Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

laveren - (telkens aan de wind overstag gaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

laveren ww. ‘zigzag tegen de wind in zeilen’
Mnl. loveren ‘zigzag tegen de wind in zeilen’ in met haren scepen ... louerende recht in den wijnt ‘met hun schepen laverend recht tegen de wind in’ [1328-50; Rijmkroniek], laveren in die ... laveren die straten over als een scip dat laveert ‘die (beschonkenen) zwalken over de straten als een laverend schip’ [1437; MNW-P]; vnnl. laveeren, loeveeren ‘zwalken, zijwaarts wenden, zigzag tegen de wind in varen’ [1599; Kil.].
Loveren, loeveeren is een afleiding met → -eren van → loef ‘zijde die naar de wind is toegekeerd’, met overgang -o- > -a- in voortonige klinker, zoals in → bazuin.
Aan het Nederlands ontleend: mnd. laveren ‘laveren’ (waaruit door ontlening nhd. lavieren); ne. (verouderd) laveer; nzw. lovera, ouder nzw. ook lavera; ouder nde. lovera, nde. lavere.
Frans lof ‘loef’ is reeds in de 12e eeuw ontleend aan Nederlands loef. Later werd ook het werkwoord loveren, loeveren ontleend als lofuyer [1529; TLF], louvier [16e eeuw; BvW], en ten slotte louvoyer [1612; TLF], de huidige vorm. Ontlening door het Nederlands aan het Frans (NEW) is op grond van de dateringen en het feit dat laveren een scheepvaartterm is, zeer onwaarschijnlijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

laveren1 [telkens aan de wind overstag gaan] {loveren [tegen de wind opzeilen] ca. 1384, laveren [heen en weer zwaaien bij het lopen] 1437} < oudfrans loveer [idem], van nederlands loef.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lavéren ww., laat-mnl. laveren ‘laveren van een schip; met onvaste gang lopen (van beschonkenen)’, laat-mnd. laveren (> nhd. lavieren) < fra. loveer (eerst 16de eeuw bekend, nfra. louvoyer); het franse ww. is afgeleid van lof ‘loefzijde’ (reeds 12de eeuw), dat wel van nl. loef zal zijn overgenomen. — > ne. laveer (1598, vgl. Bense 179).

Jongere betekenissen vertonen Kil. laveyen ‘doelloos rondzwerven; zwervend heen en weer grazen’, in 1658 lavayen ‘stropen’; zie ook: lawaai.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

laveeren ww., reeds later-mnl. met de bet. “heen en weer zwaaien (als een dronken man)”. Evenals laat-mnd. lavêren “laveeren” (ook overdr.) (nhd. lavieren komt uit ’t Ndl. of Ndd.) ’t beste te verklaren als een ontl. uit ofr. loveer (fr. louvoyer) “laveeren”, met a uit vóórtonige fr. o (vgl. kantoor); ofr. loveer komt echter eerst in de 16. eeuw voor. ’t Komt van ndl. loef. Uit ofr. loveer (stam lové-) is ook Kil. laveyen “vagari otiose, otia agere, errare, palari: pascere errando sive palando” ontleend, waarmee “laveyen. j. schoften” identisch is. In 1568 komt lavayen = “stroopen” voor. De oudste bet. is “laveeren”, vandaar “over straat zwaaien”. Laveien “lanterfanten, ’s nachts jagen” en lavei “verlof, vrijheid, staking, het ’s nachts jagen” komen, vooral dial., nog voor. Vgl. lawaai.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

laveeren ono.w., Mrl. loveren, uit Ofra. loveer (thans louvoyer), gevormd van Ndl. loef (Fr. lof). Voor de a vergel. babijn.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

laveren (Oudfrans loveer)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

laveren ‘telkens aan de wind overstag gaan; zich naar de omstandigheden schikken’ -> Engels † laveer ‘(op)kruisen’; Duits lavieren, sich lavieren ‘met handigheid moeilijkheden overwinnen; (zeemanstaal, verouderd) zigzag tegen de wind in zeilen’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens lavere ‘kruisen, voorzichtig manoeuvreren’; Noors lavere, lovere ‘telkens aan de wind overstag gaan’ (uit Nederlands of Nederduits); Pools lawirować ‘telkens aan de wind overstag gaan’ (uit Nederlands of Duits); Kroatisch lavirati ‘telkens aan de wind overstag gaan; zich naar de omstandigheden schikken’ ; Macedonisch lavira ‘telkens aan de wind overstag gaan; zich naar de omstandigheden schikken’ ; Servisch lavirati ‘telkens aan de wind overstag gaan; zich naar de omstandigheden schikken’ ; Sloveens lavirati ‘zigzaggend varen; manier van tekenen met veel reliëf; zich naar de omstandigheden schikken’ ; Russisch lavirovát', lavirúju ‘telkens aan de wind overstag gaan; (boeventaal) lopen, uitkijken naar een slachtoffer’; Bulgaars laviram ‘telkens aan de wind overstag gaan; zich naar de omstandigheden schikken’ ; Oekraïens laviruváti ‘telkens aan de wind overstag gaan’ ; Wit-Russisch lavíravac' ‘telkens aan de wind overstag gaan’ ; Lets lavierēt ‘telkens aan de wind overstag gaan; met handigheid moeilijkheden overwinnen’ (uit Nederlands of Duits); Lets lavēt ‘telkens aan de wind overstag gaan’; Litouws laviruoti ‘telkens aan de wind overstag gaan’ (uit Nederlands of Duits); Hongaars lavíroz ‘telkens aan de wind overstag gaan’ ; Ambons-Maleis lawèr ‘telkens aan de wind overstag gaan’; Menadonees lawèr ‘telkens aan de wind overstag gaan’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

laveren telkens aan de wind overstag gaan 1384 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut