Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

leem - (grondsoort)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

leem zn. ‘kleihoudende grondsoort’
Onl. leim ‘leem, slijk’ in an leimo diupi ‘in het slijk van de diepte’ [10e eeuw; W.Ps.] en in de plaatsaanduiding in leinculen, letterlijk ‘in de leemkuil’ (in Maastricht) [1176; Künzel, 223]; mnl. leem ‘witte klei’ [1240; Bern.].
Os. lēmo (mnd. lēm); ohd. leimo (nhd. dial. Leimen, naast Lehm uit het mnd.); nfri. liem; oe. lām ‘klei, slijk’ (ne. loam ‘leem’); < pgm. *lai-ma-; daarnaast *lai-za, waaruit on. leir ‘leem’ en de afleiding *lei-zō-, waaruit on. leira ‘lemig strand’ (nzw. lera ‘leem, modder’).
Ablautend verwant met pgm. *līma- < *leima-, zie → lijm.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

leem1* [grondsoort] {oudnederlands leimo 901-1000, middelnederlands leem, leim} oudhoogduits leimo, oudsaksisch lemo, oudengels lam (engels loam); buiten het germ. latijn limus [slijk, modder, leem], grieks alinein [bestrijken]; ablautend bij lijm.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

leem 1 znw. o. m. mnl. leem, lēme, leim, liem, onfrank. ohd. leimo m. (nhd. dial. leimen), os. lēmo m. (vgl. nhd. lehm uit oostmd.), oe. lām o. (ne. loam) ‘leem, slijk’. — Hieraan beantwoordt lat. limus (< *loimos) ‘slijk, vuil’ en daarnaast abl. lijm. — In deze woorden is m een formans, vgl. on. leir n. ‘leem’ (< *lajiz < es-stam *loi̭es) en leira (< *laizōn) ‘lemig strand’ (IEW 662). — Voor verdere verwanten zie: lijm.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

leem znw. o., mnl. leem (lême? m. o.?). = onfr. ohd. leimo m. (nhd. dial. leimen), os. lêmo m. (nhd. lehm) m., ags. lâm o. (eng. loam) “leem” resp. “slijk”. Deze laatste bet. geeft ook Kil. op. Met ablaut lijm. Een formantische variant is on. leir o. “leem”. Vgl. buiten het Germ. vooral lat. lîmus (wsch. *loi-mo- = leem) “slijk” en verder lat. lino “ik bestrijk”, lêvis “glad”, gr. alī́nō “ik bestrijk, zalf”, leĩos, lītós “glad”. Deze wortel lei- is bezwaarlijk te scheiden 1. van de bij lenig besproken basis lei-, 2. van den anlautsvariant slei-: zie slijm. Vgl. nog blijven, leep I en leep II, lei II.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

leem. Het is beter de hier besproken basis van die van lenig gescheiden te houden, al raken de bett. hier en daar elkaar. Zie lenig Suppl.; vgl. ook lid I Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

leem o., Mnl. id. Onfra. leimo + Ohd. id. (Mhd. leim, Nhd. id.), Ags. lám (Eng. loam): van den sterken graad van denz. wortel als lijm (z.d.w.)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

leim (zn.) 1. leem 2. praatjes, onzin; Aajdnederlands leim <901-1000>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Leem, verwant met lijm (z. d. w.), dus: de kleverige grondsoort.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

leem* grondsoort 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut