Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lawine - (glijdende sneeuwmassa)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lawine zn. ‘glijdende sneeuwmassa’
Nnl. lauwine in tweederlei Soort van Lauwinen ‘twee soorten lawine’ [1774; WNT wind I], lawine [1833; WNT], ook overdrachtelijk zoals in een lawine van “NSB-benoemingen” ging over het land [1949; WNT Aanv. infiltratie].
Ontleend, de oudste vorm rechtstreeks, de huidige via Duits Lawine ‘lawine’ [1795; Paul], aan Zwitsers-Duits lauwin(e) ‘id.’. Dit Zwitserse woord, uit Reto-Romaans lavina, gaat terug op middeleeuws Latijn lavina [eind 8e eeuw; Niermeyer], een nevenvorm van labina en afgeleid van klassiek Latijn lābī ‘naar beneden glijden’, zie → labiel. Zie ook → lava.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lawine [neerstortende sneeuw] {1774} < hoogduits Lawine < reto-romaans lavina < middeleeuws latijn labina, lavina [sneeuw-, steenstorting] < laat-latijn labina [het uitglijden, val; plaats waar (gesteldheid waardoor) men gemakkelijk uitglijdt], verwant met labes [instorting, verzakking], van labi [glijden, af-, neer-, uitglijden] (vgl. lava).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lawine znw. v., eig. een Alpenwoord < laat-lat. (7de eeuw) labīna ‘afstorting van aarde en stenen’; het tessinische en rhaetorom. woord werd in Zwitserse dialecten overgenomen als lauwiu, vgl. beiers läuen, tirools lān. — Daarnaast staan savoois lavenche, zwitsers-fra. vallant-ze (nfra. avalanche), dat uit een grondvorm lavinea stamt, een afl. van het mediterrane woord lava. Het zou derhalve mogelijk zijn, dat ook lawine daarop teruggaat en dat lat. labīna volksetymologisch naar labes ‘val, instorting’ daaruit is gevormd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lawine znw. Nnl. uit het Hd. De afl. van nhd. lawine v. (ouder zwits. lauwin) uit lat. lâbîna “het vallen, glijden, storten” is bevredigender, dan de combinatie met lauw. Men wijst bij die laatste afleiding op bei. läu(e)n “dooi, massa week geworden sneeuw, lawine”. De w uit lat. b kan door rhaet. bemiddeling verklaard worden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lawine v., door Hgd. id., uit Zwits. Fr. labina = valsneeuw, Mlat. labinam (-a), van Lat. labi = vallen (z. slap).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

lawine: sneeustorting; Ndl. lawine/lauwine (nog nie by Kil nie) blb. via Hd. lawine uit Sw.-Du. lauwiu uit Ll. labina, “aardstorting”, vgl. Bei. läuen en Sw.-Fr. lava/lave, “laag gladde klippe”, soos Ndl., Eng. en It. lava wsk. verb. m. Lat. lavāre, “was” (vgl. latrine, laventel en lawement) – daarnaas Sav. lavenche, Eng. en Fr. avalanche, wsk. uit dial. Fr. avalance, “neerdaling”, maar verb. verduister deur d. kruising v. vorme.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

lawine (Duits Lawine)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lawine neerstortende sneeuw 1774 [WNT wind I] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal