Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

leek - (niet-geestelijke)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

leek zn. ‘iemand die niet tot de geestelijke stand behoort; onkundige, oningewijde’
Mnl. di papen bitten leiken ‘de geestelijken met de leken’ [1200; VMNW], leec ‘niet-geestelijke’ [1240; Bern.]; vnnl. leek ‘onkundige, ongeletterde’ in alle mensen, leeke ende gheleerde [1500-20; MNW-P].
Ontleend aan middeleeuws Latijn laicus, bn. en zn., ‘niet geestelijk(e), wereldlijk’, ontleend aan Grieks lāikós, bn. en zn., ‘behorend tot het volk, een van het volk’ [2e eeuw; Mesotten 2004], afleiding van klassiek Grieks lāós ‘het gewone volk’, van onbekende verdere herkomst.
In het Middelnederlands bestond ook het bn. leec ‘niet geestelijk’ [1240; Bern.], dat net als het zn. in de wereldlijke betekenis ‘onkundig, niet-ingewijd’ voorkwam: een leec meester die niet vele van Cyrugie ne wist ‘een onkundige heelmeester die niet veel van chirurgie wist’ [1351; MNW-P].
Mnd. layke, lēk, ook lēkmann; ohd. laihman; ofri. lēka, lēkman; on. leikr, ook leikmaðr (ontleend aan mnd.; nzw. lekman, ozw. ook leker). Evenals mnl. leye ontleend via het Oudfrans: mnd. leye; ohd. leigo, leijo (nhd. Laie); ofri. leia; me. lay (ne. layman).
De betekenisontwikkeling van het Griekse zn. lāikós liep ongeveer van ‘die tot het volk behoort’ via ‘die tot het uitverkoren volk Gods behoort’ naar ‘christelijke notabele’, ter onderscheiding van de gewone niet-gewijde gelovigen. In het middeleeuws Latijn breidde de betekenis zich weer uit tot algemener ‘niet-gewijde gelovige’ [12e eeuw; Mesotten 2004], en vervolgens ook ‘ongeletterde of onkundige’, omdat in de middeleeuwen onderwijs vooral aan de geestelijke stand werd gegeven.
Lit.: Mesotten 2004, 292-293

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

leek2 [niet-geestelijke] {lece 1201-1250} < chr. latijn laicus [niet gewijd, voor het volk, als zn. leek] < grieks laikos [behorend tot het volk], van laos [volk], myceens ra-wo, vermoedelijk van Klein-Aziatische, niet-i.-e. herkomst.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

leek 1 znw. m., mnl. leec znw. bnw. ‘niet-geestelijke; onkundige in een tak van wetenschap’, mnd. lēk, ohd. laihman, owfri. lēk; on. leikr is met klinkersubstitutie uit mnd. lēk overgenomen. Al deze woorden < lat.laicus < gr. laikós eig. ‘wie tot het volk behoort’. — De bovengenoemde woorden zijn geleerde ontleningen; daarentegen komen over romaanse vormen *laigu, laiju (waaruit ofra. lay > ne. lay) de germ. woorden (sedert de 10de eeuw): mnl. leye, mnd. leie, ohd. laigo, mhd. leige, leie (nhd. laie), ofri. leia.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

leek znw., mnl. leec bnw. en znw. m., ook reeds overdr. = ohd. laih- in laihman m., mnd. lêk, owfri. lêk, laat-on. leikr “leek”. Een geleerde ontl. uit lat. laicus (oorspr. lâïcus, gr. lāïkós) “leek”, terwijl mnl. leye, ohd. leigo, leijo (nhd. laie), mnd. leie, ofri. leia m. “leek” op rom. vormen van laicus, *laigu, *laiju teruggaan. Eng. lay “id.” komt van fr. lai, terwijl ags. læ̂wed znw. m., læ̂wede bnw. (eng. lewd) “id.” een vervorming van ’t lat.-rom. woord is.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

leek. Het bnw. is misschien bewaard in het znw. lekebroeder, sedert Kil. (leeck-broeder): v.Lessen Samengest. Naamw. 31. — Schrap: “ags. læ̂wed znw.”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

leek 2 m. (wereldlijke), Mnl. leec, uit Lat. laicum (-us). Gr. laikós = iemand uit het volk, bijv.nw. van laós = volk.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

leek (Latijn laicus)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Leek, van ’t Lat. laicum, Gr. laikos = iemand uit het volk, van laós = volk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

leek ‘niet-geestelijke; iemand die van een bepaald vak geen verstand heeft’ -> Deens læg ‘iemand die van een bepaald vak geen verstand heeft’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors lek, leg ‘niet-geestelijke; ongeschoolde’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds lekman ‘ongeschoolde, iemand die van een bepaald vak geen verstand heeft’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

leek niet-geestelijke 1240 [Bern.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut