Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ledig - (vrij, werkloos, ijdel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

leeg bn. ‘niets bevattend’
Mnl. ledeg ‘niets doende’ [1240; Bern.], die wise man die en is geen tit ledig ‘die verstandige man is geen moment zonder werk’ [1270-90; CG II], ‘vrij, ongehinderd; onbezet, onbebouwd’ in dat daer enech guet ledech leghet ‘dat daar enig land onbebouwd ligt’ [1277; CG I], ende lietense vri ende ledech gaen ‘en lieten haar ongehinderd gaan’ [1276-1300; CG II], vri ende lediech ... clarlike van allen tynse ‘volkomen vrij van alle belasting’ [1292; CG I], ledeghen wiven ‘hoeren’ [1330; MNW]; vnnl. ledich, ook ‘niets bevattend’ [1599; Kil.], de ledige Kruythoorns ‘de lege kruithoorns’ [1599; WNT]. De vorm leeg voor het eerst in leechluyden ‘ambtelozen’ [1530; MNW].
Leeg is ontstaan uit de oorspr. vorm ledig door syncope van de intervocalische -d-.
Mnd. ledich ‘vrij, ongebonden’; mhd. ledic ‘id.’ (nhd. ledig ‘ongehuwd’); ofri. lethich, lethoch ‘vrij, ongehinderd’ (nfri. leech, liddich); oe. liðig ‘vrij, ongebonden, flexibel’ (ne. dial. lithy); on. liðugr ‘beweeglijk, ongehinderd’ (nzw. ledig); < pgm. *liþiga-, liþuga-. Hierbij ook de werkwoordsafleidingen: mnl. ledigen (zie onder); mnd. lēdegen, ledegen; mhd. erledigen; ofri. lethogia; alle ‘vrij (enz.) maken’.
Verdere herkomst onduidelijk. Er zijn geen verwante woorden buiten het Germaans. Wat de vorm betreft lijkt het woord dan ook een oude, intern Germaanse afleiding met → -ig van pgm. *liþu- ‘gewricht, ledemaat, onderdeel van een samengesteld geheel’, zie → lid 1. De oorspr. betekenis met betrekking tot personen zou dan zijn geweest ‘voorzien van ledematen, de beschikking hebbend over zijn ledematen’, vanwaar ‘beweeglijk’ > ‘ongebonden, vrij’.
In het Middelnederlands heeft dit woord nog slechts de betekenis ‘vrij, onbelemmerd’ in diverse betekenisnuances, zowel van personen als van zaken. Deze zijn tegenwoordig alle verouderd en slechts nog herkenbaar in enkele vaste verbindingen, zoals leegloper ‘nietsnut, nietsdoener’, lege tijd ‘vrije tijd’, zich onledig houden met ‘zich bezighouden met’, ledigheid is des duivels oorkussen. In het West-Vlaams bestaat nog steeds de betekenis leeg ‘lui’. De huidige betekenis ‘niets bevattend’ (uitsluitend van zaken) is pas Vroegnieuwnederlands.
De woordvorm met d komt alleen nog voor in formeel taalgebruik, bijv. in het begrip ledig gewicht in wetteksten over voertuigen.
legen ww. ‘leeg maken’. Mnl. ledighen ‘afkopen; bevrijden’, in daermen mede ledechde dat goeth dat die prister heuet ... jegen die templire ‘(geld) waarmee men het land dat de priester heeft, (los)kocht van de tempeliers’ [1248-71; VMNW], ic ledichde u van groten seere ‘ik bevrijdde u van groot leed’ [begin 14e eeuw; MNW], ledeghen ‘leeg maken’ [ca. 1440; Harl.]; met d-syncope in vnnl. 't gemoed ik leegh ‘ik maak het gemoed vrij’ [ca. 1610; WNT]. Afleiding van het bn. ledig, leeg.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ledig*, leeg [zonder inhoud, vrij] {ledich [vrij, onbelemmerd, zonder werk, ongehuwd, onbebouwd, onbezet van een plaats] 1201-1250} middelhoogduits ledic, oudfries lethoch, oudnoors liðugr; van lid1, dus iets als vrij bewegend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ledig, leeg bnw., mnl. lēdich ‘vrij, onbelemmerd, niet bezig, lui, ongehuwd, vrij van, onbeheerd, nietig’, mnd. lēdich, leddich, laddich ‘vrij, niet werkend, onbewerkt, leeg, ter vrije beschikking staand, nietig’, mhd. ledic ‘vrij, ongehinderd’ (nhd. ledig), ofri. lethich ‘vrij, onbelemmerd, opengevallen’, oe. liðig ‘vrij, ongebonden, buigbaar’, on. liðugr ‘gemakkelijk te bewegen, vrij, ongebonden, vriendelijk, geschikt’. — Gaat men uit van de bet. ‘buigbaar, bewegelijk’, dan kan men het woord met lid 1 verbinden. — > fra. lège ‘boot zonder lading’ (sedert de 17de eeuw Valkhoff 179).

Men vat ledig ook wel op als afl. van me. leþe ‘vrije tijd’, mnl. onlede ‘bezigheid, drukte (vgl. onledig), dat verder zou samenhangen met lijden. Dat is niet waarschijnlijk; aannemelijker is de hierboven gegeven afleiding uit lid 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ledig, leeg bnw., mnl. lēdich(gh) “vrij, onbelemmerd, niet bezig, lui, werkloos, zonder ambacht, ongehuwd, vrij van, ter vrije beschikking staande, onbeheerd, nietig”. = mhd. lëdic “vrij, ongehinderd” (nhd. ledig), mnd. lēdich (leddich, laddich) “vrij, niet werkend, onbewerkt, leeg, nietig, ter vrije beschikking staande”, ofri. lëthoch “vrij, onbelemmerd, vrij van, opengevallen”, meng. leþi “vrij, ongebonden”, ook “buigbaar”, on. liðugr “gemakkelijk te bewegen, vrij, ongebonden, vriendelijk, geschikt”. Gewoonlijk ziet men in deze woorden een afl. van meng. leþe “vrije tijd” (door sommigen voor verwant met germ. *lîþanan “gaan” gehouden; zie lijden), mnl. *lēde in onlēde v. “bezigheid, drukte” (waarbij mnl. onlēdich, nnl. onledig). On. liðugr wordt door sommigen hiervan gescheiden en van lid I afgeleid, met de oorspr. bet. “geleed, met beweeglijke leden”. Aangezien 1. sommige on. bett. zeer op die van ’t wgerm. bnw. lijken, 2. uit ’t oudere Wgerm. ’t woord niet bekend is, zoodat ook hier een dgl. grondbet. als die van on. liðugr voor mogelijk mag gehouden worden (NB. Ze komt meng. inderdaad voor), 3. het znw., waarvan ledig wordt afgeleid, ook omgekeerd “einzelsprachlich” van het bnw. kan zijn gevormd, mogen wij althans het vermoeden opperen, dat n.- en wgerm. *liþuӡa- van lid en nergens anders van is gevormd, — evenals ook ags. âliðïan “to dismember, separate, take away”. Vgl. lens IV.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ledig bijv., Mnl. ledech + Mhd. ledec (Nhd. ledig), Meng. lethi, On.lidugr = vrij; daarnevens Mnl. lede = vrije tijd en onlede = bezigheid, van waar onledig + Lat. liber (d.i. *leidher: Idg. dh = Lat. b in de buurt van r; vergel. baard en rood).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ledig: nie-besig, werkloos; Ndl. ledig (Mnl. ledich), Hd. ledig, mntl. verb. m. lit in bet. “buigbare deel v. liggaam” (vgl. Afr. uitdr.: jou litte roer); in Afr. is ledig doeb. v. leeg (q.v.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

leeg, ledig ‘zonder inhoud; vrij, werkloos’ -> Noors ledig ‘vrij, ongebonden, vacant, onbezet’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans lège ‘onbeladen of niet volledig beladen (van een schip)’; Negerhollands leeg ‘zonder inhoud’; Sranantongo leigi ‘zonder inhoud zijn’; Surinaams-Javaans légi ‘zonder inhoud’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

leeg, ledig* vrij, werkloos, ijdel 1240 [Bern.]

leeg, ledig* zonder inhoud 1599 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut