Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

leemte - (plaats waar iets ontbreekt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

leemte zn. ‘plaats waar iets ontbreekt’
Mnl. leemte ‘verminking, verlamming van een lichaamsdeel’ [1289; CG I], wondinge, leemden ‘verwondingen, verminkingen’ [1468; MNW leemde]; vnnl. leemte, bij uitbreiding ‘ziekte; zedelijk gebrek, ondeugd’ in alle zijn lemten ... verclaert ‘al zijn gebreken opgebiecht’ [1555; WNT], pocken en leemten ‘puisten en gebreken’ [1564; WNT]; nnl. ‘lege plek’, vooral figuurlijk, in in onze letterkunde eene leemte te vervullen [1851; WNT].
Afleiding van het bn.lam 2 ‘gebrekkig’ met hetzelfde achtervoegsel als in → diepte. Dit achtervoegsel heeft hier de umlaut a > e veroorzaakt.
Mnd. lemede, lembte; mhd. lēmede, lemde; ofri. lemethe, lamethe; on. lemd; alle ‘verminking, verlamming’, < pgm. *lam-idō-; daarnaast met een ander achtervoegsel pgm. *lam-ī(n)-, waaruit: onl. lemī(n) [8e eeuw; LS], mnl. leme; os. lemi; mhd. leme; ‘id.’.
De oorspr. Middelnederlandse betekenis ‘verminking, verlamming van een lichaamsdeel’ is eerst overgegaan in een algemenere betekenis ‘gebrek’. Tegenwoordig wordt het woord alleen nog gebruikt in de overdrachtelijke betekenis ‘het ontbreken van iets, lacune, hiaat’ of concreter ‘plaats waar iets ontbreekt’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

leemte* [gaping, fout] {leemte, leemde 1246} middelhoogduits lem(e)de, middelnederduits lemede, oudfries lemiste, oudnoors lemd [verlamming, gebrekkigheid]; van lam2.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

leemte

Het hedendaagse Nederlands kent het woord leemte alleen in de betekenis: gaping, lacune en speciaal in de verbindingen: in een leemte voorzien en: een leemte aanvullen. Maar het woord heeft een lange weg moeten afleggen alvorens tot die betekenis te komen. Het stamt af van: lam en woorden als: loom en: belemmeren horen tot dezelfde familie. Belemmeren is dus: lam maken en vandaar: hinderen. De oorspronkelijke betekenis van leemte is dus: lamheid, verlamming. Daaruit vloeit die van: ziekte in het algemeen voort. Dan wordt de betekenis op zedelijk terrein overgebracht. Vandaar: fout, ondeugd. Busken Huet spreekt nog over ‘de leemten der amsterdamsche zamenleving’. Veelvuldig kwam de combinatie voor: leemten en gebreken en daardoor kregen deze woorden ongeveer dezelfde betekenis. En uit: gebrek, dat wil zeggen: het niet aanwezig zijn van iets, komt voort: gaping, opening.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

leemte znw. v., mnl. leemte ‘verlamming, verminking’, daarnaast zelden de oudere vorm leemde = mnd. lēmede, lembte ‘verminking, verlamming’, mhd. lēmede, lemde ‘verlamming, verminking’, ofri. lemithe ‘verminking, verlamming’, on. lemd ‘verlamming, verminking’. — Afl. van lam 2. — Een andere afl. is mnl. leme, mhd. leme, os. lemi v.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

leemte znw., mnl. leemte v. “verlamming, verminking”. De oudere vorm leemde v. komt reeds mnl. minder vaak voor. Voor de suffixsubstitutie vgl. hoogte. = mhd. lem(e)de v. “verlamming, verminking, verminkt lid”, mnd. lēmede, lembte “verminking, verlamming”, ofri. lemithe v. “id.”, on. lemd v. “id.”. Abstractum van lam II, evenals ’t synonieme mnl. lēme (zeldzaam), mhd. leme, os. lemi v.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

leemte v., Mnl. leemte en leemde, beide uit *lämede + Mhd. lemede. On. lemd = verlamming, gebrekkigheid , een afleid, van lam 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

leemte: gebrek, tekortkoming; Ndl. leemte (Mnl. leemte, “verlamming”), Mned. lēmede/lembte, Mhd. lēmede/lemde, “verminking, verlamming”, hou verb. m. Ndl./Afr. lam en Eng. lame.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Leemte, mnl, leemde, lemde, leemte, lemte e.a., van lam en dus eigenl.: gebrekkigheid, algemeener: ziekte, daarna ook: zedelijk gebrek, en eindelijk: gaping. Hooft. Ned. Hist. 715: “Graaf Willems linke been ... brak; zulk men hem .., naa Kampen voerde, daar hy lankzaam genas, ende niet zonder leemte te houden”; Oudaan, Poëzy 3, 422: “ Vossius . . . Nu krom van leemt (t.w. jicht); R. Visscher,
Brabbel. 16: “Die eens van uw leemten gingh vertellen…:
lck wed schier niemand, met u sou willen drincken”; Fruin, Geschr. 10, 53: “Dat, al was de uitgaaf der processtukken zonder terughouding ... bezorgd, de stukken zelf toch ook enkele leemten openlieten”; Robbers, Gelukk. Fam. 301 : “Dikwijls ontstonden er leemten in zoo’n gesprek”.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Leemte, afl. op te van ’t oude lemen of lemmen, d.i. een gebrek toebrengen, dus: kwetsen, wonden; verwant met lam en belemmeren, zie die woorden. Vgl. ’t Mnl.: „Ende deen (= de een) ging den anderen lemen (= kwetsen, wonden, verminken) met groten slagen”. Hiervan lem (= gebrek); vgl.: „Helich man, sonder lem’’ = Heilig Man, zonder gebrek. – „De siecken ende gelemde, die eenich lidtmaedt in het oorloch verlooren hadden.” – En bij Vondel: „Zoo scheide ick onverleemt tot tweemael uit het zant.” – Leemte is dus: gebrek.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

leemte* tekort 1555 [WNT]

leemte* gaping 1864 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut