Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lauwer - (krans van laurieren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lauwer zn. ‘krans van laurierbladeren’
Mnl. lauwer ‘laurier’ eerst in samenstellingen, zoals in ghecroent met lauwer bome ‘gekroond met een lauwertak’ [1285; CG II], lauwerbladen ‘laurierbladeren’ [1287; CG II], dan lauwer ‘lauwertak of -krans’ in myt lauweren vertzieren ‘met lauriertakken tooien’ [1477; Teuth.]; nnl. (meestal mv.) lauweren ‘onderscheiding, bekroning’ in dat de maatschappij van Schoone Kunsten lauweren en kronen zal uitreiken [1845; WNT vereenigen I], een man ... die als parlementair redenaar lauweren heeft verworven [1850; WNT verwerven I], op de verworven lauweren uit ... rusten [1870; WNT].
Ontleend aan Latijn laurea ‘lauwerkrans’, verkorting van corona laurea, letterlijk ‘kroon van de laurier’, waarin het tweede woord het bn. is bij laurus ‘laurier’, een woord dat wrsch. is ontleend aan een voor-Indo-Europese taal. In het Nederlands in de ongewone combinatie -aur een overgangsklank -we- ingevoegd.
Eveneens ontleend: ohd. lōr- in lōrboum ‘laurier’ (nhd. Lorbaum).
Laurierbladeren werden in de Griekse mythologie met de god Apollo geassocieerd en vanaf 582 voor Chr. kroonde men er Olympische winnaars mee; de → laurier als symbool van overwinning werd overgenomen door de Romeinen en de latere Europese volken. Uit de oude citaten valt niet altijd op te maken of men ook werkelijk met lauriertakken kroonde of dat er al sprake was van een overdrachtelijke betekenis ‘onderscheiding, bekroning’.
Tegenwoordig duidt laurier de boomsoort aan, terwijl lauwer alleen nog gebruikt wordt in de samenstellingen lauwertak en lauwerkrans, beide als symbool voor verering, en in enkele uitdrukkingen, bijv. (ergens de) lauweren (van) plukken ‘roem verwerven’ en op zijn lauweren rusten ‘rust nemen na behaald succes of na verrichte arbeid’. Zie ook → laureaat en → baccalaureaat.
lauweren ww. ‘loven, bekronen’. Nnl. lauwer hem ‘loof hem’ [1817; WNT], een gelauwerd dichter ‘een bekroond dichter’ [1878; WNT]. Afleiding van het zn. lauwer.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lauwer2 [krans van laurieren] {lau(w)er 1287} < latijn laurus [laurier] (vgl. laurier).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

laurier znw., nog niet bij Kil. Evenals eng. laurel (met dissimilatie) “laurier” uit fr. laurier “id.” ontleend, een afl. van lat. laurus. Mnl. lau(w)er m. (nnl. lauwer) “id.” gaat direct op laurus terug, ’t is echter een jongere ontl. dan ohd. lôr-beri o. v. (nhd. lorbeer m.), eigenlijk “bes van den lôr-boom”, dat wsch. al vóór de 7. eeuw werd overgenomen en zelf weer in ’t Ndd. en De. (laurbær) overging. Ook ags. lâwer, laur m., ouder-de. lavr “laurier”, waaruit zw. lager “id.”, is uit lat. laurus ontleend. Vgl. kool II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lauwer m., rechtstreeks uit Lat. laurum (-us) = laurier (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

louer: gew. mv. -e, eer, roem; Ndl. lauwer (Mnl. lau(w)er), regstreeks ontln. aan Lat. laurus, “lourierboom”, maar lourier, Ndl. laurier (nog nie by Kil nie) is via Fr. laurier ontln. aan Lat. laurus.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

lauwer (Latijn laurus)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Lauwer, van ’t Lat. laurus, ’t zelfde als ons laurier en dit van ’t Fr. laurier.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lauwer ‘krans van laurieren’ -> Fries lauwer ‘krans van laurieren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lauwer krans van laurieren 1287 [CG NatBl] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut