiers lethar, kymr. lledr.

De verhouding tussen de germ. en kelt. woorden wordt verschillend beoordeeld. Gewoonlijk denkt men aan een germ. ontlening aan het kelt., die dan door een zeer willekeurige etymologie gesteund wordt (idg. *pletron bij lat. pellis, gr. pélla vgl. J. Loth RC 15, 1894, 370) of bij gr. péltē ‘klein, licht schild’ (< *pe-lt-ā), vgl. W. Wüst, Suomal. Tiede akat. toimituksia 93, 1, 1956, 75. Een andere verklaring verbindt het woord met gr. leïós, lat. levis ‘glad’ en gaat dan uit van ‘gladgemaakte huid’ (J. Loewenthal PBB 53, 1929, 462), die echter op idg. *lei wijzen (IEW 663). Indien dit woord zo moeilijk te etymologiseren is en bovendien alleen in het germ. en kelt. voorkomt, is de herkomst uit een substraattaal te overwegen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

leder, leer znw. o., mnl. lēder o. = ohd. lëdar (nhd. leder), os. lëthar (in lëther-makere m., verder litharin “lederen”), mnd. lēder (ledder, ladder; ook mnl. ééns laeder), ofri. lëther, ags. lëðer (eng. leather), on. lëðr o. “leder, huid”. = ier. lethar “leder”, west-idg. *letro-. Of oorspr. alleen òf germ. òf kelt. en dan door ontl. verbreid?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

leer o.: z. leder. - In van leer trekken, Ndd. van ledder rücken is leer = scheede. Later vervormd tot van leer geven.

leder o., Mnl id., Os. lethar + Ohd. ledar (Mhd. leder, Nhd. id.), Ags. leđer (Eng. leather), Ofri. lether, On. leder (Zw. låder, De. lœder) + Oier. lethar, We.. lledr.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

4leer s.nw.
Soepel en haarlose produk verkry deur die brei van diervelle.
Uit Ndl. leer of leder (Mnl. leder). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

leer III: gebreide vel v. diere; Ndl. leder/leer (Mnl. leder, daarnaas by Kil reeds leer), Hd. leder, Eng. leather, òf aan Kel. ontln. òf andersom, maar onseker (v. dVri J NEW).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

leer ‘stof uit dierenhuiden’ -> Negerhollands leër, leer ‘stof uit dierenhuiden’; Sranantongo ler(buba) (ouder: leri) ‘stof uit dierenhuiden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

leer* stof uit dierenhuiden 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1350. Leer om leer,

d.w.z. gelijk met gelijk vergelden, met gelijke munt betalen; dikwijls met de toevoeging: sla je mij, ik sla je weer (Harreb. II, 12a); mnd. ladder um ladder. Vgl. oog om oog, tand om tand; het lat. par pari referre; hd. Wurst wider Wurst; fr. rendre fève pour pois; eng. tit for tat; to give Roland for an Oliver. In de 16de eeuw komt de zegswijze voor in het Antw. Liedb. 117: Wi willen gaen spelen leer om leer. In de 17de eeuw ook met het achtervoegsel, zooals blijkt uit Taal en Letteren IV, 180, waar geciteerd wordt uit een werk van 1613: Aldus spelen sy (volgens t' gemeen spreekwoort) leder om leder, slaet ghy my, ick sla u weder; Brederoo, Moortje, vs. 1279: Somma speelt leer om leer, en gheeft haar waar om waar; Hooft, Brieven, 462; Rusting, 501; Sewel, 442: Dat is leer om leer, dat is betaald gezet, that is like for like; Halma, 306: Ik zal u leer om leer geeven, je vous rendrai pain pour fouace; Ndl. Wdb. VIII, 1208: Villiers, 72; enz. Syn. is de uitdr. lap om leer (17de eeuwV.d. Venne, 257: 't Is lap om leer, smijtje mijn, ick beuckje weer.), die hier en daar nog gebruikt wordt; zie Ganderheyden, Groningana, 35 b en Tuinman I, 297: 't Wil zeggen, een schoelap om een zool, d.i. lood om oud ijzer. In Westvlaanderen schijnt de uitdr. te beteekenen ‘om het zeerst’; zie De Bo, 1036 b, die haar gebruikt ter verklaring van slag om slinger. In het oostfri.: lër um lër (sleist du mi, sla ik di wër); fri. lear om lear.

1351. Van leer trekken,

d.w.z. beginnen te vechten; 16de eeuw: van scheede trekken; hd. vom Leder ziehen; oostfri. fan lër trekken. Onder leer, eig. leder, moet men verstaan de leeren scheede, waarin de sabel gestoken is. Zie Plantijn: Het sweerdt van leder trecken, desgainer une espee, educere e vagina gladium; Kiliaen: Leder, vagina; van leder trecken, educere gladium e vagina, ensem stringere; ducere ensem, mucronem, ferrum. Zie o.a. Huygens IV, 201; Brederoo III, 37; Verm. Avant. II, 162: Dit gesegt hebbende, trok hy van leder, vallende my, met het rapier in de hand, aan; Halma, 306: Van leer trekken, den degen of het mes trekken, en découdre, dégainer; Sewel, 441; Tuinman I, 279; Schoolmeester, 245: Wat trekken die vlooien hier ongemanierd van leer; Nkr. I, 15 Sept. p. 3; IV, 11 Dec. p. 2; V, 22 Jan. p. 3 (van leer geven); Ndl. Wdb. VIII, 1209; XIV, 323; enz. Schuermans, 339 deelt mede, dat deze uitdr. in Limburg beteekent: opdokken, de beurs trekken, over de brug komen; en: de vlucht nemen, loopen gaan. Vgl. ook Rutten, 130: (van) leer krijgen, slagen krijgen; Teirl. II, 204; van 't leer krijgen, slaag krijgen, gefopt, bedrogen zijn; verliezen (in 't spel); ook iemand van ('t) leer geven, waar eerder aan een leeren riem moet worden gedacht; vgl. no. 1350.(Aanv.) Zie Ndl. Wdb. XIII, 1814.

1929. Het is goed riemen snijden uit een andermans leer,

d.w.z. men kan gemakkelijk met het geld van een ander royaal zijn, onbekrompen uitgaven doen; het is goed spinnen met een andermans garen. Vgl. Bouc van Seden, vs. 537:

 Dune moets uut ander mans siden
 Ne gheene breede riemen sniden.

Zie verder Coninx Somme, 430: Uut ander lude leder sneden si brede riemen; Goedthals, 29: men snyt breede riemen wt ander lieden rugge; Prov. Comm. 776: wt vremder huyt snijtmen breede riemen; Campen, 111: wt ander luyde leer is guet rijmen snijden; Winschooten, 207; De Brune, Bank. I 337: uyt een anders kasse is 't licht geld te tellen; V.d. Venne, 229: wt ander luyden vleys is 't goet hackten snijden; Cats I, 429: 't is licht groot vuur maken van een anders turf (Harreb. II, 348 b); Halma, 539; Afrik. Van 'n andermans se vel (leer) breë rieme sny; Joos, 86, 175; De Cock1, 224: het is goed spinnen van een andermans garen; Suringar, Erasmus L, waar meer dan veertig varianten worden opgegeven; Ndl. Wdb. XIII, 113; Bebel, no. 245; mlat. corrigias exide alieno in tergore largas. Voor het ndd. vgl. Taalgids V, 176 en voor het hd. Wander II, 438: aus fremdem Leder ist gut Riemen schneiden; fr. du cuir d'autrui large courroie; fri. fen in oarmans lear ist goed riemen snijen. (Aanv.) Vgl. mlat. de cute non propria scinditur absque bria (= mensura).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut