Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

leem - (dennennaald)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

leem2* [dennennaald] {le(e)me [visgraat, vlasstoppels, doppen van koren, zaadstro e.d.] 1285} oudengels, oudnoors lim [lid, tak]; van een i.-e. stam met de betekenis ‘buigen’, waarvan ook lid1 stamt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

leem 2 znw. v. (zuidnl.) ‘naald (van naaldhout)’, (gewestel. ook) ‘houtachtig deel van vlasstengel’, mnl. lēme ‘graat; stoppels van vlas’, evenals on. limr v. ‘lid; twijgje’, lim v. ‘lid; twijgje’, lim o. ‘de bladdragende twijgen’, oe. lim o. ‘lid, tak’ en abl. on. līmi m. ‘takkenbundel, bezem’, een afl. van de idg. wt. *elei ‘buigen’, waarvoor zie: lid 1.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut