Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

leep - (bn. sluw, doortrapt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

leep bn. ‘sluw, doortrapt’
Mnl. leep, lijp ‘tranend of ontstoken’ in jeghen leep oghen est oec goet ‘het werkt ook goed tegen tranende ogen’ [1287; CG II], leepheit ‘oogontsteking’ [ca. 1440; Harl.], lijpogen ‘tranende ogen hebben’, lijpogich ‘scheel’ [beide 1477; Teuth.]; vnnl. nog leep ‘met vuile of tranende ogen’ [1599; Kil.], maar vooral ‘bedenkelijk’ in dit wort een lepe cluyte ‘dit wordt een bedenkelijke, rare historie’ [1504; MNW] en ‘gewiekst, sluw’ in die alder leepste dille ‘het allerdoortraptste meisje’ [1544; WNT], een ... leep oft loos vosken ‘een sluw of onbetrouwbaar vosje’ [1567; WNT], een leep oogh maken ‘afgunstige blikken veroorzaken’ [ca. 1600; WNT].
In de andere oude Germaanse talen komt dit woord niet voor, maar de Middelnederlandse betekenis komt exact overeen met die van Latijn lippus ‘met tranende of ontstoken ogen; tranend’; wrsch. is leep dan ook ontleend aan een middeleeuws-Latijnse variant van dit woord. Latijn lippus is wrsch. een afleiding van de wortel pie. *l(e)ip- ‘kleven’, zie → blijven en → leven; ontstoken oogleden kunnen aan elkaar vast blijven plakken. De betekenisontwikkeling van ‘met tranende of ontstoken ogen’ naar ‘sluw, doortrapt’ is vergelijkbaar met die in de uitdrukking vuil (uit de ogen) kijken ‘met een gemene blik kijken’, en zie ook → louche.
Nnd. lēp ‘sluw, slecht, naar’; nfri. liep ‘slim, listig’. Deze woorden zijn relatief jong en kunnen uit het Nederlands zijn overgenomen.
Dat mnl. leep ‘met ontstoken ogen’ (na de 16e eeuw zeldzaam) en (v)nnl. leep ‘sluw’ twee etymologisch verschillende woorden zouden zijn (MNW, FvW, WNT, NEW), waarvan het tweede in dat geval een onbekende etymologie heeft, wordt gebaseerd op het argument dat de oorspr. betekenis van het huidige leep ‘schuin, scheef’ zou zijn geweest. Deze aanname wordt echter niet door schriftelijke attestaties ondersteund.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

leep* [schuin, slim] {1504 in de betekenis ‘schuins, slecht van gehalte, sluw, bijdehand’, vgl. leepaert [deugniet, schurk] voor 1528} vgl. middelnederlands lipen, lupen [scheel zien, schuinse blikken werpen]; etymologie onbekend.

leepoog [waterig oog] {leep oghen 1287} het eerste lid < latijn lippus [tranend, met zere ogen].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

leep

Er zijn twee woorden leep, waarvan op grond van hun betekenis wel mag worden aangenomen dat ze met elkaar verwant zijn. Het ene kennen wij nog in leepoog: tranend oog. Middelnederlands leep betekende: druipend. Het tweede leep had oorspronkelijk de betekenis: schuin, scheef. Een oude zegswijze luidde: een leep oog maken voor: schele ogen maken, anderen afgunstig maken. Uit de betekenis scheef vloeit die van: niet rechtuit, langs sluikse wegen gemakkelijk voort en zo komen wij tot: loos, gewiekst, glad, slim. Velen voelen in leep een woord met een enigszins ongunstige betekenis en die is dus uit de grondbetekenis verklaarbaar.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

leep 1 bnw. ‘met druipende ogen’, mnl. leep. Dit staat zeker in verband met lat. lippus, dat dezelfde bet. heeft. Dit heeft verscherping -pp- en behoort bij de idg. wt. *leip ‘met vet besmeren’ (waarvoor zie: blijven). Het is echter bezwaarlijk alleen voor mnl. leep een idg. wt. *leib te postuleren. Is het misschien een ontl. aan lippus?

leep 2 bnw. ‘slim, gevat’, sedert de 16de eeuw; de oude bet. is ‘schuins, scheef’, vgl. vla. leep ‘met scheve vouwen’, maar nnd. lēp ‘slecht, naar’, fri. liep ‘leep, slim’. Vgl. abl. mnl. lîpen ‘schuinse blikken werpen, grijnzen’, ook ‘schreien’ (zo nog in Friesl. en Overijsel), vgl. nog wvla. lēpen ‘grijnzen’. — Terwijl men een bet. ‘slim’ wel bij de idg. wt. leip, leibh ‘kleverig, besmeren’ zou kunnen rekenen, pleit daartegen zowel de beperking tot het nnl. nnd. fri. gebied en vooral de oudere bet. ‘schuins, scheef’. — De herkomst is vooralsnog duister.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

leep I (slim). Sedert de 16. eeuw in deze bet. en in de oudere bet. “scheef”. Vla. leep beteekent nog “met scheeve vouwen”. Met ablaut dial. (vla.) lijp “id.”, mnl. lîpen “schuinsche blikken werpen, grijnzen” of “schreien” (in deze bet. nog fri. en overijs.); vgl. wvla. leepen “grijnzen, grijnen”. Ndd. komt lêp = “slecht, naar” voor, fri. liep = “leep, slim”. Voor de bett. vgl. slim. De oorsprong is onbekend. Mogelijk — hoewel onzeker — is ’t, dat dit woord evenals leep II, mnl. leep “druipend (van oogen)” een grondbet. “glad, glijerig” heeft gehad, dan zouden wij gr. olibrós “glibberig” (benevens leíbō “ik druppel, giet”, lat. lîbo “ik giet uit, offer”?) kunnen vergelijken en in idg. li-b-, lei-b- een verlenging van li-, lei- (zie leem) zien, of wel een variant van idg. lip- (zie blijven), waarvan o.a. ook lat. lippus “leepoogig” komt. Wellicht gaan zoowel li-b- als li-p- op li- terug. Vgl. nog slippen, slijpen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

leep 1 bijv.(druipoogig), + Oostfri. id.+ Gr. librós = druipend, Lat. lubricus = glibberig; verwant met den wortel van lijf.

leep 2 bijv.(loos), is hetz. als Vl. lijp = in scheeve plooien hangend, en lijpen = uiteengaan: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

leep: – lep – , gew. in verbg. m. , dus le(e)poë, slegsiende, tranerige oë, soms m. oorhangende ooglede; Ndl. (reeds Mnl.) leep, misk. d. geneesh. ontln. aan Lat. lippus, “leepogig”, verderop in verb. gebring m. wd. wat o.a. “vet, vuil, kleef, salf” bet., maar onseker.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

leep ‘sluw’ -> Duits dialect leep ‘sluw; plaag, gesel; slechte mensen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

leep* sluw 1504 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut