Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lazeren - (smijten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lazer zn. ‘donder, flikker’
Nnl. dan kreeg ie tòch op z'n lazerij ‘dan kreeg hij toch een pak slaag’ [1903; WNT lazerij], een pak op je lazer zou je moeten hebben [1966; WNT Aanv.], ook in andere spreektalige uitdrukkingen zoals geen lazer ‘helemaal niets’ in hij begreep [er] geen lazer van [1950; De Coster 2002].
Hetzelfde woord als lazerij ‘melaatsheid’, mnl. laserie, een afleiding met het achtervoegsel → -erij van de naam van Lazarus, zie → lazarus. In de 20e eeuw verkort tot lazer.
Buiten de genoemde uitdrukkingen komt lazerij niet meer als zn. voor. Een betekenisontwikkeling van ‘melaatsheid’ via ‘een door ziekte aangetast lichaam’ naar ‘lichaam’ (De Coster 2002) is dan ook sterk te betwijfelen. Er is eerder sprake van een algemeen verschijnsel: krachttermen, ziekte-, scheld- of taboewoorden komen in het Nederlands vaker terecht in spreektalige uitdrukkingen of kreten, zoals op zijn donder of sodemieter of flikker krijgen of geven, ergens geen reet van snappen. Zie ook → belazerd.
lazeren ww. (NN) ‘vallen; smijten’. Nnl. hij lazerde et tege de grond, hij lazerde in de sloot [1896; WNT]. Afleiding van de stam lazer- als algemene spreektalige krachtterm, zie hierboven, en naar analogie van bijv. donderen. ♦ oplazeren ww. ‘weggaan’. Nnl. oplazeren ‘id.’ [1898; Van Dale]. Gevormd naar analogie van synoniemen als opkramen, opdrossen, ophoepelen, opdonderen, enz.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lazeren [smijten] {1896} een krachtterm op basis van lazerus, belazeren e.d., die alle een krachtig negatief element hebben, vermoedelijk naar analogie van donderenbelazerd.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

lazeren. De oorspronkelijke eedformule God moge mij lazeren als ik de waarheid niet spreek is in het hedendaags Nederlands bekend als verwensing om woede, verwondering e.d. uit te drukken. De oorspronkelijke betekenis van lazeren is ‘iemand met melaatsheid treffen’. Stoett (1943: nr. 197) vermeldt ook nog god zal hem lazeren! en lazer jij dood voor mijn part! Deze laatste verwensing duidt op immense woede en is het best weer te geven met ‘rot op’.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Lazeren, evenals bliksemen, donderen, mieteren enz., een ruwe uitdrukking voor gooien en vallen, en ook zaniken, zeuren; iets tegen den grond lazeren; leg niet te lazeren. Daarvan o.a. belazeren (voor den gek houden), belazerd (voor den gek gehouden, en ook gek), oplazer ( = oplawaai, slag, stomp), lazerbol, lazerhond. Alles in niet altijd even logisch verband met lazarus.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lazeren smijten 1896 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

197. Belazerd,

in de uitdr. belazerd zijn, d.i. gek zijn; eig. aangetast zijn door de lazarus-ziekte, de melaatschheid; mnl. belasert was synoniem van besiect, fri. bisiucht, zaansch besjoecheld (Boekenoogen, 55), getikt zijn. Zie Ndl. Wdb. II, 1682; fri. bilazerd; Molema, 501; Opprel, 46 b; Gunnink, 105: beläzen, bedriegen; Bruijel, 93; V. Schothorst, 104. Vgl. ook de verwensching krijg 't apelazerus, 't lazerus, 't lazerusklap, de ziekte, syn. van krijg de dood, 't spit, 't koliek, de kippenkoorts, de kouwe koorts, de slingerschijt (zie Lvl. 119), de krenk (zie Ghetto2, 32), de dalles (armoede), enz.

Synoniem van ben je belazerd is bedonderd, bebliksemd (Boefje, 175), betoeterd (De Vries, 64; Bergsma, 44; Boekenoogen, 59), beduiveld, fri. bilabberd, besassefrast, eig. heb je een venerische ziekte, die door sassafras genezen werd?; besodemieterd (zie Mgdh. 304), besausnegerd (zie Jord. 216; 276Vgl. Sausneger, eig. Curaçaosche neger (Gron. 96; Jong. 111); (ke)sausse mangelen of kesausies (zie o.a. Leersch. 152, 161), amandelen uit Curaçao.), gron. bist besoaksemd (o.a. Groningen IV, 196); belatafeld (vgl. Köster Henke, 8; Jord. 400Vgl. ook Nw. School I, 157; V 210; Nkr. II, 13 Sept. p. 2; 11 Oct. p. 2; III, 30 Mei p. 2; IV, 3 Juli p. 2; 16 Oct. p. 2. Twee W.B. 174; Lanal. 194: 't Kan me niks verlaaitafele; M. de Br. 45: Je staat me toch niet te belatafelen? Dit grappige belatafelen is een vervorming van belazeren. Zie over zulke eufemismen K. Nyrop, Gramm. Hist. 4, § 370;); ben je (nou) van God verlaten (zie Mgdh. 187, 280; Prol. 7; Falkl. V, 55); besanikt (in Jord. II, 360); besalamanderd in Nkr. VII, 31 Mei p. 6); betoeterd (o.a. Schakels, 31), bekokmeeuwd (V. Dale). Iemand belazeren beteekent iemand beetnemen, bedriegen, iem. bedonderen (zie Lvl. 110; Boefje, 168; Kmz. 178; 395; Nachtk. 114, enz.).

Andere uitdrukkingen ontleend aan den naam Lazarus zijn: hij is Lazarus, d.i. stomdronken (zie Köster Henke, 39; Kmz. 58; Landl. 32; Twee W.B. 96; Nachtk. 54; Nest. 76; Zandstr. 83) en lazerus bezeupen (in Zoek. 234) ook melazerus (in Ghetto2, 12, 15), waarbij gedacht kan worden aan Lazazus als den tijdelijk doode, later herrezene; (niet) Lazarus zijn, (niet) ongevoelig (17de eeuw lazerig), suf, idioot zijnNoord en Zuid XXVI, 229; Ndl. Wdb. VIII, 1195-1197.; lazerhond, lazermakkero (scheldwoord o.a. Kmz. 23; 375) naast makkero, fr. maquereau, koppelaar, bordeelhouder (zie Kmz. 181, 187, 304, 505, 362); lazersteen (Kmz. 304; Diamst. 26), waarnaast ook de ww. lazersteenen of lazeren, zaniken, syn. van bliksemsteen, dondersteen (Dsch. 68; Nw School, VIII, 215; Jord. II, 8; D.H.L. 11; Nest, 39, 118), flikkersteen (Nest, 34), lazerstraal (Kmz. 375), syn. van lamstraal (Slop, 32; Kmz. 207; Diamst. 109; Nachtk. 23). - Iemand lazeren, trans. iem. smijten, donderen (vgl. God zal 'm lazeren (Kmz. 23); intr. vallen: Lazer jij dood voor mijn part! (Diamst. 210). - Iemand op zijn lazerij komen, voor zijn lazernis (laarzenis) krijgen; op zijn lazerus, lazerij (Boefje, 20), lazer, lazerement krijgen, waarin lazerij eigenlijk beteekent melaatschheid, daarna het door ziekte besmette lichaam, en dan het lichaam in 't algemeenVgl. in 't hd. Kleckstein, verrader; Schmierstein, iemand die op den uitkijk staat (Günther, 67).), syn. van iemand op zijn donderement (zie Nest, 35), zielement (zie Jong. 193; Nest, 34; Boefje, 40, 56), bliksem, donder, flikker, mieter, sodomieter komen of slaan.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut