Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lazarus - (stomdronken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lazarus bn. ‘stomdronken’
Mnl. lasers(ch) ‘melaats’ in enen lazerzen mensche ‘een melaatse’ [1236; CG I], dat hie lassers worde ‘dat hij melaats zou worden’ [1284; CG I]; vnnl. lazarus ‘melaats’ [1569; WNT], ook ‘onnozel, idioot’ in off zot off laseris ‘of dom of onnozel’ [1671; WNT]; nnl. ‘dronken’ in heb meêlij met mijn, ik zal nooit weer lazerus zijn [1906; Boeventaal].
Het bn. mnl. lasers(ch) ‘melaats’ is een afleiding van Lazarus, de Grieks-Hebreeuwse naam van de met zweren bedekte bedelaar in het evangelie van Lucas, die sinds de middeleeuwen de naamgever was van melaatsheid (mnl. laserie, zie → lazer). De betekenis ‘melaats’ is verouderd, maar nog te herkennen in de verwensing krijg het lazarus en in de afleiding → belazerd. De woordvorm werd onder invloed van de toegenomen bijbelkennis en geletterdheid in de 16e eeuw aangepast aan de Latijnse vorm.
De betekenisovergang van ‘melaats’ naar ‘dronken’ is niet evident. Men schrijft de betekenis ‘dronken’ wel toe aan de andere bijbelse Lazarus (Johannes 11), die uit de dood was opgewekt; de betekenisontwikkeling zou dan zijn verlopen van ‘opgewekt’ via ‘zeer vrolijk’ naar ‘dronken’ (Prinsen 1903). Mogelijk is er een directere betekenisovereenkomst: de versuftheid en wankelingen van een dronkaard die geassocieerd worden met de sufheid waarmee men uit de diepe slaap (van de dood) ontwaakt. Maar noodzakelijk is deze referentie naar de bijbel niet, want ook bij lazarus ‘melaats’ kan men zich een overdrachtelijke betekenis ‘suf, verdwaasd, voor pampus liggend’ voorstellen.
Lit.: J. Prinsen (1903), ‘Lazarus’, in: Noord en Zuid 26, 229; Endt 1972, 60; Van Dalen-Oskam 2000; De Coster 2002, 252-253

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lazarus [stomdronken] {1673} vermoedelijk naar de naam Lazarus, de broer van Maria en Martha, Johannes 11.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

lazerus

De betekenis van dit woord is: stomdronken en men heeft zich het hoofd gebroken over de vraag hoe dat mogelijk is. Het lijkt immers buiten twijfel dat het woord lazerus hetzelfde is als de naam Lazarus. In het Nieuwe Testament is Lazarus zowel de naam van een met zweren bedekte bedelaar (Luc. 16) als van de broer van Martha en Maria die uit de dood wordt opgewekt (Joh. 11). Het is heel begrijpelijk dat men met een lazarus een melaatse bedoelt of iemand die een andere afschuwelijke ziekte heeft. Vandaar de ruwe uitroep: Krijg het lazerus of: ben je belazerd? Ook oplazeren, naar het voorbeeld van opdonderen en lazeren (vallen) horen hierbij. Maar met dronkenschap hebben al deze betekenissen niets te maken. Een aardige vondst is het om lazerus: dronken te verklaren met het woord opgewekt dat zowel betekenen kan: uit de dood verrezen als: vrolijk. En vrolijkheid hoort wel bij dronkenschap. Maar dit blijft theorie.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

Lazarus (Latijn Lazarus)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Lazarus (1), Lazarus van Betanië, die door Jezus uit de dood werd opgewekt; (fig.) persoon of instelling die hersteld is van een slechte situatie.
Lazarus zijn, dronken zijn.

Twee mannen met de naam Lazarus spelen een rol. De ene is de bekende Lazarus van Betanië, die door Jezus uit de dood werd opgewekt. Zijn verhaal wordt verteld in Johannes 11. Zijn naam wordt wel gebruikt ter aanduiding van personen of ook instellingen die een slechte periode hebben doorgemaakt maar nu weer actief zijn. Men gaat ervanuit dat het bijvoeglijk naamwoord lazarus, 'dronken', ook van de uit de dood opgewekte Lazarus is afgeleid. De relatie is waarschijnlijk dat een dronken persoon tijdelijk (net als de dode Lazarus) de controle over zijn geestelijke en lichamelijke vermogens kwijt kan zijn. Een aardige toepassing is te vinden in de volgende aanhaling: 'Vande Lanotte: Drie ministers weg betekent: verschuivingen en destabilisering. Wat wij meemaken, is de Lazarus-wet: je kan pas verrijzen als je gestorven bent' (Knack, 1999, nr. 25, p. 14).

Rijmbijbel (1271), v. 24684-88. Ian seghet ons dar ict in las. / Tien tiden dat ihesus [dar] was. / Dat was in bethania. / Dar martha was ende maria. / Hare broeder siec hiet lazarus. (Johannes, waar ik dit gelezen heb, vertelt ons dat toen Jezus zich daar [aan de overzijde van de Jordaan] bevond, in Betanië bij Marta en Maria hun broer Lazarus ziek werd.)
[Over een diplomaat wiens carrière na een inzinking weer opleeft:] Pas in 1981 [...] keren zijn loopbaanperspectieven enigszins bij toeval ten goede. Bij wijze van hilarisch intermezzo raakt hij van een soort diplomatieke Lazarus plotseling tot coming man. (NRC, 18-1-1999, p. 2)
Kwam hun vader ook ruziemakend thuis? Was de directeur-gerant ook wel eens lazarus? Sloeg hij zijn vrouw en zijn kinderen? (Elsinck, Biecht van een huurmoordenaar, 1992, p. 210)

Lazarus (2), de arme Lazarus uit een van Jezus' gelijkenissen; (fig.) ernstige ziekte.
Het lazarus krijgen, een ernstige ziekte krijgen.
Zich het lazarus schrikken, werken e.d., heel erg schrikken, heel hard werken e.d.

De andere Lazarus heeft minstens zoveel invloed gehad op de Nederlandse taal. Hij komt voor in de gelijkenis over een rijke man en de bedelaar aan zijn deur; vergelijk Lucas 16:20, 'Een bedelaar die Lazarus heette, lag voor de poort van zijn huis, overdekt met zweren' (NBV). Vroegere lezers van de bijbel zijn ervanuitgegaan dat deze man melaats was, en daarom kreeg melaatsheid ook de naam van de bedelaar, lazarij. In de hedendaagse uitdrukking het lazarus krijgen is niet speciaal meer van melaatsheid sprake, maar moet men denken aan iets algemeners, een ernstige ziekte. Van deze betekenis is waarschijnlijk ook de frase zich het lazarus schrikken, werken, lopen e.d. afgeleid, die gebruikt wordt ter versterking van een mededeling, om de hevigheid of ernst van een gebeurtenis aan te geven.
Andere woorden of uitdrukkingen die op deze Lazarus en zijn (veronderstelde) ziekte teruggevoerd zouden kunnen worden zijn: zo arm als Lazarus, lazaret 'ziekenhuis', lazarusklep 'de ratel waarmee een melaatse zich kenbaar maakte zodat mensen zich indien gewenst uit de voeten konden maken', houd je (lazarus)klep 'maak niet zoveel herrie', lazeren, ook in verband met het geluid van de ratel: 'kletsen, zeuren'; lazeren 'vallen; gooien'; dat lazert niet 'dat maakt niet uit', je belazerd voelen 'je ziek voelen', belazerd zijn 'gek zijn'; belazeren 'bedriegen', iemand op zijn lazer/lazerij geven, 'iemand een pak slaag geven' en 'iemand streng berispen' (hierbij is lazer(ij) de persoon met de ziekte van die naam).

Rijmbijbel (1271), v. 24445-49. Een aerm man so was dar bi. / Hiet lazarus die lettel at. / Ende begerde te wesene sat. / Van den crumen diere bleuen. / Ende niemen ne wildse hem gheuen. (Daar was een arme man, Lazarus geheten, die honger leed en zich wilde verzadigen met de kruimels die er overschoten.)
Wat hier telt is alleen je eigen familie, alles wat daarbuiten staat kan het lazarus krijgen en doodvallen.. (Elsinck, Biecht van een huurmoordenaar, 1992, p. 59-60)
'Weet u dat u me het lazerus liet schrikken,' zegt de bloemenhandelaar. 'Het was net een film. Zo'n griezel-film, weet u wel.' (J. Wolkers, Alle verhalen, 1981, p. 289-290)
Op de achtergrond hoorde ik hun zoontje Fritsje smartelijk huilen. 'Ik sla hem op zijn lazer!' schreeuwde Hugo. (R. Geel, Een gedoodverfde winnaar, 1988 (1977), p. 30)
En allemaal werkten ze zich het lazarus, omdat ze zich de crisis van voor de oorlog nog herinnerden, toen ze er allemaal net zo voorstonden als Leenke. (T. van Reen, Gevallen ster, 1999, p. 24)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

lazarus, lazeres. Volgens het Evangelie van Lucas (16: 19-27) was Lazarus een melaatse in een parabel van Jezus. Later werd hij tot patroon van melaatsen en zieken. De verwensing je kunt het lazarus krijgen! demonstreert ten anderen male de dictatuur van ernstige ziektes in verwensingen. Afkeer van en walging voor iemand worden hier uitgedrukt door hem lazarus ‘melaatsheid’ toe te wensen. Een variant is je kunt het lazarus genieten. Zie Stoett (1943: nr. 197). De letterlijke betekenis is afgezwakt tot ‘verrek’. Een versterking van de verwensing vinden wij in de samenstellingen krijg het apelazarus!; krijg het kankerleplazarus!; krijg het lazarusklep!; krijg het klaplazarus!; krijg het kleplazarus!; krijg het laplazarus!; krijg het leplazarus!; krijg het schijtlazarus! en krijg het zeepokkenlazarus! Mart Smeets gebruikt in Oranje boven! Een jaar sport [2000: 64]: krijg allemaal het kolerelazerus!

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Lazarus, nu nog alleen in gebruik in de platte uitdrukkingen: lazarus (dronken) zijn, en het lazarus (de melaatschheid) krijgen. Mnl. lasarus, lasers, lazerus e.a., ook als b.nw. en dan soms met sch er achter. Ontleend aan de beide Bijbelsche personen, in het eerste = Lazarus, de broeder van Maria en Martha, die gestorven was en opgewekt werd (Joh. II), en dus = lijk zijn; in het tweede = Lazarus, den bedelaar, die met booze zweren bedekt was, uit de gelijkenis (Luc. 16), en eerst voor melaatsche, dan ook voor de ziekte zelf: Krijg het lazarus! Vroeger, toen een soort van melaatschheid veel voorkwam, veel gebruikt o.a. in de samenstellingen Lazarushuis, lazarusklap (klep, waardoor de bedelende melaatschen hun aanwezigheid moesten te kennen geven en waarschuwen tegen aanrakingen), lazarushoofd (zeerhoofd) enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

Lazarus ‘eigennaam’ -> Kupang-Maleis Sarus ‘eigennaam’; Negerhollands Lazares ‘eigennaam, met zweren overdekte bedelaar uit het Nieuwe Testament’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lazarus stomdronken 1673 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut