Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

leasen - (huren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

leasen ww. ‘huren’
Nnl. eerst als zn. leasing ‘het huren van een auto of van apparatuur inclusief onderhoud voor een lange termijn’ [1966; Voorthuysen 1967, 77], ook in samenstellingen als lease-overeenkomst, lease-contract [1967; Voorthuysen 1967], dan 'n auto leasen ‘een auto huren volgens een lease-contract’ [1974; WNT Aanv.].
Leasen is afgeleid van lease- in samenstellingen als hierboven genoemd. Lease- en leasing zijn ontleend aan Engels lease ‘verpachten’, leasing ‘het pachten’, oorspr. voornamelijk van onroerend goed. Het werkwoord lease is ontwikkeld uit Middelengels lesen [1475; BDE], een afleiding van het zn. lese ‘pachtovereenkomst’ [1384; BDE] (Nieuwengels lease), ontleend aan Normandisch les, Oudfrans lais ‘aangeslibd land dat verpacht wordt door de staat’ [1495; Rey], een afleiding van het werkwoord laisser ‘laten, overlaten’, ontwikkeld uit Latijn laxāre ‘losmaken, loslaten e.d.’, zie → laxeren.
Lit.: W.D. Voorthuysen (1967), Leasing, Deventer

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

leasen [voor lange termijn huren] {1974} < engels to lease < oudfrans laissier, less(i)er (frans laisser) < latijn laxare (vgl. laxeren).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

leasen (Engels to lease)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

leasen voor lange termijn huren 1974 [Posthumus] <Engels

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

leasen; leasing (← Eng. to lease ‘huren, verhuren’ + -n), een speciale vorm van lenen: een auto, fiets, apparatuur, gebouwen enz. voor langere duur huren, waarbij onderhoud, verzekering en belasting ten laste van de verhuurder zijn. Het geleende blijft dus voortdurend ter beschikking van het bedrijf, maar er hoeft geen geld te worden vrijgemaakt voor de aankoop van de geleaste zaak. Het leasebedrag wordt in vaste termijnen betaald. Sinds het begin van de jaren tachtig.

Leasing. Een man/vrouw van de wereld koopt zijn/haar auto niet, maar least hem voor een all-in bedrag per maand. (Hans Ferrée: Het trendletter ABC, 1983)
‘Die vier pentiums hebben we geleased, voor noppes!’ zegt Rob van Hilten, directeur van de stichting Noppes, tussen neus en lippen door, terwijl hij probeert uit te leggen wat zijn stichting nu eigenlijk wil. (HP/De Tijd, 04/07/97)
ook schertsend: een vrouw een tijdje ‘lenen’.
Leasen. Steeds meer valt er te leasen (auto, keuken, zelfs een tuin) maar in opkomst is bijvoorbeeld, guitig bedoeld, het ‘leasen’ van een vrouw. Man in een café, jongen in een disco tegen een meisje: ‘kan ik jou leasen?’ Machohumor. (Hans Auer: Zeg nooit doei, 1995)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut