Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lavabo - (wasbak, wastafel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lavabo zn. (BN) ‘wasbak, wastafel’
Vnnl. lavabo ‘wasbekken voor het reinigen van de handen door de priester’ [1642; WNT Aanv.]; nnl. lavabo ‘wastafel’ [1931; Verschueren].
Ontleend aan Frans lavabo ‘doek waaraan priester zijn handen afveegt’ [1560; Rey], vervolgens ‘gebed waarbij hij zegt lavabo’ [1721; Rey], later ook algemener ‘wastafel’ [ca. 1801; Rey]. Het woord gaat terug op de tekst van Psalm 26:6 in de Latijnse Vulgaat lavabo inter innocentes manus meas ‘ik zal onder onschuldigen mijn handen wassen’, de priesterlijke woorden bij de symbolische daad van het handen wassen vlak na de offerande. Lavabo ‘ik zal wassen’ is een vervoeging van het werkwoord lavāre ‘wassen’, zie → laven.
De kerkelijke betekenis kan rechtstreeks aan het Latijn ontleend zijn, maar de betekenissen ‘wastafel’ en ‘meubel met ingebouwde wastafel’, ‘fonteintje (op de wc)’, enz., die vooral BN zijn, zijn zeker ontstaan onder invloed van het Frans.
Lit.: Mesotten 2004, 290

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lavabo [wasbekken] {1899} < latijn lavābo [lett.: ik zal wassen], van lavare [wassen]; het woord lavābo is het eerste woord van het gebed psalm 26:6-12, dat de priester uitspreekt bij de rituele handwassing in de Latijnse mis.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Lavabo, wasbekken, fonteintje of wasruimte in de rooms-katholieke kerk of in kloosters; wastafel of kleine ingebouwde ronde badkuip/wasbak (vooral Zuid-Nederland en België).

Lavabo is het eerste woord van de Vulgaattekst van Psalmen 25 (26):6, lavabo inter innocentes manus 'ik zal mijn handen wassen temidden der onschuldigen' (De NBV zegt: 'Ik zal mijn handen in onschuld wassen'). De priester sprak deze woorden als hij tijdens de mis zijn handen aan een rituele wassing onderwierp. Het woord lavabo werd de naam van het gebed, van de handenwassing en van het gerei dat daarbij te pas kwam. Nog weer later raakte het ook buiten de kerk bekend en duidde men er, vooral in het zuiden van ons taalgebied, een wastafel of soort waskuip mee aan. Hierbij speelde waarschijnlijk invloed van het Frans een rol. De letterlijke betekenis 'ik zal wassen', hoe toepasselijk ook, is daarbij niet iedereen bekend.

Hij nam een pancake-stift uit het toiletkastje en schreef iets op de spiegel van de lavabo. (H. Claus, De hondsdagen, 1952, p. 50)
In de Middeleeuwse kloosters, speciaal bij de Cisterciënzers, is de lavabo gewoonlijk een apart, rond of zeshoekig gebouwtje, gelegen tegenover de ingang van de refter. (Algemene Winkler Prins Encyclopedie, 1958, dl. 6, p. 497-498)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

lavabo (Frans lavabo)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut